Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
20-05-2015
Zaaknummer
201406751/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) verleend voor een schapen- en rundveehouderij op het perceel [locatie 1] te Zevenhoven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406751/1/A4.

Datum uitspraak: 20 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Zevenhoven, gemeente Nieuwkoop, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) verleend voor een schapen- en rundveehouderij op het perceel [locatie 1] te Zevenhoven.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door drs. O.A.M. Beckers en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. van der Wijst, ing. H.P.L. Beijerbergen en A.A.F. Hennekam, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het college geweigerd de door [vergunninghouder] gevraagde revisievergunning voor de inrichting te verlenen. Bij uitspraak van 24 juli 2013 in zaak nr. 201203892/1/A4 heeft de Afdeling dat besluit vernietigd. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw besloten op de aanvraag en daarbij de vergunning verleend voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien, 58 stuks vrouwelijk jongvee en 1.300 schapen in een nieuw op te richten schapenstal. Op 14 december 1999 was voor de inrichting vergunning verleend voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien, 58 stuks vrouwelijk jongvee en 85 schapen.

2. [appellant] betoogt dat het bestreden besluit is ondertekend door het Hoofd afdeling Reguleren, terwijl uit de door hem geraadpleegde mandaatregeling van de Omgevingsdienst niet kan worden afgeleid dat dit afdelingshoofd bevoegd is tot het tekenen van dit besluit.

2.1. Het bestreden besluit is genomen namens het college door het Hoofd afdeling Reguleren van de Omgevingsdienst West-Holland.

Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het college de bevoegdheid tot onder meer het nemen van besluiten over milieuvergunningen gemandateerd aan de directeur van de Omgevingsdienst West-Holland. Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Instructie directeur Omgevingsdienst West-Holland, vastgesteld op 4 maart 2013, kan de directeur de aan hem verleende bevoegdheden verlenen aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Bij besluit van 9 mei 2014 (Stcrt. 2014, 13406) heeft de directeur aan de afdelingshoofden van de omgevingsdienst ondermandaat verleend voor onder meer het nemen van besluiten als hier in geding. Gelet hierop is het bestreden besluit bevoegdelijk genomen en ondertekend.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat niet duidelijk is welk toetsingskader het college bij de beoordeling van de aanvraag heeft gebruikt. In het bestreden besluit wordt zowel verwezen naar het vóór 1 oktober 2010 geldende recht als naar nadien geldende regelgeving, zoals het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en de gemeentelijke verordening geurhinder en veehouderij van 12 december 2013. Indien de inrichting, zoals het college stelt, na het onherroepelijk worden van de vergunning onder het Activiteitenbesluit komt te vallen, had de aanvraag moeten worden beoordeeld als een melding als bedoeld in dat besluit. In dat geval - en ook overigens - had het college moeten uitgaan van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en niet van het Besluit m.e.r. zoals dat gold ten tijde van het indienen van de aanvraag. Verder hadden de gevolgen van de inrichting voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en De Haeck" moeten worden getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998, aldus [appellant].

3.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten, waaronder de Wet milieubeheer, gewijzigd.

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en de vaststelling van de beschikking op de aanvraag om een milieuvergunning indien vóór dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

Nu de aanvraag is ingediend op 1 juni 2008 zijn de wetswijzigingen op dit geding niet van toepassing en heeft het college in zoverre terecht het recht toegepast zoals dat gold vóór 1 oktober 2010. Voor zover het gaat om regelgeving die niet bij de Invoeringswet Wabo is gewijzigd en geen betrekking heeft op de milieueffectrapportage (zie onder 3.3), heeft het college terecht het recht toegepast zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold.

3.2. De vraag welke regelgeving op de inrichting van toepassing wordt na het onherroepelijk worden van het bestreden besluit, is niet relevant voor het bepalen van het toetsingskader voor het beslissen op de aanvraag. Ook voor het overige is deze vraag in het kader van deze procedure niet van belang.

3.3. Het Besluit m.e.r. is bij Besluit van 21 februari 2011, Stb. 102, in werking getreden op 1 april 2011, gewijzigd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201201469/1/A4) is niet beoogd de wijzigingen onmiddellijke werking te laten hebben. Indien de aanvraag om een milieuvergunning vóór 1 april 2011 is ingediend, dient te worden uitgegaan van het Besluit m.e.r., zoals dat luidde vóór die datum. Nu de aanvraag waarop het thans bestreden besluit is genomen vóór 1 april 2011 is ingediend, is het Besluit m.e.r. zoals dat luidde vóór die datum van toepassing. Het college heeft dus terecht getoetst aan het Besluit m.e.r. zoals dat gold vóór 1 april 2011.

3.4. De gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en De Haeck" dienen te worden beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en niet in het kader van de Wet milieubeheer. Zie hiervoor de uitspraak van 25 februari 2009 in zaak nr. 200802533/1/M2.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgrond over het gehanteerde toetsingskader niet slaagt.

