Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201405413/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:5161, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [locatie] te Sint Maartensvlotbrug (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2015/7344
TBR 2015/146 met annotatie van D. Korsse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405413/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juni 2014 in zaak nr. 14/63 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [locatie] te Sint Maartensvlotbrug (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 2 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.M.M. Eyking, is verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een windturbine met een ashoogte en een rotordiameter van 20 meter. De totale hoogte van de windturbine is 30 meter en de capaciteit van de windturbine bedraagt 100 kW. Het college heeft op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang bezien met het tweede lid van dat artikel de omgevingsvergunning geweigerd, nu vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet niet mogelijk is. Volgens het college is het bouwplan in strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: de Ruimtelijke Verordening) en is afwijking van de in de Ruimtelijke Verordening gestelde regels niet mogelijk.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersplan, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wro, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wro: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan.

Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, is paragraaf 3.2, de reguliere voorbereidingsprocedure, van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3, de uitgebreide voorbereidingsprocedure, daarop van toepassing is.

Ingevolge het in paragraaf 3.2 opgenomen artikel 3.9, eerste lid, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

Ingevolge het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder e, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een geval waarin een verklaring vereist is, als bedoeld in artikel 2.27.

Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten.

Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de wet wordt afgeweken van regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wro, niet verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb is, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de Wro kunnen bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.

Ingevolge artikel 4.1a, eerste lid, kan bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk belang wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

3. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Ruimtelijke Verordening voorziet een bestemmingsplan niet in bestemmingen en regels die het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid is het verboden om een of meer windturbines te bouwen of op te schalen, zolang een bestemmingsplan niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid tenzij sprake is van:

a. vervanging van een of meer vergunde windturbines:

1o buiten het op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven windgebied;

2o door eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringe masthoogte, rotordiameter en verschijningsvorm en;

3o op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens het bestemmingsplan is toegestaan of;

b. het bouwen of opschalen van een of meer windturbines:

1o binnen het op kaart 9 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven windgebied Wieringermeer;

2o op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens het bestemmingsplan is toegestaan en;

3o voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met f.

Ingevolge artikel 34 kunnen gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wro verlenen van artikel 5 tot en met artikel 33 van deze verordening voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. In de voorkomende gevallen worden provinciale staten vooraf geïnformeerd over het voornemen van gedeputeerde staten om ontheffing te verlenen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan van rechtswege omgevingsvergunning is verleend. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989". Nu het bestemmingsplan een windturbine toelaat, behoeft volgens [appellant] niet aan de Ruimtelijke Verordening te worden getoetst.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu de bouw van een windturbine niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Ruimtelijke Verordening van toepassing is, zodat op grond van de Ruimtelijke Verordening niettemin een bouwverbod geldt. De in dat artikellid opgenomen mogelijkheden tot afwijking van het bouwverbod zijn niet van toepassing op het bouwplan, hetgeen ook niet in geschil is. Volgens artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is, anders dan [appellant] betoogt, een activiteit die in strijd is met regels uit een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro, zoals hier aan de orde, een weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning bij een bouwactiviteit, ook indien de voorgenomen activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Nu het bouwplan in strijd is met de Ruimtelijke Verordening wordt de aanvraag gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo tevens aangemerkt als een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en kan gezien artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, slechts omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van de in de Ruimtelijke Verordening opgenomen regels inzake afwijking. Dit kan, gelet op het bepaalde in artikel 2.27, eerste lid, eerste volzin, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 6.6, eerste lid, van het Bor, slechts dan nadat het college van gedeputeerde staten heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Nu voor vergunningverlening een verklaring van geen bedenkingen is vereist, dient gelet op artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo bij de voorbereiding van de omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure te worden toegepast.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen omgevingsvergunning van rechtswege kan zijn verleend, nu de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen ontheffing als bedoeld in artikel 34 van de Ruimtelijke Verordening heeft aangevraagd bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland en zonder aanvraag van ontheffing de omgevingsvergunning niet heeft kunnen weigeren. Hij voert aan dat aan de weigering omgevingsvergunning te verlenen geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag is gelegd, dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld en dat het college bij zijn besluitvorming aansluiting had moeten zoeken bij een gelijksoortige verordening vastgesteld door de provinciale staten van de provincie Gelderland. De windturbine is bedoeld om op een milieuvriendelijke en duurzame manier energie voor zijn agrarisch bedrijf op te wekken, aldus [appellant].

5.1. Het bouwplan is niet in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is het bouwplan evenwel in strijd met artikel 32, tweede lid, van de Ruimtelijke Verordening en doen de in dat artikellid opgenomen uitzonderingen op dat verbod zich in dit geval niet voor. De omgevingsvergunning, waarover [appellant] wenst te beschikken, kan slechts worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover de in de Ruimtelijke Verordening betrokken regels afwijking van in dit geval het verbod een windturbine op te richten toestaan. Daargelaten of met toepassing van artikel 34 van de Ruimtelijke Verordening een als verklaring van geen bedenkingen geldende ontheffing kan worden verleend van het bouwverbod als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van die Verordening, is de Afdeling van oordeel dat het college, alvorens de omgevingsvergunning te weigeren, in dit geval niet zonder meer gehouden was ontheffing aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland te vragen. Gelet op de bewoordingen van artikel 34 van de Ruimtelijke Verordening is het in de eerste plaats aan het college om te motiveren dat en in hoeverre de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wordt belemmerd door de in artikel 32 van de Ruimtelijke Verordening gestelde regels. Het college heeft zich, gelet op het bij de rechtbank gevoerde verweer, op het standpunt gesteld dat de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid door de regels van de Ruimtelijke Verordening inzake windturbines niet wordt belemmerd, nu in nieuwe bestemmingsplannen in de gemeente Schagen geen solitaire windturbines meer bij recht zijn toegestaan, zoals de Ruimtelijke Verordening in artikel 32 ook voorschrijft. Het college wijst er voorts op dat in dit geval geen zwaarwegende maatschappelijke belangen spelen die nopen tot afwijken van de regels uit de Ruimtelijke Verordening. Onder deze omstandigheden bestond voor het college geen aanleiding een ontheffing als bedoeld in artikel 34 van de Ruimtelijke Verordening bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan te vragen. Nu vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, niet mogelijk is, heeft het college, gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, gelezen in samenhang met het tweede lid van dat artikel, de gevraagde omgevingsvergunning terecht geweigerd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de belangenafweging, het gelijkheidsbeginsel en een gelijksoortige verordening in de provincie Gelderland, behoeft daarom geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Montagne

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

374-761.