Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
201405542/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Flora- en faunawet
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2015/114
JOM 2015/520
JM 2015/127 met annotatie van G.A.J.M. Hoevenaars
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405542/1/R3.

Datum uitspraak: 3 juni 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker en mr. V.R.C. van Ahee, beiden advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door G.L.J.G. Sperber, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actualisatie van de planologische regeling voor het gebied dat is gelegen aan de westrand van Tilburg naast de woonwijk de Reeshof. Het plan is conserverend en bevat geen nieuwe ontwikkelingen bij recht.

De gronden van [appellant] liggen in het noordelijke deel van het plangebied en hebben de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen - Buitengebied", "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" of "Groen". [appellant] wil op zijn gronden, ook wel de Dalemweide genoemd, een woon-werkgebied ontwikkelen. In dat verband wenst hij langs de Noordwesttangent, die aan de westzijde van het plangebied is gesitueerd, een reeks bedrijfsgebouwen te realiseren met daarachter een rij woningen. Deze woningen zullen dan in het bebouwingslint van de Langendijk komen te liggen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] een aantal beroepsgronden aanvoert die hij niet in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Volgens de raad dient het beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

De zienswijze van [appellant] heeft uitsluitend betrekking op zijn eigen gronden aan de Langendijk. Zijn beroepsgronden, waarin hij stelt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar onder meer de gevolgen voor het milieu en de uitvoerbaarheid kunnen zich echter ook richten tegen het hele plan. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat hij met deze beroepsgronden beoogt te bereiken dat het plan wat betreft zijn gronden wordt vernietigd en hiervoor een nieuw plan moet worden vastgesteld. Met deze beroepsgronden heeft hij niet beoogd nieuwe besluitonderdelen aan de orde te stellen. Gelet hierop beschouwt de Afdeling deze beroepsgronden als te zijn gericht tegen de bestemmingsregeling voor zijn gronden en niet tegen het hele plan. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Dalemweide

4. [appellant] betoogt dat de raad het plan wat zijn gronden betreft niet aan de juiste provinciale algemene regels en het juiste provinciaal beleid heeft getoetst. Daartoe voert hij aan dat een deel van zijn gronden in de provinciale "Structuurvisie 2010, herziening 2014" (hierna: de structuurvisie) is aangeduid als stedelijk concentratiegebied, zodat op dat deel een stedelijke ontwikkeling mogelijk is. Verder heeft de raad aan de Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening 2012) getoetst, terwijl deze inmiddels is ingetrokken. Voorts heeft de raad ten onrechte geen rekening gehouden met het ontwerpbesluit Wijziging Verordening 2014, kaartaanpassing 2, waarbij de gronden in het noordelijke deel van het plangebied, waaronder ook zijn gronden, de aanduiding "integratie stad-land" hebben gekregen. Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom zijn gronden grotendeels een agrarische bestemming hebben gekregen.

Verder betoogt [appellant] dat de raad bij de vaststelling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn plannen om een woon-werkgebied te realiseren, terwijl deze plannen al voldoende concreet waren. Dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan volgens de raad zal worden afgewezen, acht [appellant] te voorbarig. Verder is de weigering om bij het college van gedeputeerde staten een verzoek in te dienen om een wijziging van de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied, zoals bedoeld in de Verordening 2014, te bewerkstelligen onvoldoende gemotiveerd. Het gemeentebestuur heeft in het verleden een toezegging gedaan om een dergelijk verzoek te doen. [appellant] wijst in dat verband op een e-mail van 5 oktober 2011. Verder handelt de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur door de afgelopen jaren stelselmatig op gemeentegronden binnen de groenblauwe mantel wel stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Als voorbeelden noemt hij de aanleg van de Noordwesttangent en de bouw van de Leeuwerikwijk. Daarnaast verwijst hij naar de Reeshofweide, die ten noorden van zijn gronden ligt, waarvoor het college van burgemeester en wethouders wel een verzoek heeft gedaan tot aanpassing van de Verordening, hetgeen heeft geresulteerd in het ontwerpbesluit Wijziging Verordening 2014, kaartaanpassing 2.

