Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201405562/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:2063, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2012 heeft het college [appellant], onder oplegging van een dwangsom, gelast binnen twee weken de coniferen aan de zijkant van zijn woning terug te snoeien tot aan de erfgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405562/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Biddinghuizen, gemeente Dronten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 mei 2014 in zaak nr. 13/6494 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2012 heeft het college [appellant], onder oplegging van een dwangsom, gelast binnen twee weken de coniferen aan de zijkant van zijn woning terug te snoeien tot aan de erfgrens.

Bij besluit van 4 november 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 9 september 2014 heeft het college het besluit van 12 november 2012 ingetrokken.

[appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2015, waar [appellant] is verschenen. Voorts is ter zitting [partij], die krachtens artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 9 september 2014 heeft het college het besluit van 12 november 2012 ingetrokken, omdat, door verjaring van de bevoegdheid daartoe, de door [appellant] verbeurde dwangsom niet meer kan worden ingevorderd. Nu [appellant] door de intrekking van het besluit van 12 november 2014 heeft bereikt hetgeen hij met het instellen van het hoger beroep heeft beoogd, is zijn belang bij de beoordeling daarvan komen te vervallen. De omstandigheid dat het college in het intrekkingsbesluit te kennen heeft gegeven dat de situatie weer zal worden opgenomen en de bevindingen daarvan aanleiding kunnen zijn om ambtshalve een handhavingsprocedure te starten, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Deze omstandigheid leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Ook overigens is niet gebleken dat [appellant] nog een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

[appellant] heeft evenmin belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het intrekkingsbesluit. Met dat besluit, dat, anders dan [appellant] heeft gesteld, onvoorwaardelijk is, is immers aan zijn hoger beroep tegemoetgekomen. Het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit zullen niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. Indien het beroep niet-ontvankelijk is omdat belang ontbreekt moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Met analoge toepassing van het in artikel 8:75a van de Awb opgenomen criterium bij toepassing van artikel 8:75 is dan een proceskostenveroordeling mogelijk.

Gezien het hiervoor onder 1 overwogene is tegemoetgekomen in de zin van voormelde bepalingen.

3. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

4. Nu [appellant] door toedoen van het college geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep, ziet de Afdeling aanleiding het college op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te gelasten het door [appellant] betaalde griffierecht te vergoeden.

5. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep en het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 44,84 (zegge: vierenveertig euro en vierentachtig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dronten aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Michiels w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

176-773.