4. [appellant] betoogt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd of en in hoeverre de aan de stal grenzende weilanden onderdeel uitmaken van de inrichting. Het college had moeten onderzoeken of de weilanden intensief worden gebruikt, zodat deze bij de inrichting hadden moeten worden betrokken. Binnen de inrichting worden vleeskoeien gehouden en geen melk- en kalfkoeien. Het college had bij de beoordeling van de aanvraag daarom moeten uitgaan van de feitelijke situatie, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200907717/1/M2) is het aan degene die een milieuvergunning vraagt, en niet aan het vergunningverlenend bestuursorgaan, om te bepalen voor welke inrichting vergunning wordt gevraagd. Wanneer de vergunning wordt verleend, is het vervolgens de verantwoordelijkheid van de drijver van de inrichting om deze in overeenstemming met de vergunning in werking te hebben. Het college dient gelet hierop te beslissen op de aanvraag om vergunning, zoals deze is ingediend, ook als deze afwijkt van de op dat moment bestaande feitelijke situatie.

Op de bij de aanvraag behorende tekening is de begrenzing van de inrichting weergegeven. Volgens die tekening maken de aangrenzende weilanden geen onderdeel uit van de inrichting. Verder ziet de aanvraag onder meer op het houden van melk- en kalfkoeien. Gelet hierop heeft het college bij het bestreden besluit dan ook terecht de aanvraag om vergunning, en niet de feitelijke situatie, tot uitgangspunt genomen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het college de vergunning op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) had moeten weigeren. Daartoe voert hij aan dat de activiteiten met betrekking tot het rundvee zijn gewijzigd. Volgens hem ziet de aanvraag tevens op het houden van 82 zoogkoeien die eerst niet waren vergund, zodat het aantal dieren van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, toeneemt en artikel 5, tweede lid, van de Wgv toepassing mist.

5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 m indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, wordt, indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, een vergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.

5.2. Niet in geschil is dat de afstand van stal C tot aan de buitenzijde van de dichtstbijzijnde woning 20 m bedraagt en derhalve minder is dan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv genoemde afstand. Dit is de woning [locatie 3] van [appellant B]. Voor de diercategorieën A 1 (melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) en A 2 (zoogkoeien ouder dan 2 jaar) van bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. De op 14 december 1999 voor de inrichting verleende vergunning ziet op het houden van onder meer 82 melk- en kalfkoeien. Bij het bestreden besluit is wederom vergunning verleend voor 82 melk- en kalfkoeien, die worden gehouden in dezelfde stal (stal C) als waar de vergunning van 14 december 1999 op ziet. Weliswaar zag de vergunningaanvraag, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, eerst op het houden van zoogkoeien maar op verzoek van [vergunninghouder] is de aanvraag op dit punt gewijzigd. Bij het bestreden besluit is noch het huisvestingsysteem van stal C noch de diercategorie gewijzigd. Zowel in de in 1999 vergunde situatie als in de thans vergunde situatie gaat het om categorie A 1 van bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij. Gelet hierop neemt, anders dan [appellant] betoogt, het aantal dieren van één diercategorie niet toe en heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 5, tweede lid, van de Wgv van toepassing is.

Het betoog faalt.

De Afdeling merkt in dit verband overigens op dat de bij het bestreden besluit vergunde melk- en kalfkoeien vallen onder categorie A.1.100.1 van de bijlage van de Regeling ammoniak en veehouderij (hierna: Rav). Onbestreden is dat de in 1999 verleende vergunning ziet op diercategorie A.1.6.1 van de bijlage van de Rav, zoals deze ten tijde van de inwerkingtreding daarvan op 8 mei 2002 luidde. Bij wijziging van de Rav op 8 mei 2009 (Stcrt. 2009, 82), is categorie A.1.6.1 van de bijlage vernummerd naar categorie A.1.100.1. Ook in zoverre is geen sprake van een wijziging ten opzichte van de eerder vergunde situatie.

6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, (oud) bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, (oud) kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid (oud) worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, (oud) volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

7. [appellant] betoogt dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opslag van uien is toegestaan. Hij voert aan dat de opslag van uien de afgelopen jaren heeft geleid tot geuroverlast waartegen handhavend is opgetreden.

7.1. Het college stelt dat de aangevraagde opslag van uien niet is veranderd ten opzichte van de reeds geldende milieuvergunning. Daarnaast wijst het college op de voorschriften die ter beperking van geuroverlast van de opslag aan de vergunning zijn verbonden.