[appellant] betoogt dat de raad ten onrechte bestaande rechten uit het vorige plan niet in dit plan heeft opgenomen, waaronder de beschrijving in hoofdlijnen, waarin was opgenomen dat de Dalemweide zich kan ontwikkelen als een bebouwingslint, en een wijzigingsbevoegdheid om de agrarische bestemming te wijzigen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de structuurvisie provinciaal beleid bevat en derhalve niet bindend is voor de raad. Voorts heeft de raad ten tijde van het bestreden besluit de Verordening 2014 in acht genomen omdat deze vanaf 18 maart 2014 gold. In de Verordening 2014 liggen de gronden buiten het stedelijk concentratiegebied. Wat betreft het ontwerpbesluit Wijziging Verordening 2014, kaartaanpassing 2 stelt de raad dat dit ontwerp van na de vaststelling van het bestreden besluit is. Bovendien is met de aanduiding "integratie stad-land" niet gezegd dat het bestemmingsplan moet voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Artikel 9, lid 9.1, onder 1, van de Verordening 2014 voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke ontwikkeling en laat de raad beoordelingsruimte. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat voor zover voor een deel van de plannen van [appellant] een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is ingediend, het college van burgemeester en wethouders voor de vaststelling van het bestreden besluit heeft medegedeeld dat hij niet voornemens is medewerking te verlenen aan de gewenste ontwikkeling. Gelet hierop heeft de raad geen aanleiding gezien rekening te houden met dat plan. De omstandigheid dat het te nemen besluit op bedoelde aanvraag op verzoek van [appellant] is opgeschort, betekent volgens de raad niet dat het college van burgemeester en wethouders alsnog medewerking zal verlenen.

De raad stelt zich ten aanzien van de mogelijkheid uit het vorige plan om te voorzien in een recreatieve voorziening op het standpunt dat een dergelijke ontwikkeling ter plaatse zich niet verdraagt met de Verordening 2014.

4.2. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid tot 2025 weer. Dit beleid is alleen voor de provincie bindend. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar dient hiermee rekening te houden, hetgeen betekent dat hij dit beleid in de belangenafweging dient te betrekken. In paragraaf 3.1.1 van de plantoelichting is in het algemeen beschreven hoe het plan zich verhoudt tot het provinciaal beleid. Hierbij is onder meer ingegaan op de relatie tussen het bestemmingsplan en de structuurvisie als één van de documenten waarin het provinciaal beleid beschreven staat. Uit de plantoelichting volgt dat het plan past binnen de structuurvisie. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciaal beleid onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken. Dat een deel van de gronden van [appellant] als stedelijk concentratiegebied is aangeduid, wat daar ook van zij, doet hieraan niet af. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de structuurvisie geen beleid kent op perceelsniveau. Het betoog faalt.

4.3. De Verordening 2014 is op 18 maart 2014 in werking getreden. In de plantoelichting is ingegaan op de verschillende structuren uit de Verordening 2014. Dat in dit plan zou zijn getoetst aan de Verordening 2012 is de Afdeling niet gebleken.

Vast staat dat de gronden van [appellant] volgens de kaarten van de Verordening 2014 liggen in het gebied dat is aangeduid als groenblauwe mantel en niet in het gebied dat is aangeduid als stedelijke ontwikkeling. Ingevolge artikel 6.7, eerste lid, aanhef onder a, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat nieuwbouw van een bedrijfs- of burgerwoning is uitgesloten. Daargelaten de vraag of de plannen van [appellant] ten tijde van het bestreden besluit op 7 april 2014 voldoende concreet waren, staat derhalve vast dat de Verordening 2014 zijn plannen niet mogelijk maakte. Voor zover de aanduiding "integratie stad-land" voor de gronden van [appellant] in het ontwerpbesluit Wijziging Verordening ruimte 2014, kaartaanpassing 2 op 15 april 2014 is opgenomen, heeft dit na de vaststelling van het plan plaatsgevonden. Nog daargelaten dat het om een ontwerp gaat, heeft de raad bedoelde wijziging van de Verordening 2014 niet in dit plan kunnen betrekken. Het betoog faalt.

