Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201502010/1/R2 en 201502010/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] te Kapellebrug" vastgesteld en de grenzen van de bebouwde kom voor de toepassing van de Boswet gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502010/1/R2 en 201502010/2/R2.

Datum uitspraak: 20 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Kapellebrug, gemeente Hulst,

en

de raad van de gemeente Hulst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] te Kapellebrug" vastgesteld en de grenzen van de bebouwde kom voor de toepassing van de Boswet gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij], de eigenaresse van het perceel [locatie A] te Kapellebrug, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.H. Blom, en de raad, vertegenwoordigd door A.C.J.M. van den Broucke , zijn verschenen. Tevens is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Besluit Boswet

2. Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad de grenzen van de bebouwde kom voor de toepassing van de Boswet, gewijzigd vastgesteld. Met het besluit wordt de grens zodanig aangepast dan onder meer het perceel [locatie A] binnen de grenzen van de bebouwde kom komt te liggen.

2.1. [appellant] woont naast het perceel [locatie A] op het perceel [locatie B] te Kapellebrug. Hij kan zich niet verenigen met het besluit om de grenzen van de bebouwde kom gewijzigd vast te stellen. [appellant] stelt dat het onaanvaardbaar is dat door het besluit geen herplantplicht meer geldt voor de bomen die ten gevolge van het plan worden gekapt.

2.2. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet, voor zover van belang, stelt de gemeenteraad bij besluit vast, welke voor de toepassing van deze wet de grenzen van de bebouwde kom of kommen der gemeente zijn. Het ontwerp van het door de gemeenteraad te nemen besluit ligt gedurende dertig dagen ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage. De burgemeester maakt de nederlegging tevoren in de Staatscourant, in één of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden, en voorts op de gebruikelijke wijze bekend.

2.3. Een besluit op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Boswet bepaalt de toepassing van de Boswet nader naar plaats. Het besluit van 18 december 2014 tot wijziging van de grenzen van de bebouwde kom voor de toepassing van de Boswet is derhalve een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen beroep openstaat. Op grond van artikel 7:1 van de Awb dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te worden gemaakt tegen het besluit van 18 december 2014. Dat is in dit geval niet gebeurd. Het beroep zal daarom worden doorgezonden naar de raad ter behandeling als bezwaarschrift. Nu voorts op de voet van artikel 8:6 van de Awb niet de Afdeling, maar de rechtbank bevoegd kan worden in de hoofdzaak in eerste aanleg, zal het verzoek om voorlopige voorziening worden doorgezonden naar de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Bestemmingsplan

3. Het plan voorziet in de bouw van een woning op het perceel [locatie A] te Kapellebrug.

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

5. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan. Hij voert hiertoe allereerst aan dat het plan onaanvaardbare gevolgen met zich brengt voor de flora en fauna in het plangebied, nu ten gevolge van het plan veel bomen moeten worden gekapt. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderkend welke gevolgen de kap van de bomen heeft voor de diersoorten die voorkomen in het plangebied. Verder heeft de raad niet onderkend dat de dieren die zullen verblijven in het resterende gedeelte van het bos nadelige gevolgen zullen ondervinden van de geluidhinder en de lichthinder die het gebruik van de woning met zich brengt, aldus [appellant].

5.1. Het perceel [locatie A] heeft een oppervlakte van ongeveer 1500 m². Op het perceel staat een klein naaldhoutbos. Op de omliggende percelen is geen bos aanwezig. In het kader van de voorbereiding van het plan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de bouw van de voorziene woning, en de daarvoor noodzakelijke kap van de bomen, voor de te beschermen flora en fauna op het perceel. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de door Adviesbureau Wieland opgestelde Quickscan flora- en faunawet en overige natuurwetgeving voor het project woningbouw Sint Janstraat te Kapellebrug, gedateerd 5 januari 2014 (hierna: de quickscan). In de quickscan is vermeld welke dieren in het plangebied voorkomen. De conclusie in de quickscan luidt dat het bouwen van de woning en de kap van de bomen geen nadelige gevolgen heeft voor de op het perceel aanwezige beschermde zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën, omdat de bomen worden gerooid buiten het broedseizoen.