7.2. In hoofdstuk 4.17 zijn voorschriften aan de vergunning verbonden die betrekking hebben op de opslag van bijproducten. In deze voorschriften is vermeld wat de maximale capaciteit van de opslag is, wat de minimale afstand tot de dichtstbijzijnde woning mag zijn, dat de opslag blijvend afgedekt moet zijn en dat gemorste bijproducten meteen verwijderd moeten worden. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze voorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten om geuroverlast te voorkomen of in voldoende mate te beperken.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt dat de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de woning [locatie 3], opgenomen in vergunningvoorschrift 4.1.1, ontoereikend zijn om geluidhinder van de inrichting te voorkomen. Daartoe voert hij aan dat het college ten onrechte heeft aangesloten bij de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit, zoals dat per 1 januari 2013 luidt, omdat dit besluit niet van toepassing is op de inrichting. Volgens hem had het college voor de woning [locatie 3] de richtwaarden van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) moeten voorschrijven.

8.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.1 mag de geluidbelasting voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de inrichting op de gevel van de woning [locatie 3] niet meer bedragen dan 44, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond en nachtperiode.

8.2. Het college heeft bij het vaststellen van geluidgrenswaarden de Handreiking als uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn voor het equivalente geluidsniveau richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving. Voor landelijk gebied zijn richtwaarden aanbevolen van 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen opnieuw te toetsen aan de richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

8.3. De voor de avond- en nachtperiode voorgeschreven waarden van 35 en 30 dB(A) komen overeen met de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden.

De waarde voor de dagperiode van 44 dB(A) is gebaseerd op het rapport "Akoestisch onderzoek dhr. P. [vergunninghouder] [locatie 1] te Zevenhoven", van Greten Raadgevende Ingenieurs van 3 september 2008 (hierna: het akoestisch rapport). Volgens het akoestisch rapport wordt de richtwaarde van 40 dB(A) in de dagperiode ter hoogte van de woning [locatie 3] met 4 dB(A) overschreden.

Het college heeft de overschrijding van de richtwaarde toelaatbaar geacht op grond van een bestuurlijke afweging. Daarbij heeft het college overwogen dat de overschrijding van de richtwaarde voornamelijk wordt veroorzaakt door transportbewegingen van vrachtwagens en tractoren, die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering en dat in zoverre geen geluidreducerende maatregelen kunnen worden getroffen omdat het materieel van derden betreft. De desbetreffende transportactiviteiten zijn noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Het college wijst er voorts op dat het gaat om een voor de dagperiode geldende grenswaarde, die de in de bestaande vergunning en in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarde van 45 dB(A) niet overschrijdt. Het college heeft verder van belang geacht dat met een geluidscherm met een lengte van 40 m en een hoogte van 3 m slechts een geluidreductie van 2 dB(A) kan worden bereikt en dat de kosten van een dergelijk scherm minimaal € 18.000,00 bedragen. Volgens het college staan deze kosten niet in redelijke verhouding tot de daarmee verkregen geluidbeperking.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de bestuurlijke afweging niet van deze feiten en omstandigheden mocht uitgaan. Anders dan [appellant] betoogt valt niet in te zien dat het college de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidgrenswaarden niet bij die afweging mocht betrekken.

Gelet op de gemaakte belangenafweging heeft het college de geluidgrenswaarde van 44 dB(A) voor de woning [locatie 3] in redelijkheid toereikend kunnen achten om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt dat de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden voor het maximaal geluidsniveau bij de woning [locatie 3] niet overeenkomen met de in de Handreiking aanbevolen waarden en niet toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen.

9.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.1 mag het maximaal geluidsniveau veroorzaakt door de inrichting op de gevel van de woning [locatie 3] niet meer bedragen dan 73, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond en nachtperiode.

Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.3 mag - in afwijking van voorschrift 4.1.1 - het maximaal geluidsniveau op de gevel van de woning [locatie 3] bij het vullen van de kunstmestsilo (1 maal per jaar) en bij de afvoer van stromest (5 maal per jaar) niet meer bedragen dan 73 dB(A) in de dagperiode en bij het verladen van rundvee (6 maal per jaar) niet meer bedragen dan 73 dB(A) in de dag- en nachtperiode.

9.2. Zoals overwogen, heeft het college bij het vaststellen van geluidgrenswaarden de Handreiking als uitgangspunt genomen. In paragraaf 3.2 van de Handreiking wordt aanbevolen de maximale geluidniveaus te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het equivalente geluidsniveau gestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De grenswaarde voor de dagperiode van 70 dB(A) mag met ten hoogste 5 dB(A) worden overschreden indien sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidniveau te beperken. Deze uitzonderlijke bedrijfssituaties dienen in de vergunning te worden aangegeven. Voor de nachtperiode kunnen voor nader in de vergunning omschreven bedrijfssituaties en onder bepaalde voorwaarden maximale geluidsniveaus worden vergund tot 65 dB(A), aldus paragraaf 3.2 van de Handreiking.