4.4. Uit de bijlagen bij het beroepschrift volgt dat het gemeentebestuur in zijn zienswijze over het ontwerp van de Verordening ruimte fase 1 in 2009 aan het college van gedeputeerde staten heeft verzocht om het bestaand stedelijk gebied ter hoogte van de Reeshofweide en de Bredaseweg, en daarmee ook de gronden van [appellant], te herbegrenzen. De gronden ten zuiden van de Dalemweide zijn door provinciale staten uiteindelijk als bestaand stedelijk gebied aangemerkt. Voor zover [appellant] in verband met de gestelde toezegging verwijst naar een e-mail van 5 oktober 2011 overweegt de Afdeling dat het gemeentebestuur, zoals in die e-mail staat, aan het college van gedeputeerde staten per brief van 6 oktober 2011 heeft gevraagd het bestaand stedelijk gebied alsnog zodanig te herbegrenzen overeenkomstig het eerdere gedane verzoek, waarbij ook de gronden van [appellant] als bestaand stedelijk gebied zouden worden aangeduid. Het college van gedeputeerde staten heeft hierop bij brief van 1 oktober 2012 geantwoord dat de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied alleen wordt aangepast voor zover de desbetreffende gronden tot stedelijk gebied behoren. Nu de gronden van [appellant] een agrarische bestemming hadden, zijn deze gronden bewust niet meegenomen. Dat daarna door of namens het gemeentebestuur verwachtingen zijn gewekt om wederom een verzoek tot herbegrenzing te doen heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er in strijd met het vertrouwensbeginsel is gehandeld.

Voor zover [appellant] betoogt dat de raad willekeurig handelt, overweegt de Afdeling als volgt. Op 22 november 2013 heeft [appellant] een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan en heeft hij daarbij gevraagd om een verzoek te doen tot herbegrenzing van het bestaand stedelijk gebied. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders daartoe geen aanleiding heeft gezien nu dit verzoek alleen zag op de gronden van [appellant]. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad willekeurig heeft gehandeld. Dat daarna bij brief van 20 december 2013 door het college van burgemeester en wethouders is verzocht de Reeshofweide en Dalemweide als "integratie stad-land" aan te duiden maakt dat niet anders. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gemeentebestuur door voortschrijdende planologische inzichten ook ontwikkelingen op de Reeshofweide beoogt. Deze beoogde ontwikkelingen zijn evenmin in dit plan opgenomen. Voor zowel de Reeshofweide als de Dalemweide zal beleid worden opgesteld, aldus de raad.

Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft overweegt de Afdeling dat [appellant] met de enkele stelling dat de Noordwesttangent en de Leeuwerikwijk mogelijk zijn gemaakt onvoldoende heeft onderbouwd waarom de raad in die gevallen aanleiding had moeten zien om een woon-werkgebied op de Dalemweide mogelijk te maken. Voor zover de raad nu ontwikkelingen wenselijk acht op de Reeshofweide, zijn die ontwikkelingen evenmin in het voorliggende plan meegenomen. De gronden van de Reeshofweide hebben immers de bestemming "Natuur" gekregen.

Het betoog faalt.

4.5. Voor zover [appellant] stelt dat hij in dit plan ten opzichte van het vorige plan in zijn rechten wordt beperkt, stelt de Afdeling vast dat een wijzigingsbevoegdheid uit het vorige plan die wijziging van de agrarische bestemming naar een recreatieve bestemming mogelijk maakte, niet in dit plan is opgenomen. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Nu de gronden van [appellant] in de Verordening 2014 zijn aangeduid als groenblauwe mantel, volgt uit de toelichting op artikel 6 van de Verordening 2014 dat in de groenblauwe structuur is gekozen voor een koppeling van het water- en natuursysteem van Noord-Brabant. In de groenblauwe mantel wordt de "ja, mits-benadering" gehanteerd, hetgeen betekent dat ook ruimte kan worden geboden voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. Het is in eerste instantie aan het gemeentebestuur om te beoordelen welke huidige waarden er in een gebied aanwezig zijn en of de beoogde ontwikkeling een bijdrage levert aan de kwaliteit daarvan, aldus de toelichting. Volgens de plantoelichting is er in de gemeente Tilburg een breed scala aan sportaccommodaties aanwezig en is er over het algemeen een hoge mate van tevredenheid over de kwaliteit van deze sportaccommodaties. Ook is de spreiding over de stad voldoende. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding gezien door middel van een wijzigingsbevoegdheid recreatieve functies mogelijk te maken en heeft hij hier in redelijkheid van kunnen afzien. Wat betreft de beschrijving in hoofdlijnen uit het vorige plan heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat daaruit kon worden afgeleid dat ter plaatse de door hem beoogde ontwikkeling mogelijk werd gemaakt. Het betoog faalt.

