Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
20-05-2015
Zaaknummer
201311248/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2015/6194
BR 2015/64 met annotatie van J.W. van Zundert
JOM 2015/1196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311248/1/R3.

Datum uitspraak: 20 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Ede (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Etten-Leur,

3. [appellant sub 3], h.o.d.n. [bedrijf], wonend te Etten-Leur,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te Etten-Leur,

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te Etten-Leur (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

en

de raad van de gemeente Etten-Leur,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], bijgestaan door ing. J.B.M Lauwerijssen, [appellanten sub 4], van wie [appellant sub 4A], bijgestaan door mr. W. Krijger, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen, en de raad, vertegenwoordigd door M.A.C.C. van Oers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], bij monde van [belanghebbende A], gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen bouwmogelijkheden zijn toegekend aan zijn gronden kadastraal aangeduid Q 2041 (hierna: perceel Q 2041) met de bestemming "Tuin". Hij wenst het eerder op het perceel Q 2041 aanwezige tuinhuisje, dat onder oplegging van een last onder dwangsom moest worden verwijderd, te herbouwen. De raad gaat er volgens [appellant sub 1] ten onrechte van uit dat perceel Q 2041 in samenhang moet worden bezien met de naastgelegen gronden kadastraal aangeduid Q 2040 (hierna: perceel Q 2040). [appellant sub 1] wijst erop dat het perceel Q 2040 weliswaar bij zijn vader in eigendom is geweest, maar dat deze het perceel Q 2040 heeft verkocht. Nadien is de bebouwing op het perceel Q 2040 volgens [appellant sub 1] gewijzigd, waarbij deels illegale bebouwing is opgericht. Dat hiermee de in het vorige plan maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte voor het plandeel voor beide percelen is overschreden, wordt [appellant sub 1] naar eigen zeggen ten onrechte tegengeworpen. Hij stelt dat hem tijdens een gesprek op 6 maart 2008 door een medewerker van de gemeente is meegedeeld dat de vervanging van het in slechte staat verkerende tuinhuisje was toegestaan.

2.1. Aan het perceel Q2041 is de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen en erven met bijbehorende voorzieningen;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van tuin - bloemendrogerij" tevens een bloemendrogerij;

c. groenvoorzieningen;

d. tuinpaden en in- en uitritten;

e. duikers, dammen en overkluizingen;

f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge lid 18.2, aanhef en onder 18.2.1, mag op en in de voor "Tuin" aangewezen gronden uitsluitend ten dienste van de in lid 18.1 bedoelde bestemmingsomschrijving worden gebouwd, waarbij geldt dat op en in deze gronden geen gebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd.

2.2. Het perceel Q 2041 bestaat uit bosgrond en wordt door [appellant sub 1] recreatief gebruikt. In het vorige bestemmingsplan maakte het perceel Q 2041 samen met het perceel Q 2040 deel uit van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden II". Omdat met het tuinhuisje, evenals het daarvoor aanwezige tuinhuisje dat hiermee werd vervangen, de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte binnen dit plandeel werd overschreden, heeft het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur aan [appellant sub 1] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast het tuinhuisje te verwijderen. Het tuinhuisje op het perceel Q 2041 is in 2013 verwijderd. Dat op het perceel Q 2040 eveneens illegale bebouwing is opgericht doet, wat daarvan ook zij, aan de hiervoor geschetste omstandigheden niet af. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat tegen deze bebouwing een handhavingsprocedure loopt. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat toezeggingen zijn gedaan over de herbouw van het eerste tuinhuisje, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het gespreksverslag dat als bijlage bij het deskundigenverslag is gevoegd blijkt niet dat een dergelijke toezegging is gedaan, nog daargelaten dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hiermee door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in bouwmogelijkheden voor het perceel Q 2041 zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Voor zover [appellant sub 1] de eigendomsverhoudingen van het perceel Q 2041 en het perceel Q 2040 aan de orde stelt, overweegt de Afdeling dat eigendomsverhoudingen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Slechts indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanige aard zijn dat gelet daarop niet aannemelijk is dat het bestemmingsplan binnen de planperiode kan worden gerealiseerd, kan hieraan betekenis toekomen. Dit is niet gesteld of gebleken.

De raad stelt dat het gemeentelijke beleid erop is gericht bebouwing in het buitengebied zoveel mogelijk te concentreren. Dit beleid is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De door [appellant sub 1] gewenste bouwmogelijkheden zijn hiermee in strijd. Voorts is het naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk dat de raad geen bouwmogelijkheden voor het perceel Q 2041 heeft willen opnemen om een in het verleden illegaal opgericht tuinhuisje, waartegen handhavend is opgetreden en dat is verwijderd, in dit plan mogelijk te maken. Overigens zijn, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, binnen de bestemming "Tuin" bouwmogelijkheden toegestaan ten behoeve van bouwwerken voor onderhoudsmaterialen.

Het betoog faalt.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

4. Voor een proceskosten bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2], die een planten- en boomkwekerij exploiteert aan de [locatie 1], kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.5.3, onder f, van de planregels. De raad heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd wat de planologische bezwaren zijn tegen een statische opslag in kassen tot maximaal 1000 m², mede nu in het plan statische opslag tot maximaal 1000 m² in andere agrarische bebouwing is toegestaan. [appellant sub 2] stelt dat in andere gemeenten in de omgeving statische binnenopslag in kassen wel is toegestaan.

