Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201409979/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft het college aan [appellant] en [mede-eigenaar] een last onder dwangsom opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409979/1/A4.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 november 2014 in zaak nr. 13/1750 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft het college aan [appellant] en

[mede-eigenaar] een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2014 heeft de rechtbank het door

[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze

uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] en [mede-eigenaar] zijn de eigenaren van de woning aan de [locatie] te Zaandam. Binnen deze woning is een inrichting voor het opslaan van ontplofbare stoffen (patronen en kruit) in werking. Voor het oprichten en in werking hebben van deze inrichting is in 1988 een vergunning krachtens de Hinderwet verleend. Vast staat dat de inrichting sinds de inwerkingtreding van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (thans het Activiteitenbesluit milieubeheer; hierna: het Activiteitenbesluit) op 1 januari 2008 niet langer vergunningplichtig is.

2. Aan de in bezwaar gehandhaafde last is een overtreding van artikel 4.3, tweede lid, van het Activiteitenbesluit ten grondslag gelegd. Ingevolge die bepaling is een brandcompartiment bestemd voor de opslag van zwart kruit of rookzwak kruit gelegen op een afstand van ten minste acht meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Tijdens een controle op 26 maart 2013 is geconstateerd dat aan die afstand niet werd voldaan. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2013 heeft het college [appellant] en [mede-eigenaar] gelast maatregelen te nemen om de overtreding te beëindigen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet verplicht was hem en [mede-eigenaar] op de hoogte te stellen van de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit en de gevolgen daarvan voor de in 1988 verleende Hinderwetvergunning. Volgens [appellant] heeft de rechtbank hem in dit verband ten onrechte aangemerkt als ondernemer, nu niet hij, maar [mede-eigenaar] degene is die de inrichting tot 2011 heeft geëxploiteerd.

3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet verplicht was [appellant] en [mede-eigenaar] op de hoogte te stellen van de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit. Er is geen rechtsregel die het college hiertoe verplichtte. [appellant] heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de wettelijke regels die op zijn activiteiten van toepassing zijn. Daarbij maakt het geen verschil of hij al dan niet als ondernemer kan worden aangemerkt. Uit de formulering van overweging 3 van de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank, anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, aan die kwalificatie ook geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] heeft verwezen naar de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik uit juli 2006, heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze circulaire als gevolg van de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet langer op de inrichting van toepassing is, zodat [appellant] daarop geen beroep kan doen.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de opslag van zwart kruit en rookzwak kruit kon worden verplaatst naar de uitstekende achterzijde van de woning.

5.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college dat, gelet op de geringe afstand van de inrichting tot nabijgelegen woningen, verplaatsing van de opslag van zwart kruit en rookzwak kruit, zodat aan de afstandseis van het Activiteitenbesluit zou kunnen worden voldaan, niet mogelijk was. Daarbij heeft zij terecht overwogen dat artikel 4.3, tweede lid, van het Activiteitenbesluit geen ruimte biedt om van de daarin gestelde afstandseis van ten minste acht meter af te wijken.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] tot slot heeft aangevoerd het niet passend te vinden dat direct een last onder dwangsom is opgelegd, stelt de Afdeling vast dat het college naar aanleiding van de op 26 maart 2013 uitgevoerde controle bij brief van 24 april 2014, kenmerk 2013/64556, [appellant] en [mede-eigenaar] zijn voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar heeft gemaakt. Blijkens die brief heeft het college [appellant] en [mede-eigenaar] meegedeeld dat na twaalf weken een hercontrole zal worden gehouden teneinde te bezien of de opslag van rookzwak en zwart kruit is beëindigd en dat het bestuursrechtelijke handhavingstraject zal worden ingezet indien mocht blijken dat de opslag niet is beëindigd. Tevens heeft het college in voornoemde brief [appellant] en [mede-eigenaar] in de gelegenheid gesteld binnen tien weken over het voornemen een last onder dwangsom op te leggen een zienswijze naar voren te brengen. Zij hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt en bij brief van 17 juni 2013 een zienswijze naar voren gebracht. Hieruit blijkt dat [appellant] en [mede-eigenaar] de bestaande situatie wensen te handhaven. Het college heeft eerst nadien, bij besluit van 4 juli 2013, de last opgelegd. Het betoog van [appellant] mist derhalve feitelijke grondslag.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck,

lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

457-732.