Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201405374/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:3495, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 19 augustus 2009 heeft [appellant] verzocht om handhavend op te treden tegen de huisvesting van arbeidsmigranten op het vakantiepark Sunclass/ het Park aan het Veer te Nieuw-Vossemeer in strijd met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405374/1/A1.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 mei 2014 in zaak nr. 13/4155 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen.

Procesverloop

Bij brief van 19 augustus 2009 heeft [appellant] verzocht om handhavend op te treden tegen de huisvesting van arbeidsmigranten op het vakantiepark Sunclass/ het Park aan het Veer te Nieuw-Vossemeer in strijd met het bestemmingsplan.

Bij brief van 22 juni 2010 heeft [appellant] het college medegedeeld nog geen reactie op de brief van 19 augustus 2009 te hebben ontvangen en heeft hij nogmaals verzocht om handhavend optreden.

Bij uitspraak van 29 mei 2013 heeft de rechtbank de brief van 22 juni 2010 opgevat als een bezwaar gericht tegen het uitblijven van een besluit en het beroep van [appellant] gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen en te verzenden. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat het college een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.

Bij brief van 4 juni 2013 heeft het college het bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om handhaving van 19 augustus 2009 van [appellant] gegrond verklaard en te kennen gegeven dat het college zal overgaan tot handhavend optreden naar aanleiding van zijn verzoek van 19 augustus 2009.

Bij onderscheiden besluiten van 22 oktober 2013 heeft het college onder oplegging van een dwangsom gelast dat [namen 18 personen] (hierna tezamen en in enkelvoud: [persoon]), het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het zomerhuis ongedaan dienen te maken.

Bij uitspraak van 15 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de brief van 4 juni 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het college het door [appellant] tegen de onderscheiden besluiten van 22 oktober 2013 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en te kennen gegeven dat de besluiten van 22 oktober 2013 naar aanleiding van de door [persoon] daartegen gemaakte bezwaren zullen worden ingetrokken.

Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van 15 mei 2014, waarin is overwogen dat het door [appellant] ingediende beroepschrift gericht tegen het besluit van 22 oktober 2013 als een bezwaar dient te worden behandeld, het bezwaar van [appellant] gericht tegen de besluiten van 4 juni 2013 en 22 oktober 2013 ongegrond verklaard.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [persoon] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2015, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. E. Gadzo, adovcaat te Bergen op Zoom, en het college, vertegenwoordigd door C. Franken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [namen 4 personen], bijgestaan door mr. A.P.E. de Brouwer, advocaat te Roosendaal, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 4 juni 2013 bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel is door het college te kennen gegeven dat het bezwaar van [appellant] van 22 juni 2010 gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 19 augustus 2009 gegrond wordt verklaard. Volgens de rechtbank is dit een beslissing op het bezwaar van [appellant] tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag en derhalve is voldaan aan de in de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2013 opgenomen opdracht om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Nu het college volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar van [appellant] dat niet tijdig is beslist op de aanvraag heeft de rechtbank het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het eerste onderdeel niet-ontvankelijk verklaard.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat het tweede onderdeel van het besluit van 4 juni 2013 is gericht op het positief beslissen op de aanvraag van [appellant] om handhavend op te treden. De rechtbank overweegt dat de daadwerkelijke handhavingsbesluiten eerst op 22 oktober 2013 zijn genomen en tezamen met het tweede onderdeel van het besluit van 4 juni 2013 een besluit op de aanvraag van [appellant] zijn. Derhalve is het overige deel van het beroep gericht tegen een besluit waartegen bezwaar open staat. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het tweede onderdeel van het besluit eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

2. Het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de brief van 4 juni 2013 dient te worden aangemerkt als een besluit waarmee is voldaan aan de in de uitspraak van 29 mei 2013 opgenomen opdracht.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 4 juni 2013 een besluit is. Hij voert hiertoe aan dat eerst op 22 oktober 2013 een besluit is genomen naar aanleiding van zijn verzoek om handhaving en dat het college in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gehandeld, nu het college gehouden is een inhoudelijk besluit op zijn aanvraag te nemen. Gelet hierop heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat, gelet op de uitspraak van 29 mei 2013, € 15.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. Hij verwijst in dit kader naar uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2005 en 5 maart 2014 in zaak nrs. 200406950/1 en 201302759/1/A1 en 201301347/1/A1.

3.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

3.2. De rechtbank heeft de brief van 4 juni 2013 ten onrechte aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hierbij is van belang dat artikel 7:11 van de Awb met zich brengt dat het college niet kan volstaan met een gegrondverklaring, maar dat tevens een besluit op de aanvraag dient te worden genomen. De enkele gegrondverklaring van het bezwaar kan niet als een besluit worden aangemerkt. Het beroep bij de rechtbank is dan ook alleen gericht tegen het uitblijven van een besluit op het door appellant gemaakte bezwaar, dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld.

Bij onderscheiden besluiten van 22 oktober 2013 is het college overgegaan tot handhavend optreden. Gelet hierop heeft [appellant] in zoverre geen belang meer bij de behandeling van zijn beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. De Afdeling ziet geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen, nu de rechtbank het beroep van [appellant] eveneens, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Tegen het besluit van 3 juni 2014 is beroep ingesteld bij de rechtbank. De Afdeling zal dit besluit niet in de beoordeling betrekken, nu partijen ter zitting van de Afdeling te kennen hebben gegeven dat zij daarover een inhoudelijk oordeel van de rechtbank wensen. Voorts zal de rechtbank behalve over dat besluit ook over het besluit van 5 augustus 2014 dienen te oordelen, nu daarin eveneens inhoudelijk is ingegaan op de onderscheiden handhavingsbesluiten van 22 oktober 2013. De Afdeling zal het beroep gericht tegen het besluit van 5 augustus 2014 verwijzen naar de rechtbank.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verwijst het beroep van [appellant A] en [appellante B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen van 5 augustus 2014 naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

700.