Subsidiair betoogt [appellant sub 2] dat de bestaande bebouwing op het perceel [locatie 1] zeer geschikt is als multifunctioneel gebouw en daarom door de raad ten onrechte als kas is aangemerkt. De definitie voor kas in de planregels is volgens hem willekeurig, omdat multifunctionele gebouwen nagenoeg dezelfde bouwkundige constructie hebben. Voorts is in een vergelijkbaar gebouw in de gemeente Etten-Leur, waar thans koeien worden gehouden, volgens [appellant sub 2] wel statische opslag toegestaan.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het planologisch onwenselijk is om statische opslag in kassen toe te staan, omdat deze vaak een grote oppervlakte beslaan. De raad stelt dat de gemeente Etten-Leur een tuinbouwgemeente is met veel teeltondersteunende kassen met oppervlakten tot 5000 m² en glastuinbouwkassen met oppervlakten van 3 ha tot 8 ha. Een planregel die ertoe strekt dat statische opslag in kassen is toegestaan tot een beperkte oppervlakte is volgens de raad niet goed te handhaven. Voorts acht de raad statische opslag in kassen uit visueel oogpunt ongewenst. De raad stelt terughoudend te willen zijn met het toestaan van statische binnenopslag in het buitengebied, omdat het gemeentelijk beleid erop is gericht het buitengebied aantrekkelijk te houden voor recreatie. Statische opslag in bedrijfsgebouwen acht de raad niet onaanvaardbaar. Daarvoor bestaat volgens de raad voldoende ruimte op bedrijventerreinen.

5.2. Aan het plandeel aan de [locatie 1] zijn de bestemming "Agrarisch" en deels de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder kas verstaan: agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen, waarbij niet meer dan één agrarisch bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak.

Ingevolge het bepaalde in lid 3.5.3 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het gebruik van gronden en/of bebouwing ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw bij een agrarisch bedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…)

e. De oppervlakte aan nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven in de tabel in bijlage 1. Bij cumulatie van meerdere vormen van nevenfuncties mag de totale omvang aan nevenfuncties niet meer bedragen dan 400 m², waarbij alleen ten behoeve van statische binnenopslag maximaal 600 m² statische binnenopslag aan de toegestane 400 m² mag worden toegevoegd.

f. Buitenopslag en opslag in kassen ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw is niet toegestaan.

5.3. De Afdeling stelt mede op basis van het fotomateriaal dat als bijlage bij het deskundigenadvies is gevoegd en de omgevingsvergunning van 5 december 2006 vast dat de bestaande bebouwing op het perceel aan de [locatie 1] waar de statische binnenopslag plaatsvindt, onder de definitiebepaling voor kas in artikel 1 van de planregels valt. Naar het oordeel van de Afdeling valt niet in te zien dat deze definitie arbitrair is of onvoldoende duidelijk. Gelet op artikel 3, lid 3.1, gelezen in samenhang met lid 3.5.3, aanhef en onder f, van de planregels is het bestaande gebruik van de kas op het perceel [locatie 1] voor statische binnenopslag als nevenactiviteit in het plan niet toegestaan.

De Afdeling volgt de raad niet in zijn stelling dat het planologisch onwenselijk is om statische opslag in kassen toe te staan, omdat deze vaak een grote oppervlakte beslaan en overweegt daartoe als volgt. De raad heeft weliswaar gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat een planregel die ertoe strekt dat statische binnenopslag in kassen is toegestaan tot een beperkte oppervlakte niet goed te handhaven is. Daarbij is van belang dat in artikel 3, lid 3.5.3, aanhef en onder e, van de planregels wel een maximum voor statische binnenopslag in andere agrarische bebouwing is opgenomen. Voorts kan de Afdeling de raad niet volgen in zijn stelling dat statische opslag in kassen uit visueel oogpunt ongewenst is. Zicht op inhoud van de kassen is niet te allen tijde aan de orde, omdat lichtdoorlatend materiaal in veel gevallen niet tevens zichtdoorlatend is, zoals in het geval van de kas van [appellant sub 2]. Voorts is het gemeentelijke beleid om het buitengebied aantrekkelijk te houden voor recreatie weliswaar niet onredelijk, maar de raad heeft gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd waarom statische binnenopslag met een bepaald maximum in kassen hieraan wel in de weg staat en in andere bedrijfsgebouwen niet.

Het betoog slaagt.

6. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 3, lid 3.5.3, onder f, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

7. De Afdeling ziet, mede gelet op de hierna genoemde andere plandelen die voor vernietiging in aanmerking komen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

8. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld.

9. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 3]

10. [appellant sub 3], die woont aan de [locatie 2], komt in beroep op tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 3] en [locatie 2]. Hij betoogt dat de raad aan het deel van het perceel [locatie 2] waar bedrijfsbebouwing staat, de bestemming "Agrarisch" had moeten toekennen en dit plandeel door middel van een koppelteken aan zijn bedrijfslocatie aan de [locatie 4] had moeten verbinden. [appellant sub 3] betoogt voorts dat ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, gelet op zijn aangrenzende perceel. Hij voert aan dat op zijn perceel agrarische activiteiten plaatsvinden, te weten opslag, het gebruik van een kantine en huisvesting van seizoensarbeiders. Voorts stelt de raad in het bestreden besluit dat het gebruik van de oude woning aan de [locatie 2] ten behoeve van opslag was toegestaan, hetgeen er volgens [appellant sub 3] op wijst dat de raad van het agrarisch gebruik op de hoogte was. [appellant sub 3] stelt altijd te hebben beoogd de bestaande bedrijfsbebouwing te blijven gebruiken voor zijn agrarische bedrijf. De woonbestemming voor het perceel [locatie 3] rechtvaardigt volgens [appellant sub 3] voorts niet dat aan zijn gehele perceel tevens een woonbestemming is toegekend, nu de woning aan de [locatie 3] indertijd als agrarische bedrijfswoning is gekocht.

10.1. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat in verband met de bouw van een nieuwe burgerwoning aan de [locatie 2] is afgesproken dat een woonbestemming aan het perceel zou worden toegekend. Op basis van deze afspraak heeft de raad de bestemming "Wonen" aan het perceel toegekend. Voorts heeft [appellant sub 3] volgens de raad in het kader van de omgevingsvergunning voor teeltondersteunende kassen aan de [locatie 4] te kennen gegeven dat de bebouwing op het perceel [locatie 2] niet bij zijn bedrijfsvoering wordt betrokken. Gelet op deze omstandigheden en de feitelijke situatie, met een burgerwoning op het perceel aan de [locatie 3], is een woonbestemming voor het perceel aan de [locatie 2] het meest passend volgens de raad.

10.2. In het vorige voor de percelen aan de [locatie 3] en [locatie 2] geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998 was aan de percelen aan de [locatie 3] en [locatie 2] de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 2 - A2-" toegekend.

Ingevolge artikel III.2., lid A, onder I, van de planvoorschriften bij dat plan zijn de op de kaart als zodanig aangegeven gronden bestemd voor uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, glasopstanden, agrarische bedrijfswoningen, gebouwen ten dienste van de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tijdelijke menstoegankelijke kweektunnels en erven.

10.3. Aan de plandelen aan de [locatie 3] en [locatie 2] is in het bestemmingsplan de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

(…);

g. aan-huis-gebonden-beroepen;

alsmede voor bijbehorende:

h. tuinen, erven en verhardingen;

i. duikers, dammen en overkluizingen;

j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge lid 23.2 mag op en in de voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend ten dienste van de in lid 23.1 bedoelde bestemmingsomschrijving worden gebouwd.

Ingevolge lid 23.4.1 wordt naast het bepaalde in artikel 35 onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan:

a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning;

b. het gebruik van bijgebouwen als afhankelijke woonruimte;

c. het gebruik van gebouwen ten behoeve van bed & breakfast;

d. het gebruik van gebouwen ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders.

10.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het ten tijde van de vaststelling niet duidelijk was welke bestemmingsregeling [appellant sub 3] voor zijn perceel wenste. De raad heeft er hierbij op gewezen dat bij de bouw van de nieuwe woning op het perceel aan de [locatie 2] als voorwaarde is gesteld dat de oude bedrijfswoning niet meer mocht worden bewoond. Voorts heeft de raad erop gewezen dat [appellant sub 3] in het kader van een omgevingsvergunning voor teeltondersteunende kassen op het perceel aan de [locatie 4], waar een deel van zijn bedrijf is gevestigd, heeft gesteld dat geen agrarische activiteiten meer plaatsvonden op het perceel [locatie 2]. Ten tijde van de vergunningverlening voor de Molenaarstaat 3 was dit volgens [appellant sub 3] weliswaar zo, maar dit is nadien en voor de vaststelling van het plan gewijzigd.

De Afdeling stelt vast dat zowel de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 2], bestaande uit een schuur en de voormalige bedrijfswoning, als het bestaande gebruik ervan in het plan niet als zodanig zijn bestemd. Ter zitting is vast komen te staan dat de schuur legaal is opgericht en voor [appellant sub 3] geen verplichting bestond deze af te breken of het gebruik ervan ten behoeve van zijn agrarisch bedrijf te staken. Voorts stelt de Afdeling vast dat het gebruik van de voormalige bedrijfswoning op het perceel [locatie 2] ten behoeve van opslag was toegestaan. De raad heeft ter zitting erkend de feitelijke situatie niet als zodanig te hebben bestemd en zich bereid verklaard te bezien of een, al dan niet beperkte, agrarische bestemming mogelijk is. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen aan de [locatie 3] en [locatie 2], gelet op de onderlinge samenhang van deze plandelen, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

11. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 3] en [locatie 2], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

12. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

13. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellanten sub 4]

