Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201405411/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4816, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen een overkapping op het perceel [locatie 1] te Tegelen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405411/1/A1.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Tegelen, gemeente Venlo (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellant sub 2], wonend te Tegelen, gemeente Venlo,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 mei 2014 in zaak nr. 12/1664 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen een overkapping op het perceel [locatie 1] te Tegelen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 mei 2012 herroepen en handhavend optreden tegen de overkapping op het perceel aangekondigd.

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college het besluit van 16 oktober 2012 gedeeltelijk ingetrokken en dit besluit gewijzigd, in die zin dat [appellant sub 2] daarbij op straffe van een dwangsom is gelast om binnen vier maanden het bijgebouw op de achterperceelgrens alsmede de overkapping aan de linkerzijkant van het perceel te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 7.500,00 ineens.

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college het besluit van 29 januari 2013 ingetrokken, voor zover het betrekking heeft op het bijgebouw op de achterperceelgrens, en in stand gelaten, voor zover het betrekking heeft op de overkapping aan de linkerzijde van het perceel, op straffe van een dwangsom van € 3.500,00 ineens.

Bij uitspraak van 28 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] ingestelde beroep tegen de besluiten van 16 oktober 2012 en 29 januari 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 11 juni 2013, niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant sub 2] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.A. de Boer, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.J.M. Michels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.J.H. Verburg, advocaat te Roermond, gehoord.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn hoger beroep ingetrokken.

2. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 1] te Tegelen. Dat perceel is kadastraal bekend als sectie B, nummer 3344. Het grenst aan de noordzijde aan het perceel van [appellant sub 1] aan de [locatie 2], dat kadastraal bekend is als sectie B, nummer 2562. De beide percelen worden gescheiden door een scheidingsmuur, die geheel is gelegen op het perceel van [appellant sub 1]. Op het perceel van [appellant sub 2] is op de achterperceelsgrens een bijgebouw aanwezig (hierna: bouwwerk A), dat is voorzien van een overkapping. Deze overkapping rust voor een gedeelte op de scheidingsmuur die op het perceel van [appellant sub 1] staat.

3. [appellant sub 1] heeft bij brief van 14 maart 2012 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de overkapping van bouwwerk A. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 23 mei 2012 afgewezen. Bij het besluit op bezwaar van 16 oktober 2012 heeft het college het daartegen door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 mei 2012 herroepen en handhavend optreden tegen bouwwerk A aangekondigd. Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college dit besluit gewijzigd en [appellant sub 2] gelast om bouwwerk A te verwijderen en daarnaast een overkapping aan de linkerzijde van het perceel (hierna: bouwwerk B) te verwijderen. Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college dit besluit gewijzigd, in die zin dat het de last met betrekking tot bouwwerk A heeft ingetrokken. Daarmee heeft het college geweigerd tegen dit gebouw handhavend op te treden. Het college heeft de opgelegde last in stand gelaten voor zover die betrekking heeft op bouwwerk B, te weten de overkapping aan de linkerzijde van het perceel.

4. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vindt indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het besluit plaats. Ingevolge het tweede lid herroept het bestuursorgaan het besluit, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit artikel met zich brengt dat als het bestuursorgaan op grond van de heroverweging van een besluit tot afwijzing van een verzoek om handhaving, alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, het dat besluit herroept en gelijktijdig een besluit strekkende tot handhaving neemt.

Het besluit van 16 oktober 2012 bevat geen besluit dat strekt tot bestuursrechtelijke handhaving, nu een dergelijk besluit daarbij slechts in het vooruitzicht is gesteld. Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college wel een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom aan [appellant sub 2] genomen. Tussen het besluit van 16 oktober 2012 enerzijds en het besluit van 29 januari 2013 anderzijds bestaat een onverbrekelijke samenhang. Gelet hierop, dienen deze besluiten te worden opgevat als de samenstellende bestanddelen van de beslissing op het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 23 mei 2012 gemaakte bezwaar. Bij besluit van 11 juni 2013 is het besluit van 29 januari 2013 gewijzigd.