9.3. De in vergunningvoorschrift 4.1.1 opgenomen waarden van 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de avond- en nachtperiode zijn volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling in redelijkheid toereikend te achten om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken (uitspraak van 21 juli 2010 in zaak nr. 200908139/1/M2).

Volgens de Handreiking kan slechts in uitzonderlijke, onder 9.2 beschreven situaties, aanleiding bestaan voor het met ten hoogste 5 dB(A) afwijken van de richtwaarde van 70 dB(A). Het college heeft in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd dat de in vergunningvoorschrift 4.1.1 opgenomen waarde van 73 dB(A) toereikend is om geluidhinder te voorkomen.

De in vergunningvoorschrift 4.1.3 voorgeschreven waarde van 73 dB(A) voor de dagperiode ten behoeve van het vullen van de kunstmestsilo, de afvoer van stromest en het verladen van rundvee en voor de nachtperiode ten behoeve van het verladen van rundvee, is gebaseerd op het akoestisch rapport, waarin deze waarde is vermeld. Het college heeft echter niet gemotiveerd dat het hier gaat om voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situaties waarin technische noch organisatorische maatregelen kunnen worden getroffen om het geluidniveau te beperken. In dit verband is niet aannemelijk gemaakt dat, zoals [appellant] stelt, een alternatieve ontsluiting niet mogelijk is. Het bestreden besluit berust op dit punt evenmin op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt in zoverre. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd.

10. [appellant] betoogt dat de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Volgens hem zijn in het akoestisch rapport de melktransporten en het laden van kadavers ten onrechte niet bij de berekening van de geluidbelasting betrokken. Verder voert hij aan dat in het akoestisch rapport ten onrechte is uitgegaan van één transportbeweging per drie weken voor het verladen van de schapen. Volgens [appellant] is dit onvoldoende.

10.1. Het college heeft erkend dat in het akoestisch rapport het laden en lossen van kadavers niet bij de berekening van de geluidbelasting is betrokken. Uit een indicatieve berekening blijkt dat het laden van kadavers zal leiden tot een overschrijding van de in voorschrift 4.1.1 opgenomen geluidgrenswaarden voor de woning [locatie 3]. Het college stelt echter dat het laden van kadavers onder vergunningvoorschrift 4.1.2 valt, zodat daarvoor geen speciale grenswaarden in de vergunning hoeven te worden opgenomen. Verder heeft het college ter zitting erkend dat ook de melktransporten niet bij de berekening van de geluidbelasting zijn betrokken; deze activiteiten vallen volgens hem eveneens onder vergunningvoorschrift 4.1.2.

10.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.2 zijn de in voorschrift 4.1.1 opgenomen geluidnormen in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur niet van toepassing op laad- en losactiviteiten, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid.

10.3. Uit paragraaf 3.3 van de Handreiking volgt dat maximale geluidniveaus, indien deze niet worden veroorzaakt door de hoofdactiviteit van het bedrijf, na een bestuurlijke afweging kunnen worden uitgezonderd van voorschriften. Als voorkomende activiteiten worden onder andere het laden en lossen van goederen op het terrein van de inrichting genoemd. Anders dan waar het college van uitgaat, biedt de Handreiking geen mogelijkheid om deze uitzondering te maken voor het equivalente geluidniveau. Verder leidt deze uitzondering er toe dat aan de desbetreffende activiteiten, die inherent zijn aan de bedrijfsvoering, vrijwel geen beperkingen meer zijn gesteld. Vergunningvoorschrift 4.1.2, voor zover daarbij de daarin genoemde activiteiten worden uitgezonderd van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, komt dan ook wegens strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer voor vernietiging in aanmerking. Dit leidt ertoe dat deze activiteiten mogelijk niet kunnen worden uitgevoerd zonder overschrijding van de in vergunningvoorschrift 4.1.1 opgenomen grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

Het betoog slaagt.

11. [appellant] betoogt dat het college de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting op onjuiste wijze heeft beoordeeld. Het college heeft alleen de geluidemissie bij de woning [locatie 2] berekend en niet bij de woning [locatie 3], terwijl die woning het dichtst bij de inrichting is gelegen, aldus [appellant].

11.1. Het college heeft bij de beoordeling van de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting aansluiting gezocht bij de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). In het bestreden besluit is overwogen dat de in de circulaire opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden.

Zoals het college ter zitting heeft erkend is de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting bij de woning [locatie 3] niet berekend alvorens op de aanvraag is beslist. Weliswaar heeft het college ter zitting gesteld dat die geluidbelasting niet meer bedraagt dan 35 dB(A), het heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke berekening hieraan ten grondslag ligt. Gelet hierop heeft het college het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

12. Het beroep is gegrond. Aangezien het geluidsaspect mede bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit wegens strijd met artikelen 8:11, derde lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop van 1 juli 2014, kenmerk 2013010635;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015

190-720.