14. [appellanten sub 4], die een transportbedrijf exploiteren aan de [locatie 5], komen in beroep op tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor hun perceel. Zij betogen dat het stallen van vijf vrachtwagens, het gebruik van de bedrijfswoning en het gebruik van de bijgebouwen, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Volgens [appellanten sub 4] staan drie vrachtwagens vrijwel dagelijks op het perceel, maar het transportbedrijf heeft vijf vrachtwagens in eigendom en zij wensen deze alle op hun perceel te stallen. Zij stellen dat zij erop mochten vertrouwen dat ten behoeve van hun transportbedrijf aan hun perceel de bestemming "Bedrijf" zou worden toegekend, nu door het gemeentebestuur te kennen was gegeven dat ter plaatse van de Hoevenseweg waar in verband met andere bedrijvigheid geen woningbouw meer mogelijk was, mogelijk een bedrijventerrein zou worden gerealiseerd. Daartoe was gedurende twaalf jaar een voorkeursrecht op het perceel van [appellanten sub 4] gevestigd. Zij betogen voorts dat het gebruik ten behoeve van hun transportbedrijf onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan valt. Gelet hierop is het gebruik met het voorliggende plan ten onrechte voor een tweede maal onder het overgangsrecht gebracht. Zij stellen dat het gemeentebestuur op de hoogte was van het gebruik van hun perceel ten behoeve van een transportbedrijf. Dat in 1994 een melding in het kader van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer is gedaan, doet hier volgens [appellanten sub 4] niet aan af. Voorts is nooit handhavend opgetreden tegen het gebruik ten behoeve van het transportbedrijf. De raad heeft volgens [appellanten sub 4] geen ruimtelijke motivering aan het besluit, voor zover door hen bestreden, ten grondslag gelegd. De raad heeft volgens hen ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de Brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure), nu hiervan kan worden afgeweken. Gelet op de feitelijke bedrijfsvoering met bijbehorende geluidbelasting op hun perceel, kan een kleinere afstand worden aangehouden dan genoemd in de VNG-brochure. De raad had volgens hen dan ook akoestisch onderzoek moeten verrichten naar de bestaande bedrijfsactiviteiten en aan hun perceel een maatbestemming moeten toekennen. Voorts heeft de raad volgens [appellanten sub 4] ten onrechte niet bij zijn belangenafweging betrokken dat het als zodanig bestemmen van hun transportbedrijf, mede gelet op de ligging daarvan in het zoekgebied stedelijke ontwikkeling, in overeenstemming is met de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012).

14.1. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch" het meest passend is voor het perceel [locatie 5]. De raad wijst erop dat in 1994 door [appellant sub 4A] een melding is gedaan in het kader van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Daarbij is door het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (hierna: het college) te kennen gegeven dat kon worden volstaan met een melding, zolang de transportactiviteiten ondergeschikt bleven aan het tuinbouwbedrijf. Volgens de raad is nooit een melding gemaakt van een uitbreiding van de transportactiviteiten. Het transportbedrijf is in strijd met de voorgaande bestemmingsplannen en derhalve niet onder het overgangsrecht gebracht. Voorts is bij verschillende controles gebleken dat er nooit meer dan drie vrachtwagens op het perceel aan de [locatie 5] staan gestald en de raad betwist dat er ruimte zou zijn voor meer vrachtwagens. Volgens de raad wordt de richtafstand van 50 m, die in de VNG-brochure bij een transportbedrijf van deze omvang wordt aanbevolen, niet gehaald, omdat op een afstand van 12 m een burgerwoning staat. Gelet op het voorgaande heeft de raad alleen de stalling van twee vrachtwagens mogelijk willen maken. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat bij de stalling van drie vrachtwagens nog wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) kan volgens de raad gebruik worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5.1, van de planregels.

14.2. Aan het plandeel aan de [locatie 5] zijn de bestemming "Agrarisch" en deels de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch - vrachtwagenstalling" toegekend.

Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder aan-huis-gebonden-beroep verstaan: het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of ontwerp-technisch gebied of hiermee gelijk te stellen dienstverlenende beroepen en ambachtelijke en verzorgende bedrijven, zoals bijvoorbeeld een architect, tandarts, kunstenaar, edelsmid, adviseur en dergelijke. Hieronder worden eveneens kleine ateliers en kleine galeries verstaan.

Ingevolge deze bepaling wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op dan wel bij een terrein, bestemd voor één huishouden waarvan huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de bestemming, noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen.

Ingevolge het bepaalde onder b, sub 7, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor nevenfuncties en vormen van verbrede landbouw, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - vrachtwagenstalling" tevens vrachtwagenstalling is toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder c, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor wonen in een bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf ten behoeve van het agrarisch bedrijf, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten".

Ingevolge lid 3.4.2, aanhef en onder d, is, behalve ten behoeve van agrarisch gebruik, gebruik van de bedrijfswoning, de overige bouwwerken en de bijbehorende gronden ten behoeve van wonen toegestaan, waarbij behalve ten behoeve van agrarisch gebruik de overige bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van huishoudelijk gebruik verband houdend met wonen, waarbij de oppervlakte ten behoeve van dit gebruik niet meer mag bedragen dan 100 m².

Ingevolge lid 3.4.5 zijn de volgende bestaande nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw toegestaan binnen het bouwvlak van de betreffende agrarische bedrijven, waarbij de volgende regels gelden:

(…)

f. stalling van vrachtwagens is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - vrachtwagenstalling", waarbij:

1. stalling zowel binnen als buiten het bouwvlak mag plaatsvinden;

2. het aantal vrachtwagens niet meer mag bedragen dan 2.

