Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201410668/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het dagelijks bestuur de maatschap onder aanzegging van bestuursdwang gelast vóór 15 juli 2013 het maaisel van de waterkering langs de Van Haaftenpolder te Oud-Vossemeer te verwijderen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van de maatschap komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410668/1/A4.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 november 2014 in zaak nr. 14/2015 in het geding tussen:

de [maatschap]

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Scheldestromen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het dagelijks bestuur de maatschap onder aanzegging van bestuursdwang gelast vóór 15 juli 2013 het maaisel van de waterkering langs de Van Haaftenpolder te Oud-Vossemeer te verwijderen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van de maatschap komen.

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het dagelijks bestuur de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 2.549,51.

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft het dagelijks bestuur de door de maatschap tegen de besluiten van 9 juli 2013 en 30 juli 2013 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2014 heeft de rechtbank het door de maatschap hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.C. Meijers en T.M. van Pul, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 6:24 is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

2. [appellant] heeft aanvankelijk mede namens [persoon] en de maatschap het hoger beroep ingesteld. Bij brief van 13 januari 2015 heeft hij de Afdeling medegedeeld het hoger beroep alleen voort te zetten en heeft hij het hoger beroep, voor zover dat door [persoon] en de maatschap was ingesteld, ingetrokken.

3. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft beslist op het door de maatschap ingestelde beroep tegen het besluit van 19 februari 2014. [appellant] betoogt dat dit beroep mede aan hem in persoon moet worden toegerekend. Daartoe wijst hij erop dat hij het bij de rechtbank ingediende beroepschrift heeft ondertekend en dat de maatschap in wezen nooit heeft bestaan en nooit is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ook de rechtbank is volgens [appellant] daarvan uitgegaan, gelet op overweging 1 van de aangevallen uitspraak. Daarin heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: "De maatschap is geen rechtspersoon maar het samenwerkingsverband van [appellant] en [persoon]. Zij hebben beiden het beroepschrift ondertekend en zullen in het navolgende in hun hoedanigheid van natuurlijke personen ook wel worden aangeduid als eiser [appellant] en eiseres [persoon]."

Anders dan [appellant] veronderstelt, volgt hieruit niet dat de rechtbank het beroep mede aan hem in persoon heeft toegerekend en ervan is uitgegaan dat de maatschap niet bestond. Blijkens de aanhef en de overige overwegingen van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep beschouwd als uitsluitend een beroep van de maatschap. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dit terecht gedaan. Uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift blijkt dat het beroep enkel namens de maatschap is ingesteld. Voorts moet worden aangenomen dat de maatschap als zodanig in het rechtsverkeer herkenbaar was en, gelet daarop, het beroep heeft kunnen instellen. Dat de maatschap, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen rechtspersoon is en dat de maatschap volgens [appellant] niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, maken dat niet anders.

Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding om het beroep waarop de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft beslist mede aan [appellant] in persoon toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld, is niet gebleken. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, kon [appellant] derhalve geen hoger beroep instellen (vergelijk de uitspraak van 14 januari 2015 in zaak nr. 201403374/1/A4).

4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

457-732.