Het aan de orde zijnde bestreden besluit op bezwaar bestaat aldus uit de besluiten van 16 oktober 2012 en 29 januari 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 11 juni 2013 (hierna tezamen: het besluit op bezwaar). Bij het besluit op bezwaar heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen bouwwerk A en [appellant sub 2] gelast bouwwerk B te verwijderen.

5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. In dit verband voert hij aan dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten en dat zij de bouwwerken A en B verwisseld heeft. Volgens [appellant sub 1] is het besluit op bezwaar gericht op verwijdering van bouwwerk B, terwijl zijn verzoek om handhaving betrekking had op bouwwerk A. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit op bezwaar is gericht op het verwijderen van bouwwerk B en niet langer op bouwwerk A, aldus [appellant sub 1].

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek om handhaving was gericht op het verwijderen van de overkapping (lees: bouwwerk A), maar heeft ten onrechte overwogen dat dit ook de inhoud en strekking is van het besluit op bezwaar. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit op bezwaar neerkomt op een weigering om handhavend op te treden tegen bouwwerk A en inhoudt dat uitsluitend zal worden opgetreden tegen bouwwerk B. Nu het verzoek om handhaving van [appellant sub 1] betrekking heeft op bouwwerk A, bestaat geen grond voor het oordeel dat hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit op bezwaar. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 1] tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep behandelen.

7. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3a, eerste lid, is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

Ingevolge het tweede lid blijft het eerste lid buiten toepassing, indien voor het bouwen van het desbetreffende bouwwerk op grond van artikel 2.1, derde lid, geen omgevingsvergunning is of was vereist.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, van die bijlage, zoals dit luidde ten tijde van belang, is een omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

(…)

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1°. niet hoger dan 3 m,

2°. de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m2,

3°. als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m2, en

4°. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

8. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum Tegelen" de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 18.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het wonen, met de daarbij behorende hoofd- en bijgebouwen, aan- en uitbouwen.

Ingevolge artikel 18.2.3 gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen de volgende regels:

c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover ze zijn gelegen buiten het maximale bouwvlak van het hoofdgebouw zoals in lid 18.2.2 sub e. en f. aangegeven mag niet meer bedragen dan 100 m2 bij een bouwperceel groter dan 500 m2.

d. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag maximaal 3,3 m bedragen en de nokhoogte mag maximaal 6 m bedragen.

Ingevolge artikel 1, onder 35, wordt onder bijgebouw verstaan: een gebouw behorende bij en dienstbaar aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 1, onder 5, wordt onder aan- en/of uitbouw verstaan: een aan een hoofdgebouw vastgebouwd gebouw, dat architectonisch is aan het hoofdgebouw en in directe verbinding staat met het hoofdgebouw.

9. [appellant sub 1] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat het bevoegd was om handhavend op te treden tegen bouwwerk A, omdat [appellant sub 2] dit bouwwerk in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo in stand laat. Nu onduidelijk is of ten tijde van de verkrijging van het perceel door [appellant sub 2] wellicht concrete aanwijzingen bestonden dat zonder bouwvergunning was gebouwd, heeft het college zich volgens [appellant sub 1] ten onrechte op het standpunt gesteld dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2012, in zaak nr. 201204259/1/A1, de rechtszekerheid zich tegen handhavend optreden verzet. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat bouwwerk A niet alleen in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo is opgericht, maar ook in strijd met onderdeel c van dat artikellid.

9.1. Het college heeft blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat het bevoegd is om handhavend op te treden tegen bouwwerk A, omdat dit bouwwerk zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is opgericht, het bouwwerk in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan en [appellant sub 2] het bouwwerk in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo in stand laat. Het college heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2012, ten aanzien van bouwwerk A geen last onder dwangsom aan [appellant sub 2] kon worden opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Het college heeft daarom de opgelegde last in zoverre ingetrokken.