Waarbij nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw uitsluitend zijn toegestaan bij een agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 3.5.1 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.5, onder f, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - vrachtwagenstalling", ten behoeve van de stalling van maximaal 3 vrachtwagens, mits dat aantal milieuhygiënisch inpasbaar is.

Ingevolge artikel 40, lid 40.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder d is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

14.3. In het vorige voor het perceel [locatie 5] geldende bestemmingsplan "Buitengebied (1e partiële herziening)" uit 1989 was aan het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, kernrandzone, A(kz)" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid A, onder 1, van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan zijn de op de kaart als "Agrarische doeleinden, kernrandzone, A(kz)" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven, welke gelet op hun ligging, bedrijfsvoering en omvang ten opzichte van de in de nabijheid aanwezige dan wel in de naaste toekomst te verwachten stedelijke functies geen overwegende bezwaren van milieu-hygiënische aard oproepen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, kassen, agrarische bedrijfswoningen, andere bouwwerken en open erven.

Ingevolge artikel 58, onder "overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken", eerste lid, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van dat plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet, tenzij het betreft een gebruik dat met de in het vorige bestemmingsplan aangewezen bestemming strijdig was en welk strijdig gebruik een aanvang heeft genomen, nadat dit vorige bestemmingsplan rechtskracht had verkregen.

14.4. In het voor het bestemmingsplan "Buitengebied (1e partiële herziening)" geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1985 was aan het perceel [locatie 5] eveneens de aanduiding "Agrarische doeleinden, kernrandzone, A(kz)" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid A, onder 1, van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan zijn de op de kaart als "Agrarische doeleinden, kernrandzone, A(kz)" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven, welke gelet op hun ligging, bedrijfsvoering en omvang ten opzichte van de in de nabijheid aanwezige dan wel in de naaste toekomst te verwachten stedelijke functies geen overwegende bezwaren van milieu-hygiënische aard oproepen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, kassen, agrarische bedrijfswoningen, andere bouwwerken en open erven.

14.5. De Afdeling stelt vast dat op het perceel [locatie 5] geen agrarisch bedrijf, maar een transportbedrijf is gevestigd. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de bestemming "Agrarisch" binnen de planperiode van tien jaar zal worden verwezenlijkt en dat deze bestemming dan ook niet passend is. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

14.6. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding de beroepsgronden van [appellanten sub 4] ook inhoudelijk te bespreken.

Over het betoog van [appellanten sub 4] dat het gebruik ten behoeve van hun transportbedrijf onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan valt en dit gebruik gelet hierop met het voorliggende plan voor een tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht, overweegt de Afdeling als volgt. Het gebruik van het perceel ten behoeve van een volwaardig transportbedrijf, dat in 1987 is aangevangen, was in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1985. Gelet hierop en op artikel 58 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied (1e partiële herziening)" is dit gebruik niet onder het overgangsrecht van het laatstgenoemde plan gebracht. Hieruit volgt dat dit gebruik ingevolge artikel 40, lid 40.2, aanhef en onder a en d, van de planregels van het thans voorliggende plan evenmin onder het overgangsrecht is gebracht. Het betoog faalt.

14.7. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat de feitelijke situatie, die bestaat uit het stallen van vrachtwagens, het gebruik van de bedrijfswoning en het gebruik van de bijgebouwen, desondanks als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling als volgt.

Het gebruik van het perceel voor het stallen van vrachtwagens vindt niet plaats als nevenfunctie bij de agrarische hoofdfunctie, maar houdt verband met het op het perceel als hoofdfunctie uitgeoefende transportbedrijf. Gelet hierop is dit gebruik ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, sub 7, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3.4.5, aanhef en onder f, van de planregels niet als zodanig bestemd.

Wat betreft het gebruik van de woning als kantoor op het perceel ten behoeve van het daar gevestigde transportbedrijf overweegt de Afdeling dat dit, anders dan de raad stelt, niet valt onder de begripsomschrijving van aan-huis-gebonden-beroep in de planregels. Het administratieve werk in dit kantoor wordt immers niet als dienst verleend, maar wordt verricht ten behoeve van het bijbehorende transportbedrijf. Gelet hierop is dit gebruik niet als zodanig bestemd.

Verder kan het gebruik van de bijgebouwen ten behoeve van het transportbedrijf niet als op grond van artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder d, van de planregels toegestaan gebruik worden aangemerkt en is dit gebruik ook anderszins niet als zodanig bestemd.

Gelet op het voorgaande heeft de raad, anders dan hij veronderstelt, het feitelijke gebruik op het perceel [locatie 5] niet als zodanig bestemd. Reeds gelet op het voorgaande slaagt het betoog.

15. In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 5] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.1 van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

16. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

17. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 5]

18. [appellant sub 5] heeft ter zitting zijn beroepsgronden die zien op de inhoud van de passende beoordeling ingetrokken.

