Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
201404620/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-065, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Binnenveld aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/505
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404620/1/R2.

Datum uitspraak: 27 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord (hierna: LTO Noord), gevestigd te Zwolle,

2. het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal,

3. het college van burgemeester en wethouders van Rhenen,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. de vereniging Bedrijvenkring Veenendaal en de coöperatie Coöperatieve Vereniging Het Ambacht/Nijverkamp U.A. (hierna tezamen en in enkelvoud: Bedrijvenkring Veenendaal), beide gevestigd te Veenendaal,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2014, kenmerk PDN/2014-065, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het gebied Binnenveld aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben LTO Noord, het college van Veenendaal, het college van Rhenen, [appellant sub 4] en Bedrijvenkring Veenendaal beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2015, waar LTO Noord, vertegenwoordigd door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle, het college van Veenendaal, vertegenwoordigd door mr. M.G. Wassenaar en B.C.A. Huijsmans, beiden werkzaam bij de gemeente, het college van Rhenen, vertegenwoordigd door J.M. van Maanen, werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 4] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman en ir. D. Bal, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

1.1. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 29 april 2014, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is begonnen op 30 april 2014 en voortduurde tot en met 10 juni 2014. Het beroepschrift van Bedrijvenkring Veenendaal van 11 juni 2014 is blijkens het poststempel op 12 juni 2014 ter post bezorgd en is op 13 juni 2014 bij de Raad van State ingekomen. Het beroepschrift is derhalve niet tijdig ingediend.

Bedrijvenkring Veenendaal voert als reden voor deze termijnoverschrijding aan dat de beroepstermijn ontoereikend is, omdat, gelet op de complexiteit, veel tijd is gemoeid met het inwinnen van informatie bij deskundigen en met het overleg met de eigen leden. Daarin bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat Bedrijvenkring Veenendaal redelijkerwijs niet kan worden verweten dat het beroep, dat werd ingesteld op nader aan te voeren gronden, niet tijdig is ingesteld.

Het beroep van Bedrijvenkring Veenendaal is niet-ontvankelijk.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover van belang, wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de lidstaten overeenkomstig de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, wijst de betrokken lidstaat, wanneer een gebied volgens de procedure van artikel 21 van die richtlijn tot een gebied van communautair belang is verklaard, het gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als Habitatrichtlijngebied en stelt hij tevens de prioriteiten vast, gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande bedreiging van achteruitgang en vernietiging.

Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties van in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het vierde lid gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

Gebiedsbeschrijving

3. Het gebied Binnenveld bestaat uit de twee deelgebieden Bennekomse Meent en de Hel/Blauwe Hel, gelegen aan weerszijden van de waterloop de Grift tussen Veenendaal en Ede.

Aanwijzing

4. LTO Noord betoogt dat het gebied ten onrechte is aangewezen voor het habitattype blauwgrasland (H6410). Zij voert daartoe aan dat in de toelichting op het besluit ten onrechte staat dat het gebied een van de belangrijkste gebieden voor dit habitattype is. De oppervlakte blauwgrasland in het gebied behoort namelijk niet tot de vijf grootste oppervlakten blauwgrasland in Nederland, aldus LTO Noord.

LTO Noord betoogt voorts dat het gebied ten onrechte is aangewezen voor het habitattype veenmosrietland (H7140B). Zij stelt daartoe dat het oppervlak veenmosrietland in het gebied slechts 0,4 hectare is. Daarnaast is van de zestien in het profielendocument voor veenmosrietland genoemde typische soorten alleen van de kamvaren met zekerheid vastgesteld dat deze in het gebied voorkomt, aldus LTO Noord.

4.1. De staatssecretaris stelt dat het gebied is aangewezen omdat het een relatief grote oppervlakte van het habitattype blauwgrasland (H6410) omvat. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat het gebied het laatste restant is van een voorheen groot gebied waarin bovendien blauwgrasland van hoge kwaliteit voorkomt. Het habitattype veenmosrietland (H7140B) bestaat volgens de staatssecretaris in dit gebied uit het vegetatietype veenmosrietland, waarvan de kamvaren de kenmerkende soort is. Dat niet alle typische soorten aanwezig zijn doet daar volgens de staatssecretaris niet aan af. Ter zitting heeft de staatssecretaris dit aangevuld door te stellen dat pas wordt afgezien van aanwijzing in het geval de aanwezige oppervlakte van een habitattype dusdanig beperkt is dat sprake is van een verwaarloosbare bijdrage.

4.2. Blijkens het Natura 2000 Profielendocument verkeert het habitattype blauwgraslanden (H6410) momenteel in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Het habitattype veenmosrietland (H7140B) verkeert in een matig ongunstige staat van instandhouding. Voor beide habitattypen is op landelijk niveau hiervoor een verbeteropgave geformuleerd.

