Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201407809/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:6695, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget over 2013 van [appellant] opnieuw berekend en vastgesteld op € 936,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407809/1/A2.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2014 in zaak nr. 14/827 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget over 2013 van [appellant] opnieuw berekend en vastgesteld op € 936,00.

Bij besluit van 25 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam voor die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) eerbiedigen en waarborgen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag, de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd.

Ingevolge het tweede lid nemen de Staten die partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.

Artikel 5, eerste lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: het NMV) luidt in de authentieke versie als volgt:

Les prestations en espèces d'invalidité, de vieillesse, ou de survivants, les allocations au décès et les allocations familiales acquises au titre de la législation de l'une des parties contractantes ne peuvent subir aucune réduction, ni modification, ni suspension, ni suppression, ni confiscation du fait que le bénéficiaire ou l'enfant réside sur le territoire de la partie contractante autre que celui où se trouve l'institution débitrice.

De Nederlandse vertaling van deze bepaling luidt als volgt:

De uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, bij ouderdom of aan nabestaanden, de uitkeringen bij overlijden en de kinderbijslagen verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een van de Verdragsluitende Partijen, kunnen op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of het kind woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt.

Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: Wkb) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kindgebonden budget een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen verstaan.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn aanspraak op een kindgebonden budget, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, bedraagt het kindgebonden budget voor een berekeningsjaar indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen per 1 januari 2013 € 1553,00.

Ingevolge het elfde lid, aanhef en onder a en b, bedraagt het kindgebonden budget, indien de ouder aanspraak heeft op kindgebonden budget voor meer dan een kind, en voor een of meer van die kinderen voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen, een volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vastgesteld bedrag. Dat bedrag is gebaseerd op de in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid, opgenomen bedragen en de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen voor het desbetreffende kind of voor de desbetreffende kinderen en dat van Nederland uitgedrukt in procenten. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 (hierna: de Regeling) bedraagt het percentage bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Wkb voor een woonland anders dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en Zwitserland, het in de bijlage bij deze regeling opgenomen percentage.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt, indien de ouder aanspraak heeft op kindgebonden budget voor meer dan een kind en voor een of meer van die kinderen voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan een van de in artikel 1, onder a tot en met d, bedoelde landen als woonland in aanmerking wordt genomen, voor de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget het hoogste bedrag aan kindgebonden budget gekoppeld aan het kind dat woont in het land met het hoogste percentage, bedoeld in artikel 1, en wordt vervolgens steeds het daarop volgende hoogste bedrag aan kindgebonden budget gekoppeld aan het kind dat woont in het land van het daarop volgende hoogste percentage. Bij een gelijk percentage wordt het hoogste bedrag aan kindgebonden budget gekoppeld aan het kind met de hoogste leeftijd.

In de in artikel 1 van de Regeling genoemde bijlage is het percentage voor Marokko bepaald op 60%.

2. De kinderen van [appellant] wonen in Marokko.

3. Aan het besluit van 25 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat sprake is van een samenloop met de gezinsbijslag in Nederland en de buitenlandse gezinsbijslag. In verweer bij de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven dat na bericht van de Sociale Verzekeringsbank dat de kinderen van [appellant] in Marokko wonen, het voorschot kindgebonden budget met toepassing van de woonlandfactor is herzien naar 60% van het eerder verleende voorschot.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen, door het kindgebonden budget op 60% te stellen, in strijd heeft gehandeld met artikel 2 van het IVRK. Volgens [appellant] worden zijn kinderen gediscrimineerd, nu kinderen in Nederland niet worden gekort op kindgebonden budget.

4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012 in zaak nr. 201107168/1/A2, met juistheid overwogen dat het besluit niet is genomen jegens kinderen. Het gaat hier om een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten van kinderen, waarop niet een kind zelf maar een ouder, in dit geval [appellant], voor een kind aanspraak kan hebben.

Het betoog faalt.

4.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen hem discrimineert, nu ouders met in Nederland wonende kinderen niet worden gekort op kindgebonden budget, kan ook dit hem niet baten. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2013 in zaak nr. 201300925/1/A2) is van discriminatie geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. Volgens de toelichting op de Regeling vloeit de Regeling voort uit de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. Deze wet beoogt te voorkomen dat Nederlandse uitkeringen die buiten een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland worden verstrekt, naar lokale maatstaven bezien, uit de pas lopen. Als het gaat om uitkeringen die gerelateerd zijn aan het sociaal minimum in Nederland of voorzien in een bijdrage in specifieke kosten is de kans aanwezig dat de uitkering zijn doel voorbij schiet, in die zin dat een verdergaande financiële ondersteuning wordt geboden dan - de plaatselijke omstandigheden in aanmerking genomen - noodzakelijk en gerechtvaardigd is (Stcrt. 2012, nr. 8306, blz. 5). Gelet hierop bestaan voor het maken van het onderscheid redelijke en objectieve gronden.