18.1. [appellant sub 5], die woont aan de [locatie 6], komt in beroep op tegen de vaststelling van het bouwvlak voor het plandeel aan de [locatie 7] in samenhang met artikel 3, lid 3.2.2, onder a, lid 3.3.4, aanhef en onder a en d, en lid 3.6.4, onder g, van de planregels. [appellant sub 5] heeft ter zitting toegelicht dat hij zich met zijn beroep alleen richt tegen de intensieve veehouderij op dit perceel en dat zijn beroep niet ziet op de overige intensieve veehouderijen in het plangebied. Volgens hem zijn de onbenutte bouwmogelijkheden van de intensieve veehouderij aan de [locatie 7] in het plan ten onrechte als zodanig bestemd. De bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan worden door de raad ten onrechte nog steeds ruimtelijk aanvaardbaar geacht, nu dat plan ouder is dan tien jaar. Voorts is ten onrechte een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouwvlak uit te breiden tot meer dan 5.000 m².

Volgens [appellant sub 5] stelt de raad ten onrechte dat voor de intensieve veehouderij aan de [locatie 7] een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van stallen, nu de bouwvergunning fase 1 van rechtswege is komen te vervallen. Een bouwvergunning fase 2 is volgens [appellant sub 5] niet aangevraagd. Het in het plan voorziene bouwvlak is volgens hem niet toereikend voor de omgevingsvergunning fase 1 en voor de nadien verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Deze laatste vergunning was ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk. [appellant sub 5] wijst op het advies van de bezwaarschriftencommissie van 20 november 2013.

Genoemde planregels zijn volgens [appellant sub 5] in strijd met de Verordening 2012, nu in de planregels niet als voorwaarde is opgenomen dat 10% van het bouwvlak moet worden aangewend voor landschappelijke inpassing. Voorts is het plan in zoverre in strijd met het toekomstige beleid van de provincie Noord-Brabant, zoals neergelegd in het voorbereidingsbesluit zorgvuldige veehouderij van provinciale staten van Noord-Brabant van 20 september 2013 (hierna: het voorbereidingsbesluit), artikel 2, lid 3, van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014) en het besluit Nadere regels Verordening ruimte 2014 - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: besluit Nadere regels). De raad had hier bij de vaststelling van het plan rekening mee moeten houden volgens [appellant sub 5]. Voorts is volgens [appellant sub 5] niet duidelijk wat in artikel 3, lid 3.3.4, aanhef en onder a, en lid 3.6.4, onder g, van de planregels onder wijziging van bebouwing, bestaand gebruik en bestaande activiteiten moet worden verstaan. Dit is volgens hem in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

18.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het opnieuw bestemmen van de onbenutte bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan aanvaardbaar is, nu in dit plan is gewaarborgd dat het gebruik maken van deze bouwmogelijkheden niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie. Voorts is het door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk om een oppervlakte van 8.000 m² aan bebouwing voor intensieve veehouderijen toe te staan, hetgeen een beperking is van de mogelijkheden in het vorige plan. Ook bij deze afwijkingsbevoegdheid is de voorwaarde gesteld dat deze niet mag leiden tot een toename van de stikstofdepositie.

Voorts stelt de raad dat hij ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen rekening kon houden met het toekomstige beleid van de provincie Noord-Brabant.

Volgens de raad is voldoende duidelijk wat in artikel 3, lid 3.3.4, aanhef en onder a, en lid 3.6.4, onder g, van de planregels onder wijziging van bebouwing, bestaand gebruik en bestaande activiteiten moet worden verstaan. Wat betreft het begrip bestaande activiteiten stelt de raad dat hieronder moet worden verstaan de activiteiten zoals die plaatsvinden ten tijde van de (nieuwe) aanvraag op grond van de Nbw 1998.

De raad stelt dat niet de eerder verleende omgevingsvergunning, maar het bouwvlak uit het vorige plan als uitgangspunt is genomen voor de vaststelling van het bouwvlak voor het perceel aan de [locatie 7]. Hierbij is de in het plan gehanteerde afstand van 15 m uit het midden van de weg aangehouden, de noordzijde van het bouwvak evenwijdig aan de zuidzijde gehouden en in plaats van een maximaal te bebouwen oppervlakte in de planregels is voorzien in een vaststaand bouwvlak.

18.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, van de Nbw 1998 wordt verstaan onder bestaand gebruik: gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag.

18.4. Ingevolge artikel 1.2, vierde lid, van de Verordening 2012 wordt onder een uitbreiding van een agrarisch bedrijf verstaan een vergroting van het bouwblok ten behoeve van dat agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

18.5. Aan het plandeel aan de [locatie 7] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens een intensieve veehouderij is toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken dat bouwwerken en verhardingen uitsluitend binnen een bouwvlak zijn toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.2, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, dat de oppervlakte per bouwvlak niet meer mag bedragen dan 5.000 m².

Ingevolge lid 3.3.4 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, voor het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m² bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, voor een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. uitbreiding en/of wijziging van de bebouwing is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van:

1. een bestaand gebruik zoals bedoeld in de Nbw 1998;

2. bestaande activiteiten die stikstofemissie veroorzaken en vergund zijn;

3. bestaande activiteiten waarvoor een vergunning op grond van de Nbw 1998 is verleend;

(…).

Ingevolge het bepaalde onder b mag de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en overkappingen na uitbreiding niet meer bedragen dan 8.000 m².

