Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201406992/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:6762, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het op 8 januari 2014 verzonden besluit heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar in verband met de door hem ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg op het perceel [locatie] te Sittard (hierna: het perceel) ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:40
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 4:20b
Algemene wet bestuursrecht 4:20c
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.7
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.8
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/854
JB 2015/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406992/1/A1.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2014 in zaak nr. 14/508 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij het op 8 januari 2014 verzonden besluit heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar in verband met de door hem ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg op het perceel [locatie] te Sittard (hierna: het perceel) ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.H.C. van Meerten, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist.

Ingevolge het tweede lid geldt de verlening van rechtswege als een beschikking.

Ingevolge het derde lid treedt in afwijking van artikel 3:40 de beschikking in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn.

Ingevolge artikel 4:20c, eerste lid, maakt het bestuursorgaan de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de bekendmaking en mededeling vermeld dat de beschikking van rechtswege is gegeven.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.8 geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.

2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of aan [appellant] voor het aanleggen van een uitweg op het perceel een omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. [appellant] betoogt in dat verband dat het college niet binnen de beslistermijn op zijn aanvraag heeft beslist. Hij voert daartoe aan dat het in het besluit van 27 juni 2013 vermelde kenmerknummer niet overeenkomt met het kenmerknummer in de aan hem gerichte bevestigingsbrief van de aanvraag. Voorts stelt hij dat het besluit aan zijn [dochter] was gericht, zodat binnen de beslistermijn door het college geen beslissing op zijn aanvraag is genomen. Voorts is volgens [appellant] voor een bekendmaking een publicatie van het besluit in het elektronisch gemeenteblad onvoldoende en is het besluit van 27 juni 2013 eerst na afloop van de beslistermijn in het elektronisch gemeenteblad gepubliceerd.

2.1. Vast staat dat het college, gelet op 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, uiterlijk op 11 augustus 2013 op de door hem op 15 juni 2013 ontvangen aanvraag diende te beslissen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat een tijdige beslissing op de aanvraag als bedoeld in artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb inhoudt dat binnen de beslistermijn een reƫel besluit op de aanvraag moet zijn genomen en dat besluit binnen die termijn moet zijn bekendgemaakt. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het college met het besluit van 27 juni 2013, waarbij het de aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg op het perceel heeft geweigerd, op de door hem op 15 juni 2013 ontvangen aanvraag heeft beslist, maar dit besluit niet op de juiste wijze aan [appellant] heeft bekendgemaakt. Daartoe wordt overwogen dat het besluit van 27 juni 2013, met daarop de vermelding van de initialen van de dochter van [appellant], is voorzien van een onjuiste tenaamstelling en deze omstandigheid er mogelijk toe heeft geleid dat [appellant] niet daags na 27 juni 2013 van de inhoud daarvan kennis heeft genomen, hoewel het wel aan zijn adres was gezonden.

De omstandigheid dat op het besluit van 27 juni 2013 abusievelijk een onjuist kenmerknummer is vermeld, maakt, anders dan [appellant] betoogt, nog niet dat het college niet op de door hem ingediende aanvraag heeft beslist.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat ondanks dat het besluit van 27 juni 2013 niet op juiste wijze aan [appellant] is bekendgemaakt, dat besluit op 11 augustus 2013, en derhalve binnen de beslistermijn, bij hem bekend was. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan [appellant] stelt, hij uiterlijk op die dag op de hoogte is geraakt van het besluit aangezien zijn dochter op die dag bij hem is geweest met de door haar ontvangen legesheffing voor een aanvraag om omgevingsvergunning en hij de legesheffing heeft ingezien. Voorts doet de omstandigheid dat de bekendmaking niet correct is geweest er niet aan af dat tijdig een besluit is genomen en dat dat tijdig is bekendgemaakt. De niet correcte bekendmaking kan in voorkomend geval wel van belang zijn voor de verschoonbaarheid van het daardoor te laat tegen het betreffende besluit aanwenden van een rechtsmiddel.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door [appellant] gevraagde vergunning niet van rechtswege aan hem is gegeven.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. P.J.J. van Buuren, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Fransen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

407-789.