9.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is bouwwerk A gedeeltelijk overkapt, heeft het een hoogte van 1,5 m oplopend naar 3,9 m en bedraagt de oppervlakte ervan circa 86 m2. Tussen partijen is niet in geschil dat bouwwerk A een bijgebouw is als bedoeld in de planregels van het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 18.2.3, onder c, van de planregels mag de oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover ze zijn gelegen buiten het bouwvlak, maximaal 100 m2 bedragen. Het college heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat bij de woning van [appellant sub 2] een aanbouw aanwezig is van circa 100 m2. Die is volgens het college voor circa 60 m2 gelegen buiten het bouwvlak. Tezamen met bouwwerk A van circa 86 m2 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak meer dan 100 m2. Volgens het college is bouwwerk A aldus in strijd met de planregels van het bestemmingsplan. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd is geen grond gelegen om dit standpunt van het college voor onjuist te houden, nu de aanbouw blijkens de ter zitting getoonde bouwtekeningen in architectonisch opzicht herkenbaar is als een afzonderlijke en ondergeschikte aanvulling op het hoofdgebouw en de aanbouw in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door middel van een deur.

Onbestreden is dat bouwwerk A niet omgevingsvergunningvrij is op grond van het bepaalde in artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van bijlage II van het Bor, zoals dit luidde ten tijde van belang, nu dit bouwwerk hoger is dan 3 m en de oppervlakte ervan binnen een afstand van 1 m van het naburige erf meer dan 10 m2 bedraagt. Verder is niet komen vast te staan dat het bouwwerk voldoet aan die bepaling, zoals die luidt met ingang van 1 november 2014.

9.3. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] sinds 1982 in de woning op het perceel woont, dat eigendom is van zijn moeder. Verder is niet in geschil dat bouwwerk A, waarvan de overkapping rust op de scheidingsmuur, reeds in 1933 op het perceel aanwezig was. Evenmin is in geschil dat [appellant sub 2] bouwwerk A niet heeft gebouwd en daarmee geen overtreder is van het verbod als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dit laat onverlet dat [appellant sub 2] overtreder is van het verbod als bedoeld in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, nu hij dit bouwwerk zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo in stand laat. Voor de inwerkingtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo was dit verbod neergelegd in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, dat eerst vanaf 1 april 2007 in werking was getreden. Toen [appellant sub 2] in 1982 op het perceel kwam wonen, richtte artikel 40 van de Woningwet zich, voor zover hier van belang, alleen tot degene die zonder of in afwijking van een bouwvergunning had gebouwd of daartoe opdracht had gegeven en dat is [appellant sub 2] wat bouwwerk A betreft niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 december 2012, in zaak nr. 201204259/1/A1, overweegt de Afdeling dat het college er terecht vanuit is gegaan dat de rechtszekerheid zich er tegen verzet dat wegens overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo aan [appellant sub 2] een last onder dwangsom wordt opgelegd ten aanzien van het zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo vóór 1 april 2007 op het perceel gebouwde bouwwerk A. Niet gebleken is dat [appellant sub 2] in 1982, toen hij op het perceel is gaan wonen, concrete aanwijzingen had dat bouwwerk A zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, thans de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, was gebouwd.

9.4. In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is evenmin een grondslag voor handhavend optreden gelegen. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Niet in geschil is dat het feitelijke gebruik dat [appellant sub 2] maakt van bouwwerk A in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemming "Wonen". Dit bouwwerk is in strijd met het bestemmingsplan, omdat het niet voldoet aan de bouwregel in artikel 18.2.3, onder c, van de planregels. Als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo op 1 oktober 2010 en de daarover gevormde jurisprudentie van de Afdeling dat het begrip gebruiken als bedoeld in die bepaling ook betrekking heeft op het bouwen van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (uitspraak van 26 oktober 2011, in zaak nr. 201103159/1/H1), is voor het bouwen van een bouwwerk in strijd met de regels van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo vereist. Echter, op het moment dat bouwwerk A op het perceel werd opgericht, van welk bouwwerk vast staat dat het sinds 1933 op het perceel aanwezig is, gold het verbod op het gebruiken in de zin van bouwen in strijd met de regels van een bestemmingsplan nog niet, noch een daarmee gelijk te stellen verbodsbepaling. Het gebruiken in de zin van bouwen in strijd met regels van een bestemmingsplan is eerst met de inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo op 1 oktober 2010 verboden geworden. Nu bouwwerk A is gebouwd voor die datum, is geen sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat [appellant sub 2] bouwwerk A in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in stand laat, nu dit verbod alleen geldt als het gaat om een bouwactiviteit waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft geen betrekking op het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