Gezien het voorgaande heeft de raad rekening gehouden met de gevolgen van de kap van de bomen voor de te beschermen diersoorten. De stelling van [appellant] ter zitting dat in de quickscan ten onrechte niet is onderkend dat in het plangebied ook reeën en uilen voorkomen, heeft hij niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet in zoverre in het aangevoerde dan ook geen aanleiding om aan de conclusie van de quickscan te twijfelen. Verder is ter zitting onweersproken gesteld dat nabij het plangebied voldoende uitwijkmogelijkheden voor de dieren aanwezig zijn. De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met het plan gediend zijn dan aan het behoud van de bomen.

6. [appellant] voert voorts aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de woning stedenbouwkundig en landschappelijk inpasbaar is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2002, zaak nr. 200102731/1 stelt [appellant] dat in een vorige procedure woningbouw op het perceel in strijd is geacht met het gemeentelijke stedenbouwkundige beleid. De raad heeft volgens [appellant] niet gemotiveerd waarom de bouw van de woning thans niet leidt tot een aantasting van de stedenbouwkundige en landschappelijke waarden.

6.1. In de door [appellant] aangehaalde uitspraak van 30 oktober 2002 stond het besluit over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Kapellebrug" van 17 augustus 2000 ter beoordeling. De raad had in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel [locatie A] te Kapellebrug. Het college van gedeputeerde staten had evenwel goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid, onder meer omdat de raad volgens het college van gedeputeerde staten onvoldoende had beargumenteerd in welk opzicht woningbouw een stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteitsimpuls zou kunnen geven. De Afdeling heeft in de uitspraak geoordeeld dat het besluit van het college van gedeputeerde, mede gelet op het terughoudende gemeentelijke beleid inzake woningbouw aan de Sint Janstraat vanwege de stedenbouwkundige en landschappelijke waarden van het gebied, niet onredelijk was.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat het terughoudende beleid uit 2000 niet meer geldt. Vanwege de toenemende vraag naar woningen aan de Sint Janstraat en de omstandigheid dat op diverse percelen al woningen waren gebouwd, staat de raad in beginsel niet meer afwijzend tegenover nieuwe woningbouw aan de Sint Janstraat. Deze gewijzigde beleidsvisie is neergelegd in de herziening van de structuurvisie, zo heeft de raad ter zitting onweersproken toegelicht. Voor zover [appellant] ter zitting heeft gesteld dat kan worden betwijfeld of dit beleid in de praktijk wordt toegepast, nu in het vorige bestemmingsplan "Kapellebrug", vastgesteld op 7 februari 2013, nog geen nieuwe woningen aan de Sint Janstraat mogelijk zijn gemaakt, heeft de raad voorts toegelicht dat in het bestemmingsplan "Kapellebrug" geen nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. Het bestemmingsplan "Kapellebrug" was namelijk conserverend van aard. Dat in het bestemmingsplan "Kapellebrug" niet is voorzien in woningbouw, maakt dan ook nog niet dat de raad afwijzend staat tegenover de bouw van nieuwe woningen aan de Sint Janstraat, zo heeft de raad ter zitting gesteld. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het geldende gemeentelijke stedenbouwkundige beleid. Verder is in de plantoelichting vermeld dat de westzijde van de Sint Janstraat, alwaar ook de onderhavige woning is voorzien, een vrij open karakter heeft naar het achterliggende polderlandschap. Aan deze zijde staan diverse vrijstaande woningen op ruime kavels met daartussen doorzichten naar de polder. Ook de voorziene woning is vrijstaand en staat op een ruime kavel. De voorgevelrooilijn van de voorziene woning is daarnaast gesitueerd op ongeveer 32 m vanaf de as van de weg, waardoor een vloeiende lijn ontstaat met de reeds bestaande voorgevels. Verder heeft de raad toegelicht dat de maximaal toelaatbare bouwhoogten eveneens zijn afgestemd op de bouwhoogten van de buurpanden.

Gezien het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene woning landschappelijk en stedenbouwkundig inpasbaar is. Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de bouw van de voorziene woning negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit van het grondwater. Volgens [appellant] heeft de raad ten onrechte niet onderkend dat het plangebied is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied.

7.1. Blijkens de verbeelding heeft het hele plangebied de aanduiding "milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied".

In de planregels zijn de regels van het bestemmingsplan "Kapellebrug" van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Kapellebrug" zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied", behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor waterwinning.