Door LTO Noord is niet bestreden dat het habitattype blauwgraslanden (H6410) in het aangewezen gebied voorkomt. Ter zitting heeft de staatssecretaris uiteengezet dat de aanwezigheid van het habitattype veenmosrietland (H7140B) is vastgesteld aan de hand van de aanwezigheid van het vegetatietype veenmosrietland. De aanwezigheid van dit vegetatietype wordt in de vegetatiekunde vastgesteld indien naast de combinatie van riet met veenmossen ten minste één voor dit vegetatietype kenmerkende soort, bijvoorbeeld de kamvaren, wordt aangetroffen, aldus de staatssecretaris. In hetgeen LTO Noord heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aldus door de staatssecretaris gehanteerde methode om te beoordelen of in het gebied het habitattype veenmosrietland (H7140B) voorkomt, onjuist is. LTO Noord heeft voorts niet betwist dat, naast de combinatie van riet met veenmossen, de kamvaren in het gebied voorkomt. Gelet hierop geeft het betoog van LTO Noord geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het habitattype veenmosrietland (H7140B) voorkomt in het gebied.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 maart 2014 in zaak nr. 201306275/1/R2, is bij de aanwijzing van een gebied de exacte omvang van de kwalificerende habitattypen niet van belang zolang het geen zogenoemde ‘verwaarloosbare bijdrage’ aan de landelijke doelstelling betreft. LTO Noord heeft niet aannemelijk gemaakt dat de oppervlakten van de habitattypes blauwgraslanden (H6410) en veenmosrietland (H7140B) dusdanig beperkt zijn dat om die reden aanwijzing van het gebied voor die habitattypen een verwaarloosbare bijdrage aan de landelijke doelstellingen levert. Hetgeen LTO Noord heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris het gebied ten onrechte voor de habitattypen blauwgraslanden (H6410) en veenmosrietland (H7140B) heeft aangewezen.

Het betoog faalt.

5. LTO Noord betoogt dat de aanwijzing voor de soort geel schorpioenmos (H1393) onterecht is, omdat niet bekend is op welke oppervlakte deze soort voorkomt. Daarmee zou de aanwezigheid van deze soort ‘aanwezig maar verwaarloosbaar’ kunnen zijn, zodat de aanwijzing voor deze soort onterecht is.

5.1. De staatssecretaris heeft onweersproken gesteld dat geel schorpioenmos (H1393) op twee plaatsen in het gebied is vastgesteld. Voorts heeft hij gesteld dat het gebied de enige vindplaats van deze soort is buiten het gebied De Wieden. Verder stelt hij dat geel schorpioenmos (H1393), een soort met een landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding, profiteert van de uitbreiding van het habitattype overgangs- en trilvenen (H7140). Voorts stelt de staatssecretaris dat bij soorten niet van belang is hoe groot de groeiplaats is. Bij soorten gaat het erom of er een populatie is en niet een enkel exemplaar. In dit geval is duidelijk vastgesteld dat het om een populatie gaat, aldus de staatssecretaris.

5.2. De enkele stelling van LTO Noord dat niet bekend is op welke oppervlakte de soort geel schorpioenmos voorkomt, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in het gebied een of meer populaties geel schorpioenmos (H1393) voorkomen en evenmin voor het oordeel dat de staatssecretaris het gebied ten onrechte voor de soort geel schorpioenmos (H1393) heeft aangewezen.

Het betoog faalt.

Instandhoudingsdoelstellingen

6. LTO Noord betoogt dat in het aanwijzingsbesluit voor de oppervlakte van het habitattype blauwgrasland (H6410) en voor het habitattype trilveen (H7140A) ten onrechte uitbreidingsdoelstellingen zijn opgenomen. LTO Noord stelt daartoe dat de uitbreidingsdoelstellingen voor de oppervlakten van de habitattypen blauwgrasland (H6410) en trilveen (H7140A) slechts kunnen worden behaald met een forse inspanning omdat de oppervlakte van beide habitattypen al decennia stabiel is. Het gebied behoort niet tot de vijf belangrijkste gebieden voor het habitattype blauwgrasland (H6410), aldus LTO Noord. Verder behoort uitbreiding van het habitattype trilveen (H7140A) volgens LTO Noord gezien de nabijheid van een vuilstort ecologisch niet tot de mogelijkheden.