9.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college, voor zover het artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo betreft, in redelijkheid kunnen weigeren van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden tegen bouwwerk A gebruik te maken door middel van het opleggen van een last onder dwangsom. Voor zover het artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo betreft, heeft het college terecht geweigerd handhavend op te treden tegen bouwwerk A, nu het daartoe in zoverre niet bevoegd was.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 1] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bouwwerk A voldoet aan het Bouwbesluit en de constructieve veiligheid voldoende is gewaarborgd. Volgens [appellant sub 1] heeft ten onrechte slechts een visuele inspectie van het bouwwerk vanaf het perceel van [appellant sub 1] plaatsgevonden. [appellant sub 1] voert aan dat op 11 april 2014 een controle is uitgevoerd door medewerkers van de gemeente, waarbij is geconstateerd dat de muur een zodanige scheefstand vertoont dat gesproken kan worden van een constructief onveilige situatie. Het college heeft hem als eigenaar aangeschreven om de onveilige constructie van de tuinmuur op te heffen en hij heeft daaraan gehoor gegeven, aldus [appellant sub 1].

10.1. Aan het besluit op bezwaar heeft het college ten grondslag gelegd dat op 26 september 2012 een controle is uitgevoerd ten aanzien van bouwwerk A en de scheidingsmuur met het oog op de constructieve veiligheid. In het controlerapport is weergegeven dat de controle is uitgevoerd vanaf het adres [locatie 2], omdat controle op het perceel [locatie 1] niet mogelijk was. In het rapport is weergegeven dat de scheidingsmuur is voorzien van een stalen verstevigingsconstructie en dat geen verzakking of scheurvorming in het metselwerk waarneembaar is. Er is niets dat wijst op het overbelasten van de fundering ter plaatse van bouwwerk A. Verder is vermeld dat de aangebrachte verstevigingen de sterkte en stabiliteit van de scheidingsmuur waarborgen en hierdoor bijdragen aan de sterkte en stabiliteit van de schuur, die wordt afgesteund op de scheidingsmuur. In het rapport is geconcludeerd dat er geen gebreken zijn geconstateerd waarbij moet worden geconcludeerd dat de constructieve veiligheid onvoldoende is gewaarborgd, dat er geen aanleiding bestaat om de eigenaar in het kader van de constructieve veiligheid het gebruik geheel of deels te laten staken en dat er geen redenen zijn om de eigenaar direct maatregelen te laten treffen.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd is geen grond gelegen om de conclusies uit het controlerapport onjuist te achten. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft geweigerd om handhavend op te treden omdat de scheidingsmuur niet aan de eisen omtrent constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken uit het Bouwbesluit 2012 zou voldoen.

Met betrekking tot de op 11 april 2014 uitgevoerde controle, daargelaten dat die dateert van na het nemen van het besluit op bezwaar, heeft het college ter zitting toegelicht dat de constructie van de muur recent is verslechterd. Volgens het college heeft [appellant sub 2] de overkapping gestut door middel van het plaatsen van een paal. Teneinde de overkapping te kunnen laten steunen op de paal, diende die te worden opgelicht, als gevolg waarvan de druk op de scheidingsmuur is veranderd. Daardoor is de kwaliteit van de muur verslechtert, hetgeen tot uitdrukking komt in het rapport van de controle op 11 april 2014, waarin is geconcludeerd dat scheurvorming in de muur aanwezig is. [appellant sub 1] heeft het vorenstaande onvoldoende gemotiveerd weersproken. In de recent uitgevoerde controle is gelet op het vorenstaande geen grond gelegen om de conclusies uit het controlerapport van 29 september 2012 onjuist te achten.

Het betoog faalt.

11. Het door [appellant sub 1] ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

13. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van de State aan [appellant sub 1] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 mei 2014 in zaak nr. 12/1664;

III. verklaart het door [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

651.