Onderzoeken

5. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan, omdat de raad er ten onrechte vanuit is gegaan dat dit plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. De raad heeft nagelaten de benodigde milieuonderzoeken te doen. Er liggen in de nabijheid verscheidene Natura 2000-gebieden, waardoor significante gevolgen door ontwikkelingen in dit plan niet zijn uit te sluiten. Nu er een passende beoordeling had moeten worden gemaakt, had ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport voor plannen (hierna: plan-MER) moeten worden opgesteld. Ook gezien de voorziene ontwikkelingen in het plangebied op de Reeshofweide was een plan-MER vereist. Verder heeft de raad nagelaten te onderzoeken wat de gevolgen van de zogenoemde Noordwesttangent voor het plangebied zijn en is niet inzichtelijk gemaakt hoe de gronden, die verloren zijn gegaan vanwege de aanleg van die weg, zijn gecompenseerd gelet op de in de nabijheid aanwezige ecologische hoofdstructuur. Ook is nagelaten een flora- en faunaonderzoek te doen, terwijl een deel van het plangebied een voormalig foerageergebied van de Taigarietgans was, waarvan een deel verloren is gegaan door de aanleg van de Noordwesttangent.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, nog daargelaten dat het plan geen relevante nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit naar aanleiding van de beroepsgrond dat bepaalde onderzoeken ontbreken. Ten overvloede merkt de raad op dat er voor dit plan geen plan-MER behoeft te worden gemaakt en dat het plangebied ongeveer 7 km is verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zodat significante effecten op dat gebied zijn uitgesloten.

5.2. De Noordwesttangent is mogelijk gemaakt met het bij besluit van 12 oktober 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Noordwesttangent, gedeelte Dalem Zuid-Vossenberg West". Dit plan is bij uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011, zaak nr. 201000557/1/R3, onherroepelijk geworden. De Noordwesttangent is aangelegd en loopt langs de westzijde buiten het plangebied, grenzend aan de gronden van [appellant]. Dit plan voorziet, afgezien van twee ontwikkelingen waarvoor reeds een vrijstelling als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend, niet in nieuwe ontwikkelingen. Gelet op het voorgaande heeft de raad geen aanleiding hoeven te zien de gevolgen van de Noordwesttangent nader te onderzoeken. Verder is bij de ontwikkeling van deze weg een natuurcompensatieplan opgesteld. De raad heeft onweersproken gesteld dat uit dit natuurcompensatieplan volgt dat de gronden waarop de compensatie heeft plaatsgevonden buiten dit plangebied liggen. Het betoog faalt.

5.3. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.4. Vaststaat dat [appellant] niet woont op zijn gronden in het plangebied noch dat hij daar een bedrijf heeft gevestigd. Het belang waar het [appellant] in deze procedure om gaat is het verkrijgen van een bestemming die de ontwikkeling van een woon-werkgebied op zijn gronden mogelijk maakt.

5.5. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte geen passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is gemaakt overweegt de Afdeling dat de bepalingen van de Nbw 1998 met name ten doel hebben om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, in zaak nr. 201008514/1/M3, volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Nbw 1998 beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Die situatie doet zich hier niet voor. De betrokken normen van de Nbw 1998 strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] waarvoor hij met het door hem ingestelde beroep opkomt, zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijk bespreking van het betoog.

5.6. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 oktober 2014, in zaak nr. 201307140/1/R1 overweegt de Afdeling dat het doel van de verplichting een plan-MER te maken is om te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen aan de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen. Het belang van [appellant] is, zoals zojuist overwogen, niet gelegen in een beoordeling van de milieueffecten van dit plan. De ingeroepen bepalingen met betrekking tot het maken van een plan-MER, zoals artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant], zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet om die reden af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

5.7. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte geen flora- en faunaonderzoek heeft plaatsgevonden overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling begrijpt dit betoog van [appellant] zo dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) naar zijn mening aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201306580/1/R6) brengt een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste, als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Ffw omdat die kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is.

De door [appellant] ingeroepen bepalingen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfsplaatsen. Die bepalingen strekken kennelijk niet tot bescherming van het belang van [appellant]. Dat belang is er in gelegen dat voor zijn gronden zal worden voorzien in een planregeling die een transformatie van de huidige voornamelijk agrarische gronden naar een woon-werkgebied mogelijk maakt, zodat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet om die reden af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

Conclusie en proceskosten

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015

459-661.