De colleges van Veenendaal en Rhenen betogen dat de haalbaarheid en betaalbaarheid van de verbeterdoelstellingen niet inzichtelijk zijn gemaakt en derhalve ten onrechte niet bij de belangenafweging zijn betrokken. Zij voeren daartoe aan dat voor de instandhoudingsdoelstellingen een stabiele hoge grondwaterstand en aanvoer van basenrijk grondwater van belang zijn en dat nog niet duidelijk is welke maatregelen daartoe worden getroffen. Als het peil van de Grift wordt verhoogd heeft dit volgens hen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding van het omringende gebied en zijn aan een oplossing daarvoor hoge kosten verbonden. Een alternatieve maatregel om een stabiele hoge grondwaterstand en aanvoer van basenrijk grondwater te bewerkstelligen is het aanbrengen van zogenoemde kwelputten. Dat alternatief is niet bij het bestreden besluit betrokken, zodat het besluit ontoereikend is gemotiveerd, terwijl de kosten van dit alternatief nog niet bekend zijn, aldus de colleges van Veenendaal en Rhenen.

6.1. De habitattypen blauwgrasland (H6410) en trilveen (H7140A) verkeren blijkens het Profielendocument landelijk beide in een zeer ongunstige staat van instandhouding, met het oog waarop daarvoor op landelijk niveau een uitbreidings- en verbeterdoelstelling geldt. Gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, kan, indien een gebied wordt aangewezen voor een habitattype, in het aanwijzingsbesluit niet worden volstaan met een instandhoudingsdoelstelling die ertoe leidt dat het desbetreffende habitattype op landelijk niveau in een zeer ongunstige staat van instandhouding blijft verkeren dan wel komt te verkeren. Uit het hiervoor aangehaalde artikel van de Habitatrichtlijn volgt immers dat de lidstaat in beginsel is gehouden om alle benodigde maatregelen te treffen om habitattypen in een gunstige staat van instandhouding te behouden dan wel te herstellen. Nu de aanwijzing van het gebied Binnenveld voor het habitattype blauwgrasland (H6410) - gelet op het overwogene onder 4.2. - niet onjuist was en de aanwijzing voor het habitattype trilveen (H7140A) niet in geschil is, dienen in het beheerplan maatregelen te worden opgenomen die de benodigde draagkracht van het gebied voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstelling voor deze habitattypen waarborgen.

6.2. In de "Nota van Antwoord inspraakprocedure aanwijzing Natura 2000-gebieden", gedateerd november 2007, waarnaar de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit verwijst, is uiteengezet dat bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ wordt gehanteerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2014 in zaak nr. 201306275/1/R2) kunnen bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau economische overwegingen weliswaar een rol spelen, maar kan de toepassing van het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ door de staatssecretaris niet ertoe leiden dat hiermee een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau niet zal worden bereikt.

6.3. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat bij de toepassing van het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ in de eerste plaats wordt beoordeeld of uitbreiding natuurtechnisch mogelijk is. Dat betekent dat wordt beoordeeld of er in het gebied locaties zijn waar uitbreiding van het habitattype mogelijk is. In de tweede plaats wordt onderzocht of het habitattype zich aldaar kan uitbreiden. In de derde plaats wordt die mogelijkheid van verbetering op landelijk niveau vergeleken met de mogelijkheden daartoe ten plaatse van andere Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt dan bezien of het betrokken gebied behoort tot de meest geschikte gebieden om de landelijke doelstelling te bereiken. In de vierde plaats wordt gekeken naar de daarmee gepaard gaande kosten, waarbij ter zake ook een vergelijking plaatsvindt met de kosten verbonden aan de verbetering van de andere daarvoor in aanmerking komende gebieden, en wel in die zin of de kosten verbonden aan de verbetering van het betrokken gebied, niet onevenredig zijn, aldus de staatssecretaris.

6.4. De staatssecretaris heeft ter zitting voorts toegelicht hoe het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ is toegepast op het gebied Binnenveld. De uitbreiding is volgens de staatssecretaris natuurtechnisch mogelijk, omdat in het deelgebied de Hel/de Blauwe Hel de benodigde fysieke ruimte aanwezig is. In het deelgebied de Bennekomse Meent zijn in het verleden gronden aangekocht die nu deel uitmaken van het gebied Binnenveld, zodat daar ook ruimte bestaat. Dat de habitattypen zich in het gebied Binnenveld kunnen uitbreiden is volgens de staatssecretaris onderbouwd in het bestreden besluit. Voor een landelijke vergelijking van de mogelijkheid van verbetering wijst de staatssecretaris erop dat voor een gunstige staat van instandhouding uitbreidingen in gebieden met grote potentie noodzakelijk zijn. Het gebied Binnenveld is een van de weinige gebieden in Nederland met een grote kweldruk, afkomstig van de Veluwe, waardoor het gebied een grote potentie heeft. Alle blauwgraslanden kennen hydrologische problemen, die met zich brengen dat het herstel van de blauwgraslanden met kosten gepaard gaat. Voor het gebied Binnenveld zijn deze kosten, in relatie tot de kosten verbonden aan herstel in andere gebieden, niet onevenredig, aldus de staatssecretaris. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de verbeterdoelstellingen gefaseerd over een lange periode kunnen worden gerealiseerd en de daaraan verbonden kosten dus ook over een langere periode worden verdeeld.

