Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201409255/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:8474, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2013 heeft de burgemeester aan [appellant A] en [appellant B] een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van de woning aan de [locatie] te Bunde voor de duur van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409255/1/A3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Bunde, gemeente Meerssen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2014 in zaak nr. 14/1334 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de burgemeester van Meerssen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2013 heeft de burgemeester aan [appellant A] en [appellant B] een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van de woning aan de [locatie] te Bunde voor de duur van drie maanden.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2015, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. J.M. McKernan, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J.M. D’ Elfant en mr. Y. Liedekerken, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

2. Ter uitvoering van de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid heeft de burgemeester het ‘Damoclesbeleid Lokalen en woningen’ (hierna: het Damoclesbeleid) vastgesteld, laatstelijk gewijzigd op 17 september 2013.

Volgens artikel 14 van het Damoclesbeleid wordt indien sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van verdovende middelen, bij softdrugs de woning gesloten voor de duur van drie maanden.

3. De burgemeester heeft aan de oplegging van de last ten grondslag gelegd dat volgens een rapport van de politie in de woning van [appellant A] en [appellant B] zeven zakken met hennepgruis/ afval, acht zakken met henneptoppen en een grote hoeveelheid gripzakjes zijn aangetroffen. De burgemeester heeft op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en het ter uitvoering daarvan vastgestelde Damoclesbeleid de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden gelast.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de burgemeester bij het aantreffen van de softdrugs in hun woning niet kon volstaan met een waarschuwing. Zij voeren aan dat de burgemeester niet heeft aangetoond dat een waarschuwing niet voldoende effectief zou zijn, nu in de periode van 2010 tot 2013 in negen andere gevallen een waarschuwing is gegeven en niet gebleken is dat zich in die gevallen nadien opnieuw een overtreding van de Opiumwet heeft voorgedaan.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201310285/1/A3) wordt in artikel 13b van de Opiumwet geen onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. In de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, doch dat dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.

Zoals de burgemeester ter zitting heeft toegelicht, heeft het bestuur van de gemeente Meerssen in samenspraak met die van andere buurgemeenten van Maastricht afgesproken dat, gelet op de aanscherping van het Damoclesbeleid in Maastricht, adequaat optreden ter voorkoming van een verplaatsingseffect van hennepteelt en/of handel in verdovende middelen naar de omringende gemeenten van Maastricht geboden is. Naar het oordeel van de Afdeling kon de burgemeester, gelet op de bijzondere positie die Meerssen als buurgemeente van Maastricht inneemt bij het uitvoering geven aan de Opiumwet, in redelijkheid het beleid voeren dat hij een woning in beginsel direct sluit wanneer daarin meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs wordt aangetroffen. Nu niet in geschil is dat in de woning van [appellant A] en [appellant B] meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs is aangetroffen en geen bijzondere omstandigheden gesteld zijn die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van het beleid af te wijken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester in overeenstemming met dat beleid de sluiting van hun woning voor de duur van drie maanden heeft kunnen gelasten.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Larsson-van Reijsen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

344.