Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201407999/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:5165, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407999/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2014 in zaak nr. 14/222 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. afgewezen.

Bij besluit van 3 december 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2015, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. V. Chaudron, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat hij inmiddels beschikt over een VOG ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] wel twee VOG’s ten behoeve van andere activiteiten heeft verkregen, maar dat het uitgesloten is dat [appellant] een VOG ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart heeft. Gelet hierop en de omstandigheid dat [appellant] de desbetreffende VOG niet heeft kunnen tonen, gaat de Afdeling ervan uit dat [appellant] nog belang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep.

2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de VOG van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens.

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 2013, 5409).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Wanneer een aanvrager voorkomt in het JDS wordt de beoordeling of een VOG kan worden afgegeven verricht aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan wordt beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op de omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van een VOG. Omstandigheden van het geval die altijd bij de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat de minister na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden bij de beoordeling betrokken.

In het screeningsprofiel "Taxibranche; chauffeurskaart" is onder meer vermeld dat de houder van de chauffeurskaart verantwoordelijk is voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag. De houders van de chauffeurskaart kunnen ook omgaan met contant en giraal geld. Het risico van diefstal en verduistering is aanwezig.

3. De staatssecretaris heeft aan het besluit van 3 december 2013 ten grondslag gelegd dat in het JDS op naam van [appellant] de volgende relevante justitiële gegevens staan geregistreerd:

- een strafbeschikking van 21 maart 2013 waarbij hem een geldboete van € 1.700,00 is opgelegd wegens het niet gebruiken of niet (volledig) invullen van de dagrittenstaat;

- een strafbeschikking van 18 maart 2013 waarbij hem een geldboete van € 360,00 is opgelegd wegens het niet opvolgen van verkeersaanwijzingen;

- een strafbeschikking van 9 januari 2013 waarbij hem een geldboete van € 180,00 is opgelegd wegens het niet opvolgen van verkeersaanwijzingen;

- een zaak wegens overschrijden van de maximumsnelheid op 12 december 2012 te Amsterdam. Deze zaak staat nog open;

- een veroordeling op 20 september 2011 tot een geldboete van € 95,00, subsidiair één dag hechtenis, wegens het als bestuurder niet in bezit hebben en zichtbaar tonen van de chauffeurspas in de taxi. Deze uitspraak is op 5 oktober 2011 onherroepelijk geworden;

- een veroordeling op 18 september 2009 tot een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, wegens het overschrijden van de maximumsnelheid. Deze uitspraak is op 3 oktober 2009 onherroepelijk geworden.

4. Voor zover [appellant] ter zitting de in het JDS opgenomen gedragingen heeft betwist, kan dat niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu bij de beoordeling of het verzoek om de VOG terecht is afgewezen van de juistheid van die gegevens dient te worden uitgegaan. Voor het overige is in hoger beroep onbestreden dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan zijn belang bij afgifte van de VOG. Hij voert hiertoe aan dat maar weinig antecedenten aanwezig zijn en er voldoende tijdsverloop is.

5.1. De laatste keer dat [appellant] volgens het JDS in aanraking is gekomen met justitie is 21 maart 2013. Gelet op het tijdsverloop tot het besluit van 3 december 2013 heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat te weinig tijd is verstreken om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG te rechtvaardigen. Daarnaast heeft de staatssecretaris vastgesteld dat binnen de terugkijktermijn van vijf jaar meerdere antecedenten in het JDS zijn aangetroffen, waaruit volgt dat recidive met betrekking tot het overschrijden van de maximum snelheid en het niet opvolgen van aanwijzingen heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de kans aanwezig mogen achten dat [appellant] opnieuw met justitie in aanraking zal komen. Deze omstandigheden, in combinatie met de omstandigheden dat de in het JDS geregistreerde strafbare feiten volgens de staatssecretaris bij uitstek niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur en dat het feit dat heeft geleid tot de strafbeschikking van 21 maart 2013 blijkens de hoogte van het bedrag [appellant] niet licht is aangerekend, maken volgens de staatssecretaris dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij toewijzing van de VOG. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Michiels w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

176-773.