Ingevolge het bepaalde onder d dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

Ingevolge lid 3.6.4 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd dit bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. Vergroting van het bouwvlak tot maximaal 1,5 ha is uitsluitend toegestaan op een duurzame locatie, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…)

4. wat betreft ammoniak, geur en fijnstof mag er geen sprake zijn van een toename van de emissie vanuit de betreffende inrichting.

b. Binnen het bouwvlak van maximaal 1,5 ha is maximaal 8.000 m² aan bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan ten behoeve van de intensieve veehouderij.

(…)

g. Vergroting van het bouwvlak is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van:

1. een bestaand gebruik zoals bedoeld in de Nbw 1998;

2. bestaande activiteiten die stikstofemissie veroorzaken en vergund zijn;

3. bestaande activiteiten waarvoor een vergunning op grond van de Nbw 1998 is verleend;

(…).

h. Ten minste 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

18.6. Over de situering van het bouwvlak voor het perceel aan de [locatie 7] overweegt de Afdeling als volgt. Voor zover [appellant sub 5] er ter zitting op heeft gewezen dat in de toelichting in de vorige bestemmingsplannen stond dat bouwvlakken in overeenstemming moeten zijn met de topografische of kadastrale grens, is van belang dat, wat daarvan ook zij, de raad aan die toelichting niet is gebonden. De raad kan bij de vaststelling van een nieuw plan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen op basis van andere uitgangspunten bouwvlakken vaststellen. Dat de raad voor het bouwvlak voor het perceel aan de [locatie 7] het bouwvlak uit het vorige plan als uitgangspunt heeft genomen, hierbij de in het plan gehanteerde afstand van 15 m uit het midden van de weg heeft aangehouden en de noordzijde van het bouwvak evenwijdig aan de zuidzijde heeft gehouden, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Aan de verleende omgevingsvergunningen, die van rechtswege vervallen of nog niet onherroepelijk zijn, komt, wat van de inpasbaarheid daarvan ook zij, geen betekenis toe. Voorts heeft [appellant sub 5] in zijn beroepschrift, noch ter zitting inhoudelijk iets aangevoerd tegen de situering van het bouwvlak voor het perceel aan de [locatie 7].

18.7. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat het in het plan voorziene bouwvlak voor het perceel aan de [locatie 7] niet is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, zodat het plan niet bij recht voorziet in uitbreiding van de ter plaatse gevestigde intensieve veehouderij zoals bedoeld in de Verordening 2012. De raad hoefde in zoverre dan ook geen aanleiding te zien voor het opnemen van een voorwaarde die ertoe strekt dat bij het gebruikmaken van de bouwmogelijkheden bij recht 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing, zoals bepaald in de Verordening 2012. Wat betreft de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.6.4, van de planregels, overweegt de Afdeling als volgt. Met deze wijzigingsbevoegdheid kan weliswaar het bouwvlak worden vergroot, maar in artikel 3, lid 3.6.4, aanhef en onder h, van de planregels is bepaald dat, overeenkomstig 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012, ten minste 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellant sub 5] bestreden planregels in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de Verordening 2012.

Over het ten tijde van de vaststelling van het plan toekomstige beleid van de provincie Noord-Brabant overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 juni 2012, zaak nr. 201009225/1/R2, dient de raad, hoewel hij bij de vaststelling van het plan niet is gebonden aan hetgeen is bepaald in de nog niet in werking getreden verordening, daarmee wel rekening te houden, hetgeen betekent dat het beleid, zoals neergelegd in deze verordening, in de belangenafweging dient te worden betrokken. Zoals de raad heeft toegelicht, lag het ontwerp van de Verordening 2014 vanaf 13 september 2013 en derhalve ongeveer twee weken voor de vaststelling van het plan op 30 september 2013 ter inzage. De raad heeft dit ontwerp betrokken bij de vaststelling, maar hierin geen aanleiding gezien voor wijzigingen. Dit acht de Afdeling, onder de gegeven omstandigheden, niet onredelijk. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in haar uitspraak van 24 september 2014 in zaak nr. 201210299, houdt het voorbereidingsbesluit in dat aanvragen voor omgevingsvergunningen die betrekking hebben op bouwen ten behoeve van uitbreiding van veehouderijen dienen te worden aangehouden en dat het college van burgemeester en wethouders de omgevingsvergunningen slechts mag verlenen indien deze niet in strijd komen met de op dat moment in voorbereiding zijnde Verordening 2014 en de regels inzake zorgvuldige veehouderij. Het voorbereidingsbesluit heeft geen betrekking op het vaststellen van bestemmingsplannen. Het betoog dat het plan daarmee in strijd is, faalt reeds daarom.

18.8. Over de gestelde onduidelijkheid van de begrippen, zoals opgenomen onder 1, 2 en 3 van artikel 3, lid 3.3.4, onder a, onderscheidenlijk lid 3.6.4, onder g, van de planregels wordt als volgt overwogen.

Wat betreft het begrip wijziging van de bebouwing in artikel 3, lid 3.3.4, aanhef en onder a, van de planregels valt naar het oordeel van de Afdeling niet in te zien dat niet duidelijk is wat hiermee wordt bedoeld.

