Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201406635/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:8039, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 8 januari 2013 en 15 mei 2013 heeft het college [vergunninghoudster] meegedeeld te hebben besloten om tot 27 mei 2013 respectievelijk 1 september 2013 niet over te gaan tot invordering van eventueel door [vergunninghoudster] verbeurde dwangsommen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6942
Milieurecht Totaal 2015/6195
M en R 2016/46 met annotatie van B. Arentz
JOM 2015/506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406635/1/A4.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2014 in zaak nr. 13/7043 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij brieven van 8 januari 2013 en 15 mei 2013 heeft het college [vergunninghoudster] meegedeeld te hebben besloten om tot 27 mei 2013 respectievelijk 1 september 2013 niet over te gaan tot invordering van eventueel door [vergunninghoudster] verbeurde dwangsommen.

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 12 maart 2015 gevoegd behandeld met zaak nr. 201406636/1/A4, waar [appellant], bijgestaan door M. Sprinkhuizen, het college, vertegenwoordigd door E.L.M. van Oostrum, werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, en [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde], zijn verschenen. Na de zitting is de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het college [vergunninghoudster] onder dwangsom gelast, kort weergegeven, haar inrichting niet langer buiten de vergunde werktijden in werking te hebben. Daarbij is bepaald dat een dwangsom wordt verbeurd indien bij een controle blijkt dat de last wordt overtreden.

Bij de brieven van 8 januari 2013 en 15 mei 2013 heeft het college meegedeeld dat tot uiteindelijk 1 september 2013 eventueel verbeurde dwangsommen niet zullen worden ingevorderd. Bij het besluit op bezwaar van 18 juli 2013 heeft het college dit standpunt gehandhaafd.

2. De overtredingen waarvoor de last is opgelegd, bestaan uit het buiten de vergunde werktijden rijden op de tegenover de woning van [appellant] gelegen uitrit van de inrichting van [vergunninghoudster]. Bij besluit van 14 november 2013 is een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van deze inrichting die, kort weergegeven, voorziet in het gebruiken van een andere ontsluiting van het bedrijfsterrein voor vrachtverkeer.

De rechtbank heeft geoordeeld, kort weergegeven, dat het college gezien de destijds gevraagde (en uiteindelijk op 14 november 2013 verleende) vergunning er weliswaar van mocht uitgaan dat concreet zicht bestond op het beëindigen van de overtredingen waarvoor de last is opgelegd, maar dit ten onrechte als een omstandigheid heeft aangemerkt die aanleiding kan geven om af te zien van invordering van dwangsommen. Nu het besluit op bezwaar om deze reden ondeugdelijk is gemotiveerd, heeft de rechtbank dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat, kort weergegeven, invordering van verbeurde dwangsommen niet aan de orde kan zijn.

3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat geen concreet zicht op legalisatie van de overtredingen bestond, omdat het gebruiken van de tegenover zijn woning gelegen uitrit voor vrachtverkeer op grond van de uiteindelijk op 14 november 2013 verleende vergunning niet is toegestaan, en deze verkeersbewegingen in de nieuw vergunde situatie dus nog steeds een overtreding opleveren.

Dit betoog berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat de in 2013 verleende vergunning de overtredingen door het gebruik van de uitrit tegenover de woning van [appellant] zal opheffen, maar - in de woorden van de Afdeling weergegeven - dat, omdat met die vergunning het vrachtverkeer via een andere ontsluiting kan worden afgewikkeld, concreet zicht bestaat op het beëindigen van het illegale gebruik van de uitrit tegenover de woning van [appellant].

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank bij zijn beslissing om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten ten onrechte heeft overwogen dat uitsluitend dwangsommen worden verbeurd indien bij een controle blijkt dat sprake is van een overtreding. Volgens hem kunnen ook dwangsommen worden verbeurd wanneer hij een overtreding aan het college meldt en deze overtreding door [vergunninghoudster] wordt erkend. De Afdeling begrijpt uit dit betoog van [appellant] dat volgens hem niet had mogen worden afgezien van controles gelet op het handhavingsbesluit van 12 juni 2012 en dat bij overtreding van de last niet had mogen worden afgezien van invordering, zoals verwoord in de brieven van 8 januari en 15 mei 2013.

4.1. De rechtbank heeft gezien de formulering van de opgelegde last terecht geconcludeerd dat uitsluitend dwangsommen worden verbeurd indien bij een controle van een overtreding blijkt. Zoals mede ter zitting is gebleken, heeft het college geen enkele controle uitgevoerd. Aldus heeft het college ten onrechte de opgelegde last op geen enkele wijze geëffectueerd, hetgeen afbreuk doet aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Het college heeft niet mogen beslissen om af te zien van invordering van mogelijk nog te verbeuren dwangsommen, en die beslissingen bij het bestreden besluit op bezwaar in stand te laten, zonder eerst met controles vast te stellen of, en zo ja in welke mate, de opgelegde last werd overtreden. Het bestreden besluit op bezwaar is dan ook niet alleen onrechtmatig omdat het, zoals de rechtbank reeds heeft geoordeeld, ondeugdelijk is gemotiveerd, maar tevens omdat het college in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit op bezwaar gelet op deze gebreken terecht vernietigd. De periode waarop de beslissingen om niet in te vorderen betrekking hebben (tot 27 mei 2013 respectievelijk tot 1 september 2013) waren op dat moment reeds verstreken, en het staat vast dat bij gebreke aan controles in die periodes, geen dwangsommen zijn verbeurd. Het bij een nieuw besluit op bezwaar na de vernietiging terugnemen van die beslissingen zal er dan ook niet toe kunnen leiden, zoals [appellant] wenst, dat dwangsommen worden ingevorderd. Dit in aanmerking genomen heeft de rechtbank op goede gronden kunnen besluiten de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

262.