6.5. Dat, naar LTO Noord stelt, het gebied niet tot de vijf belangrijkste gebieden voor het habitattype blauwgrasland (H6410) behoort en de oppervlakte van de habitattypen blauwgrasland (H6410) en trilveen (H7140A) de laatste tien jaar stabiel is, betekent niet dat de staatssecretaris geen uitbreidingsdoelstelling voor die habitattypen kon opnemen. LTO Noord heeft niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat door de nabijheid van een vuilstort de uitbreiding van de oppervlakte trilveen niet haalbaar is.

Het betoog faalt.

6.6. Het met betrekking tot aanwijzingsbesluiten gevoerde beleid inzake ‘haalbaar en betaalbaar’, zoals dat hiervoor uiteen is gezet, ziet op de meest efficiënte aanwending van financiële middelen om een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau te bereiken. Uit de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit of het Doelendocument blijkt niet dat dit beleid mede strekt tot zekerstelling van de benodigde financiële middelen voor het uitvoeren van de maatregelen ten behoeve van het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.

Dat, naar de colleges van Veenendaal en Rhenen stellen, de hydrologische maatregelen ingeval van peilverhoging van de Grift gepaard gaan met hoge kosten voor oplossingen voor de gevolgen daarvan en ingeval van het aanbrengen van kwelputten gepaard gaan met thans nog onbekende kosten, is ontoereikend voor het oordeel dat de staatssecretaris, in aanmerking genomen dat de verbeterdoelstellingen gefaseerd over een lange periode kunnen worden gerealiseerd en de daaraan verbonden kosten dus ook over een langere periode worden verdeeld, het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’ onjuist heeft toegepast. Voor zover de colleges van Veenendaal en Rhenen stellen dat na het nemen van het besluit is gebleken dat peilverhoging van de Grift geen bruikbare maatregel is om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen halen, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, met die enkele stelling niet is gegeven dat geen maatregelen mogelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Deze stelling kan daarom evenmin leiden tot het oordeel dat het uitgangspunt "haalbaar en betaalbaar" onjuist is toegepast.

Pas in het nog vast te stellen beheerplan hoeft concreet inzicht te bestaan in de aard en de omvang van de te treffen maatregelen. In de fase van het besluit tot aanwijzing als Natura 2000-gebied hoeven derhalve de te treffen maatregelen zelf en de financiële dekking daarvan nog niet vast te staan. Daaruit volgt ook dat de omstandigheid dat, naar de colleges van Veenendaal en Rhenen stellen, de mogelijkheid tot het aanbrengen van kwelputten niet bij het bestreden besluit is betrokken, evenmin leidt tot het oordeel dat het besluit op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.

De betogen falen.

Overige beroepsgronden

7. [appellant sub 4] betoogt dat de aanwijzing van het gebied leidt tot problemen voor zijn agrarische bedrijfsvoering en leidt tot een waardedaling van zijn gronden. Hij betoogt voorts dat de aanwijzing van het gebied niet in het algemeen belang is. Hij voert daartoe aan dat het gebied niet kan bijdragen aan het voorzien in de toenemende algemene voedselbehoefte, omdat het gebied door de aanwijzing niet voor agrarische doeleinden kan worden gebruikt.

7.1. Het gebied Bennekomse Meent is door de Europese Commissie bij beschikking van 7 november 2013 op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn bestaat derhalve de verplichting tot aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn, waartoe het bestreden besluit strekt.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, punten 16 en 25 (www.curia.europa.eu). Gelet op dit arrest heeft de staatssecretaris terecht eventuele negatieve gevolgen voor de agrarische activiteiten van [appellant sub 4] en het algemeen belang van voorziening in de voedselbehoefte niet betrokken bij de selectie en begrenzing van het gebied.

Het betoog faalt.

7.2. Ten aanzien van de gestelde waardedaling van de gronden overweegt de Afdeling dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998, een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze regeling valt evenwel buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet inhoudelijk ter beoordeling staat.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

8. In hetgeen LTO Noord, het college van Veenendaal, het college van Rhenen en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de vereniging Bedrijvenkring Veenendaal en de coöperatie Coöperatieve Vereniging Het Ambacht/Nijverkamp U.A. niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, het college van burgemeester en wethouders van Rhenen en [appellant sub 4] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Taal

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015

325-803.