Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201405782/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het college besloten de raad van de gemeente Hardenberg (hierna: de raad) een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel [locatie] te Bergentheim overeenkomstig de bij de aanwijzing gegeven voorschriften.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/218
Module Ruimtelijke ordening 2015/7341
NJB 2015/1271
ABkort 2015/248
JOM 2015/513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405782/1/R1.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Scherpenzeel,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het college besloten de raad van de gemeente Hardenberg (hierna: de raad) een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel [locatie] te Bergentheim overeenkomstig de bij de aanwijzing gegeven voorschriften.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], de raad, vertegenwoordigd door drs. A.H. Gijlers, werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C. Eggink en mr. A. van Maurik, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

2. Het college heeft de bevoegdheid een proactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van de proactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. In het besluit heeft het college de aanwijzing gegeven dat de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] te Bergentheim, zoals toegekend in het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" dat door de raad op 1 oktober 2013 is vastgesteld, gewijzigd dient te worden in een recreatieve bestemming als bedoeld in artikel 34 van de planregels van dat bestemmingsplan.

4. [appellant] betoogt dat hij, gelet op het bij besluit van 1 oktober 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" en een aantal ambtelijke brieven, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zijn perceel een woonbestemming zou behouden.

[appellant] betoogt voorts dat de proactieve aanwijzing is gegeven in strijd met de goede ruimtelijke ordening, nu omliggende percelen een woonbestemming hebben en een woonbestemming voor zijn perceel derhalve niet leidt tot versnippering van de groene omgeving.

4.1. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het provinciale beleid erop is gericht dat recreatiewoningen beschikbaar dienen te blijven voor recreatief gebruik om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene omgeving. Voorts wordt beoogd om verdergaande versnippering en verstening van de groene omgeving en aantasting van het landschap te voorkomen.

Volgens het college was toekenning van een woonbestemming voor het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" in strijd met artikel 2.12.4 van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: Omgevingsverordening), omdat de woning in het voorheen geldende plan een recreatieve bestemming had en de recreatiewoning als zodanig in gebruik is en niet permanent werd bewoond.

Volgens het college is geen zienswijze ingediend over het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg", omdat hij, gelet op een convenant met de gemeente, erop vertrouwde dat de raad het voorstel van het college van burgemeester en wethouders om in afwijking van het ter inzage gelegde ontwerpplan in het vast te stellen bestemmingsplan aan het perceel een recreatiebestemming toe te kennen, zou overnemen. Volgens het college zou het indienen van een zienswijze ingaan tegen afspraken in dat convenant. De raad heeft het voorstel van het college van burgemeester en wethouders echter niet overgenomen. Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat het plan op dit onderdeel niet ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd is vastgesteld, kon geen reactieve aanwijzing worden gegeven, aldus het college.

4.2. Ingevolge artikel 2.12.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening voorzien bestemmingsplannen niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een woonbestemming wordt toegekend.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid aan recreatiewoningen een woonbestemming worden toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover:

- voldaan wordt aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen;

- voldaan wordt aan relevante milieuwet- en regelgeving;

- de recreatiewoningen staan in stads- en dorpsrandgebieden voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en Nationaal landschap.

4.3. Vast staat dat de raad in strijd met artikel 2.12.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening in het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" aan het perceel een woonbestemming heeft toegekend. Daarmee heeft de raad ook in strijd met het provinciale beleid dat recreatiewoningen beschikbaar dienen te blijven voor recreatief gebruik gehandeld. Het college heeft daarin aanleiding kunnen zien de proactieve aanwijzing te geven.

Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat hij na de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" erop mocht vertrouwen dat zijn perceel een woonbestemming zou behouden, ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of het college korte tijd na vaststelling van dat bestemmingsplan de in geding zijnde proactieve aanwijzing kon geven. Het college had immers in beginsel ook de mogelijkheid de toegekende woonbestemming in het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" tegen te houden door het geven van een reactieve aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro. In het onderhavige geval stond die mogelijkheid voor het college niet open, omdat niet aan de voorwaarde was voldaan dat door het college een zienswijze omtrent dit plandeel moest zijn ingediend en evenmin sprake was van een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan op dit onderdeel.

De Afdeling overweegt dat, indien de provinciale belangen dat noodzakelijk maken, artikel 3.8, zesde lid, van de Wro noch het systeem van de Wro zich verzet tegen het geven van een proactieve aanwijzing nadat het college in een procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan geen gebruik heeft gemaakt van de tot haar beschikking staande wettelijke middelen als het geven van een reactieve aanwijzing of het instellen van beroep.

Voor het oordeel of het college in redelijkheid van de mogelijkheid een proactieve aanwijzing te geven, gebruik heeft kunnen maken, acht de Afdeling in dit geval in de eerste plaats van belang dat [appellant] de recreatiewoning, zoals door hem ter zitting is bevestigd, sinds hij daarvan eigenaar is geworden in 2007, nooit gebruikt heeft voor permanente bewoning, ook niet na het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg". Daarnaast acht de Afdeling het volgende van belang.

4.3.1. [appellant] betoogt terecht dat, nu zijn recreatiewoning reeds is gerealiseerd, een woonbestemming voor zijn perceel niet leidt tot verdere versnippering van de groene omgeving. Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat recreatiewoningen als zodanig beschikbaar dienen te blijven om te voorzien in de behoefte aan recreatief gebruik. Voorts heeft het college wat betreft de stelling dat een recreatieve bestemming overlast tot gevolg heeft, in redelijkheid kunnen oordelen dat gelet op de situering van de recreatiewoning op enige afstand van overige bebouwing, geen ernstige overlast is te verwachten. Het betoog faalt.

4.3.2. De Afdeling overweegt verder dat, voor zover [appellant] wijst op nabijgelegen woningen waar de reactieve aanwijzing niet op ziet, het college zich op het standpunt heeft gesteld dat die woonbestemmingen, anders dan de recreatiewoning van [appellant], niet in strijd met de Omgevingsverordening zijn vastgesteld. Niet in geschil is dat de recreatiewoning van [appellant] niet sinds 31 oktober 2003 onafgebroken is bewoond. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

4.3.3. Over het betoog van [appellant] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. Uit de omstandigheid dat de raad, mede in de contacten van [appellant] met ambtenaren van de gemeente, aanleiding heeft gevonden de bestemming "Wonen" aan het perceel toe te kennen, volgt niet dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan door of namens de raad gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. De uitlatingen van ambtenaren van de gemeente die naar hij stelt jegens hem zijn gedaan, zijn niet namens de raad gedaan. Ook overigens heeft [appellant] niet aangetoond dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt. In dit verband is voorts van belang dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan de Omgevingsverordening in acht had moeten nemen. Voor zover het betoog van [appellant]s ertoe strekt dat de raad in het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" bij hem verwachtingen heeft gewekt die in de weg staan aan de aanwijzing van het college, overweegt de Afdeling dat het inherent aan het instrument van de proactieve aanwijzing is, dat daarmee de aan de vaststelling van een bestemmingsplan te ontlenen verwachtingen niet worden gerespecteerd. Het besluit is derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. De conclusie is dat het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een proactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan en het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen en niet is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het betoog faalt.

5. [appellant] heeft in het beroepschrift voor het overige verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Den Broeder

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

191-763.