Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201306214/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013, kenmerk PDN/2013-071, heeft de staatssecretaris het gebied "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306214/2/R2.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting het Noordbrabants Landschap (hierna: de Stichting), gevestigd te Haaren,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013, kenmerk PDN/2013-071, heeft de staatssecretaris het gebied "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit heeft onder andere de Stichting beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2013, waar onder meer de Stichting, vertegenwoordigd door ir. E.J. van Haaften, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot-Valenteijn en drs. E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 9 april 2014, nr. 201306214/1/R2 heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 23 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 30 juni 2014 heeft de staatssecretaris meegedeeld dat hij bij besluit van 11 juni 2014 een gewijzigd besluit heeft genomen, teneinde het gebrek dat in de tussenuitspraak is genoemd te herstellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De Stichting is door de Afdeling in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 7 april 2015, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, werkzaam bij ZLTO, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman en drs. E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om het besluit van 23 mei 2013 te herstellen door alsnog met betrekking tot het deelgebied Pompveld de wijziging van de begrenzing ten opzichte van het ontwerpbesluit toereikend te motiveren, of in plaats daarvan een gewijzigd besluit te nemen.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris bij besluit van 11 juni 2014 het aanwijzingsbesluit voor het gebied "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" gewijzigd wat betreft de begrenzing van het deelgebied Pompveld.

3. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 van de tussenuitspraak is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 23 mei 2013, voor zover dat ziet op de wijziging van de begrenzing van het deelgebied Pompveld ten opzichte van het ontwerpbesluit, dient te worden vernietigd. Het beroep van de Stichting tegen dit besluit is gegrond.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4.1. Het beroep van de Stichting tegen het besluit van 23 mei 2013 was uitsluitend gericht tegen het niet aanwijzen van agrarische gronden in het deelgebied Pompveld, met een oppervlakte van ongeveer 20 hectare. Bij het gewijzigde aanwijzingsbesluit zijn de bewuste agrarische gronden alsnog binnen de begrenzing van het deelgebied Pompveld gebracht. Gelet hierop heeft de Stichting geen belang bij beoordeling van het besluit van 11 juni 2014, zodat geen beroep van rechtswege is ontstaan waarop nog dient te worden beslist.

5. [appellant sub 2] voert in beroep tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit van 11 juni 2014 aan dat de bewuste 20 hectare grond door hem agrarisch wordt gebruikt en dat daarom de aanwijzing als natuurgebied niet begrijpelijk is. Daarbij wijst [appellant sub 2] erop dat het voorkomen van de modderkruiper en de bittervoorn de reden is geweest voor het alsnog aanwijzen van zijn gronden, maar dat uit het visonderzoek uit 2011, dat aan die motivering ten grondslag ligt, blijkt dat slechts kleine aantallen van deze soorten zijn aangetroffen.

5.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepsgronden van de Stichting overwogen dat het door de Stichting overgelegde visonderzoek uit 2011 erop duidt dat de bewuste agrarische gronden geschikt leefgebied kunnen zijn voor de bittervoorn en de grote en kleine modderkruiper. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat het visonderzoek weliswaar niet is verricht ter plaatse van de agrarische gronden van [appellant sub 2], maar dat die drie vissoorten wel in sloten nabij zijn gronden zijn aangetroffen, alsmede dat de sloten in het deelgebied Pompveld in open verbinding met elkaar staan en de waterkwaliteit en het beheer van die sloten vergelijkbaar zijn.

Aan dit oordeel in de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder meer ten grondslag gelegd dat uit de rapportage uit 2011 over het visonderzoek, opgesteld door ing. T. Brouwer van Natuurbalans - Limes Divergens B.V. in opdracht van de Stichting, blijkt dat voor het visonderzoek 14 delen van verschillende sloten in het Andelsche Broek zijn bevist, waarbij 900 vissen van 12 soorten zijn gevangen. De drie vissoorten waarvoor het onderhavige Natura 2000-gebied is aangewezen, zijn daarbij ook gevangen. Daarbij gaat het om 14 exemplaren van de bittervoorn, 8 exemplaren van de grote modderkruiper en 1 exemplaar van de kleine modderkruiper.

5.2. Weliswaar stelt [appellant sub 2] terecht dat de aantallen van de kleine en grote modderkruiper en de bittervoorn die gevangen zijn ten behoeve van het visonderzoek in 2011 niet hoog zijn, maar dit enkele feit betekent niet dat het deelgebied Pompveld, in het bijzonder het deel van het Pompveld dat ter plaatse bekend staat als het Andelsche Broek, geen geschikt leefgebied vormt voor deze vissoorten. Namens de staatssecretaris is ter zitting toegelicht dat met name de modderkruiper moeilijk te vangen is en derhalve het aangetroffen aantal geen goede indicatie vormt van de omvang van de aanwezige populatie. Voorts is ter zitting door [appellant sub 2] bevestigd dat in de bestaande situatie de sloten in het deelgebied Pompveld - waaronder ook de sloten op zijn gronden - in open verbinding met elkaar staan en geen belemmeringen voor deze vissoorten bestaan om zich te verspreiden.

5.3. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, punten 16 en 25 (www.curia.europa.eu).

De agrarische gronden van [appellant sub 2] waren reeds onderdeel van het onderhavige gebied zoals dat onder de naam "Boezem van Brakel, Pompveld en Kornsche Boezem" is aangemeld en in 2004 onder nummer NL3004001 op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst. In beginsel dient de staatssecretaris tot aanwijzing van het gebied over te gaan zoals het op eerdergenoemde lijst is gezet. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris op basis van overwegingen van ecologische aard - in afwijking van de aanmelding als Habitatrichtlijngebied en het ontwerpbesluit - zijn gronden buiten de begrenzing van het aangewezen gebied had moeten houden.

6. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de aanwijzing van het deelgebied Pompveld als Natura 2000-gebied onzorgvuldig tot stand is gekomen, overweegt de Afdeling dat in de onderhavige procedure na de tussenuitspraak ter beoordeling staat of de staatssecretaris het door de Afdeling in haar tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Het deelgebied Pompveld was in het oorspronkelijke besluit van 23 mei 2013 reeds aangewezen als Natura 2000-gebied en het voorgaande betekent dat deze beroepsgrond buiten inhoudelijke bespreking blijft.

7. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 11 juni 2014 is ongegrond.

8. Ten aanzien van de Stichting is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting het Noordbrabants Landschap tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 23 mei 2013, kenmerk PDN/2013-071, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 23 mei 2013, voor zover dat betrekking heeft op de gewijzigde begrenzing van het deelgebied Pompveld ten opzichte van het ontwerpbesluit;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 11 juni 2014 ongegrond;

IV. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken aan de stichting Stichting het Noordbrabants Landschap het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vreugdenhil

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

571.