Ingevolge het bepaalde in lid 20.1.2, gelden voor het bouwen op deze gronden de volgende regels:

a. in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze aanduiding;

b. er mag uitsluitend worden gebouwd indien de bouw hiervan bijdraagt aan een betere bescherming van de kwaliteit van het grondwater.

Ingevolge het bepaalde in lid 20.1.3, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 20.1.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van het grondwaterbeschermingsgebied;

b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder omtrent de in sub a genoemde voorwaarde.

7.2. [appellant] heeft ter zitting gesteld dat hij bij het instellen van het beroep niet had onderkend dat het plangebied in het vastgestelde plan is aangeduid als grondwaterbeschermingsgebied. Voorts heeft [appellant] niet onderbouwd waarom met het voornoemde regime van artikel 20 van de planregels de kwaliteit van het grondwater onvoldoende is beschermd. De raad heeft bovendien ter zitting toegelicht dat de waterbeheerder heeft gesteld dat de bouw van een woning op het perceel mogelijk is zonder het functioneren van het grondwaterbeschermingsgebied onevenredig aan te tasten. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het plan onaanvaardbare gevolgen heeft voor het grondwaterbeschermingsgebied. Het betoog faalt.

8. [appellant] vreest dat de voorziene woning leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij stelt daartoe dat het plan leidt tot een aantasting van zijn privacy en het verlies van zijn vrije uitzicht.

8.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De in het plan voorziene woning ligt op een afstand van ongeveer 13 m van de woning van [appellant]. De maximale goot- en bouwhoogte van de voorziene woning is gelijk aan die van de woning van [appellant]. Voorts sluit ook de situering van de voorziene woning aan bij de situering van de woning van [appellant]. Mede in aanmerking nemende dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat, heeft de raad zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van [appellant] bij het behoud van privacy en uitzicht door het plan niet onaanvaardbaar worden aangetast.

9. [appellant] voert aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar alternatieve locaties. Hij wijst in dit verband op de Gentsevaart in Kapellebrug, de Sint Janshof in Sint Jansteen en het landgoed Heerstraat in Kapellebrug.

9.1. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij bij zijn afweging heeft betrokken dat de locatie [locatie A] in het gemeentelijke woningbouwprogramma staat genoemd als woningbouwlocatie. In dat verband is reeds een afweging gemaakt tussen verschillende mogelijke woningbouwlocaties. Voor zover [appellant] enkele concrete locaties noemt, overweegt de voorzieningenrechter voorts dat hij deze locaties eerst in zijn beroepschrift en niet in zijn zienswijze heeft genoemd. Bovendien heeft hij niet onderbouwd waarom de raad deze locaties vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid had moeten verkiezen boven de in het plan gekozen locatie. Het betoog faalt.

10. [appellant] betoogt dat het besluit op grond van de Boswet en het besluit tot vaststelling van het plan zodanig met elkaar zijn verweven, dat als het besluit op grond van de Boswet niet in stand kan blijven, eveneens het bestemmingsplan moet worden vernietigd. Hij voert hiertoe aan dat onduidelijk is of aan de herplantplicht op grond van de Boswet kan worden voldaan, nu geen locatie beschikbaar is om de bomen die ten gevolge van het plan moeten worden gekapt te herplanten.

10.1. Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, begrijpt de voorzieningenrechter dit betoog van [appellant] aldus dat [appellant] twijfelt aan de uitvoerbaarheid van het plan, omdat het besluit op grond van de Boswet nog niet in rechte onaantastbaar is. [partij] heeft ter zitting medegedeeld dat, indien het besluit op grond van de Boswet niet in stand zal blijven en de Boswet dientengevolge op het perceel van toepassing wordt, zal worden voldaan aan de herplantplicht die op grond van de Boswet geldt. De raad heeft voorts ter zitting gesteld dat het mogelijk zal zijn een locatie te vinden voor de herplant van de bomen die ten gevolge van het plan moeten worden gekapt. Nu het perceel een omvang heeft van 1500 m² acht de voorzieningenrechter dit niet onaannemelijk. Hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht geeft daarom geen aanleiding om aan de uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen. Het betoog faalt.

11. Gezien het voorgaande is het beroep van [appellant] tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ongegrond. Gelet hierop wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie A] te Kapellebrug" ongegrond;

II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Westland, griffier.

w.g. Koeman w.g. Westland

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015

683.