Wat betreft het begrip bestaand gebruik overweegt de Afdeling als volgt. In het bepaalde sub 1 van artikel 3, lid 3.3.4, aanhef en onder a, en sub 1 van lid 3.6.4, aanhef en onder g, van de planregels wordt verwezen naar artikel 1, aanhef en onder m, van de Nbw 1998. Gelet op deze verwijzing valt niet in te zien dat niet duidelijk is wat onder bestaand gebruik moet worden verstaan. Het begrip bestaande activiteiten is niet in het plan gedefinieerd, maar naar het oordeel van de Afdeling valt dit niet anders uit te leggen dan dat is bedoeld bestaande activiteiten ten tijde van de vaststelling van het plan. Een andere uitleg zou, gelet op het ontbreken van een peilmoment, in strijd komen met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover de raad stelt dat onder bestaande activiteiten worden verstaan de activiteiten zoals aanwezig ten tijde van de vergunningaanvraag in het kader van de Nbw 1998, overweegt de Afdeling dat dit niet uit de planregels volgt.

De Afdeling stelt vast dat weliswaar voldoende duidelijk is wat onder de begrippen bestaand gebruik en bestaande activiteiten moet worden verstaan, maar het is de Afdeling niet duidelijk onder welke omstandigheden in een situatie waarin sprake is van een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting op basis van de door [appellant sub 5] bestreden voorwaarden aan de afwijking- en wijzigingsbevoegdheid toepassing kan worden gegeven. Daartoe is het volgende van belang. In artikel 3, lid 3.3.4, aanhef en onder a, sub 1, 2 en 3, onderscheidenlijk lid 3.6.4, aanhef en onder g, sub 1, 2 en 3, van de planregels zijn uitzonderingsvoorwaarden opgenomen. In dit geval betekent dit dat aan de in artikel 3, lid 3.3.4 en lid 3.6.4, van de planregels neergelegde afwijkingsbevoegdheid onderscheidenlijk wijzigingsbevoegdheid onder meer toepassing kan worden gegeven indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting en één van deze voorwaarden zich voordoet. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zien de voorwaarden in het bepaalde sub 1, 2 en 3 van genoemde planregels op een intensieve veehouderij die reeds bestond ten tijde van de vaststelling van het plan. Bij bestaand gebruik als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van de Nbw 1998 gaat het, gelet op het daarin gehanteerde peilmoment, om gebruik dat ten tijde van de vaststelling van het thans voorliggende plan bij de raad bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn. Nu in de aangeduide voorwaarden wordt gesproken over bestaand gebruik en bestaande activiteiten impliceert dit dat naast het gebruik ook de bebouwing aanwezig is en derhalve reeds een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zou moeten zijn verleend. Aan afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden is evenwel inherent dat hieraan alleen toepassing wordt gegeven ten behoeve van nieuwe situaties teneinde de gewenste afwijking of wijziging mogelijk te maken. Naar het oordeel van de Afdeling valt dan ook niet in te zien dat voor bestaand gebruik en bestaande activiteiten toepassing moet worden gegeven aan een afwijkingsbevoegdheid dan wel wijzigingsbevoegdheid. Overigens zou de uitleg van het begrip bestaande activiteiten die de raad hanteert niet tot een ander oordeel leiden. Nu gelet op het voorgaande niet duidelijk is wanneer op basis van artikel 3, lid 3.3.4, aanhef en onder a, sub 1, 2 en 3, onderscheidenlijk lid 3.6.4, aanhef en onder g, sub 1, 2 en 3, van de planregels toepassing kan worden gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid en wijzigingsbevoegdheid in genoemde bepalingen, slaagt het betoog.

18.9. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het bepaalde onder 1, 2 en 3, zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.3.4, onder a, en het bepaalde onder 1, 2 en 3, zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.6.4, onder g, van de planregels, is genomen in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

18.10. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

18.11. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], h.o.d.n. [bedrijf], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Etten-Leur van 30 september 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor zover het betreft de vaststelling van:

a. artikel 3, lid 3.5.3, onder f, van de planregels;

b. de plandelen met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 3] en [locatie 2];

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 5];

d. het bepaalde onder 1, 2 en 3, zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.3.4, onder a, en het bepaalde onder 1, 2 en 3, zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.6.4, onder g, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Etten-Leur op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de genoemde planonderdelen onder II.a, II.b en II.c en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. treft de voorlopige voorziening dat tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe besluit als bedoeld in III artikel 3, lid 3.5.3, onder f, van de planregels komt te luiden als volgt:

- Buitenopslag ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw is niet toegestaan en opslag in kassen ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw mag niet meer bedragen dan 400 m², waarbij alleen ten behoeve van statische binnenopslag maximaal 600 m² statische binnenopslag aan de toegestane 400 m² mag worden toegevoegd;

V. draagt de raad van de gemeente Etten-Leur op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat onderdeel II.d wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Etten-Leur tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 3], h.o.d.n. [bedirjf], een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] een bedrag van € 1.225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] een bedrag van € 1.225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Etten-Leur aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro);

b. aan [appellant sub 3], h.o.d.n. [bedrijf], een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro);

c. aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015

653.