5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het kindgebonden budget niet valt onder de reikwijdte van artikel 5 van het NMV. Volgens [appellant] is de rechtbank, door te overwegen dat met de woorden "les allocations familiales" slechts de kinderbijslag wordt bedoeld, eraan voorbijgegaan dat over bijslagen in meervoud wordt gesproken. Verder komt aan het woord "allocation" een ruimere betekenis toe dan "bijslag". Het betekent ook "uitkering", "toelage" of "tegemoetkoming". Onder "les allocations familiales" moet daarom ook het kindgebonden budget worden begrepen, aldus [appellant].

5.1. De rechtbank heeft niet onderkend dat, nu de verdragsluitende partijen ervoor hebben gekozen de Franse versie van het NMV als authentiek aan te merken, niet kan worden uitgegaan van de Nederlandse vertaling van de verdragstekst, maar uitleg moet worden gegeven aan de verdragstekst zoals deze in het Frans luidt. In het onderhavige geval betekent dit dat uitleg moet worden gegeven aan de woorden "les allocations familiales" die in de Franse versie van artikel 5, eerste lid, van het NMV worden gebruikt. [appellant] stelt terecht dat "allocation" een ruimere betekenis heeft dan "bijslag" en ook kan worden vertaald met "uitkering", "toelage" en "tegemoetkoming". [appellant] wijst er verder terecht op dat de Franse verdragstekst spreekt over "allocations" in meervoud. In dit verband is ook van belang dat in artikel 5, eerste lid, van het NMV geen specifieke uitkeringen worden opgesomd, maar alleen typen uitkeringen. Uit het vorenstaande leidt de Afdeling af dat de verdragsluitende partijen met "les allocations familiales" niet één specifieke bijslag, maar een bepaald type bijslagen op het oog hadden, te weten gezinsbijslagen. Nu het kindgebonden budget een dergelijke bijslag is, valt deze onder de reikwijdte van het NMV. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wkb blijkt dat deze uitleg in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. In de memorie van toelichting bij de Wkb wordt opgemerkt dat deze wet "onder de materiële werkingssfeer van de bilaterale verdragen [valt], mits in de verdragen de kinderbijslag onder de werkingssfeer van het verdrag is gebracht. De toepasselijkheid van bilaterale verdragen heeft voor de toepassing van [de Wkb] als gevolg dat [het kindgebonden budget] moet worden geëxporteerd naar de bilaterale verdragslanden, wanneer de kinderen in het betreffende verdragsland wonen." (Kamerstukken II 2006/07, 30 912, nr. 3, blz. 3) In de memorie van antwoord staat dat het kindgebonden budget "een gezinsbijslag [is], evenals bijvoorbeeld de kinderbijslag en de kinderopvangtoeslag" en dat het kindgebonden budget "geldt als een socialezekerheidsuitkering", zodat "hierop Europese regels en verdragen van toepassing [zijn] en (…) Nederland als gevolg daarvan verplicht [is] deze tegemoetkoming te exporteren." (Kamerstukken I 2007/08, 30 912, D, blz. 6)

5.2. Uit het onder 5.1 overwogene vloeit voort dat, net als de kinderbijslag, ook het kindgebonden budget valt onder de reikwijdte van artikel 5 van het NMV. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4181) oordeelt de Afdeling dat, nu artikel 5, eerste lid, van het NMV ook het verminderen van het kindgebonden budget verbiedt, de toepassing van het woonlandbeginsel bij het vaststellen van het kindgebonden budget hiermee in strijd is. De Belastingdienst/Toeslagen had artikel 2, elfde lid, van de Wkb, gelet op artikel 94, tweede lid, van de Grondwet, daarom buiten toepassing moeten laten.

5.3. Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 25 december 2013 wegens strijd met artikel 5, eerste lid, van het NMV vernietigen. De Belastingdienst/Toeslagen zal daarom, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar moeten nemen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2014 in zaak nr. 14/827;

III. verklaart het door [appellant] tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 25 december 2013, kenmerk 200212047/BOB KO, ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het onder III. vermelde besluit;

V. draagt de Belastingdienst/Toeslagen op om binnen tien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 21 september 2013, kenmerk 2002.12.047.T.SC.13.4;

VI. bepaalt dat tegen dit te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 290,00 (zegge: tweehonderdnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Zanten

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

97-735.