Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
20-05-2015
Zaaknummer
201409594/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Liempde" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409594/1/R3.

Datum uitspraak: 20 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend respectievelijk gevestigd te Liempde, gemeente Boxtel,

appellant,

en

de raad van de gemeente Boxtel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Liempde" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door ing. B. Hurks, en de raad, vertegenwoordigd door S. Theunissen-van der Steen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partijen] gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet voor het perceel [locatie 1] in Liempde in de bouw van een vrijstaande woning en de aanleg van een zogenoemd ommetje.

4. Op perceel [locatie 2] staat de woning van [appellant]. Op het perceel staan tevens bijgebouwen, die worden gebruikt voor het ter plaatse gevestigde bedrijf van [appellant].

5. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom het plan voorziet in een zogenoemd ommetje ter hoogte van het perceel [locatie 1]. [appellant] betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze het ommetje zal worden afgesloten om gemotoriseerd verkeer te voorkomen.

Tevens stelt [appellant] dat de raad ten onrechte heeft gekozen voor het niet verharden van de ondergrond van het ommetje. Hij vreest dat een onverharde ondergrond zal leiden tot een onaanvaardbare toename van stofoverlast, steenslag en geluidoverlast en dat het ommetje onveilig zal zijn voor personen met een rollator of in een rolstoel.

Voorts vreest [appellant] voor een onaanvaardbare toename van verkeershinder als gevolg van de aanleg van het ommetje. Hij wijst erop dat op de Roderweg ter hoogte van het ommetje een verkeerssluis ligt.

Daarnaast stelt [appellant] dat het ommetje zal leiden tot een onaanvaardbare toename van inbraakgevoeligheid op zijn perceel. Hij vreest voor diefstal van materieel uit zijn bedrijfsopslag.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de plantoelichting en in de nota van zienswijzen en wijzigingen (hierna: zienswijzennota), die deel uitmaakt van het besluit tot vaststelling van het plan, voldoende is onderbouwd waarom het ommetje is opgenomen in het plan. Voorts volgt uit de plantoelichting dat het ommetje kan worden afgesloten door poorten of hekken, aldus de raad.

De raad stelt dat in de zienswijzennota is ingegaan op de door [appellant] gestelde overlast als gevolg van de aanleg van het ommetje. Van een onaanvaardbare toename van stofoverlast, steenslag en geluidoverlast vanwege het niet verharden van de ondergrond zal geen sprake zijn, aldus de raad.

Omdat het deel van het ommetje, gelegen nabij de Roderweg, als gevolg van het plan voornamelijk zal worden gebruikt als toegang van en naar de woning, zal volgens de raad evenmin sprake van een onaanvaardbare toename van verkeershinder als gevolg van de aanleg van het ommetje. Voorts stelt de raad dat, ingeval in de toekomst zal blijken dat de verkeerssluis niettemin tot een onaanvaardbare toename van verkeershinder zal leiden, de mogelijkheid bestaat om de verkeerssluis aan te passen.

Over de door [appellant] gestelde onaanvaardbare toename van inbraakgevoeligheid stelt de raad dat hiervan geen sprake is. De raad wijst erop dat het ommetje kan worden afgesloten.

5.2. Aan het plandeel voor de gronden, waar het ommetje is voorzien, is de bestemming "Verkeer - Onverhard" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Onverhard" aangewezen gronden bestemd voor:

a. onverharde en semi-verharde wegen en paden;

b. het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden;

een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals bermen en bermsloten, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge lid 6.2 mogen op de voor "Verkeer - Onverhard" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming.

Ingevolge lid 6.2.1 gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:

a. verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan;

b. de bouwhoogte voor overige bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen.

Ingevolge lid 6.3.1 wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het verharden van paden.

5.3. Het zogenoemde ommetje is beoogd vanaf de Roderweg, ter hoogte van de nieuwe woning, tot aan de Helstraat. Het ommetje zorgt voor een directe doorsteek vanuit de lintbebouwing naar het achterliggende, landelijke gebied. Voorts mag het voorste deel van het ommetje vanaf de Roderweg ongeveer 3 m breed zijn en kan het worden gebruikt als toerit van en naar de nieuwe woning. Het achterste deel van het ommetje mag ongeveer 1 m zijn en is bedoeld als een recreatief wandelpad naar het achterliggende gebied. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat het achterste deel van het ommetje met name is bedoeld voor voetgangers. Naar aanleiding van de door [appellant] ingediende zienswijze is in het plan mogelijk gemaakt dat op de gronden met de bestemming "Verkeer - Onverhard" bouwwerken zijn toegestaan en is in de plantoelichting opgenomen dat ter plaatse poorten en hekken mogen worden opgericht. Met deze mogelijkheid tot het afsluiten van het ommetje kan worden ontmoedigd dat het achterste deel van het ommetje anders dan als wandelpad wordt gebruikt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de plantoelichting en in de zienswijzennota voldoende is onderbouwd dat en waarom het plan voorziet in het ommetje. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom het plan voorziet in het zogenoemde ommetje ter hoogte van het perceel [locatie 1]. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze het ommetje zal worden afgesloten om gemotoriseerd verkeer te voorkomen.

Het betoog faalt.

5.4. Over de door [appellant] gestelde vrees dat het niet verharden van de ondergrond van het ommetje zal leiden tot een onaanvaardbare toename van stofoverlast, steenslag en geluidoverlast, overweegt de Afdeling als volgt. In de zienswijzennota heeft de raad uiteengezet dat het voorste deel van het ommetje zal worden gebruikt als toerit naar de nieuwe woning. De parkeerplaatsen bij de woning zullen worden gerealiseerd op de gronden met de bestemming "Tuin". Om te voorkomen dat het ommetje zal worden gebruikt als een doorgaande route naar het achterland is in het plan vastgelegd dat het achterste deel van het ommetje smaller is en mogelijk gemaakt dat ter hoogte van het smalle deel een poort of een hek kan worden geplaatst. Hieruit volgt dat het voorste deel van het ommetje voornamelijk zal worden gebruikt als toegang van en naar het perceel voor de nieuwe woning. De raad heeft voorts opgemerkt dat een onverhard pad juist zal leiden tot ontmoediging van gebruik door gemotoriseerd verkeer. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet verharden van de ondergrond van het ommetje niet zal leiden tot van een onaanvaardbare toename van stofoverlast, steenslag en geluidoverlast. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet voor de hand ligt dat het ommetje als wandelpad zal worden gebruikt door personen met een rollator of in een rolstoel. Hierbij is mede van belang dat het ommetje uitkomt op een zandpad. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen de ondergrond van het ommetje niet te verharden.

Het betoog faalt.

5.5. Over de door [appellant] gestelde vrees dat het ommetje zal leiden tot onaanvaardbare toename van verkeershinder, overweegt de Afdeling dat uit het plan volgt dat het voorste deel van het ommetje voornamelijk zal worden gebruikt door als toegang van en naar de nieuwe woning en dat het achterste deel van het ommetje is bedoeld als wandelpad. Over de verkeerssluis heeft de raad erop gewezen dat het ommetje goed bereikbaar is vanaf de westelijke richting van de Roderweg. Weliswaar is de toegang tot het woonperceel vanaf de oostelijke richting van de Roderweg moeilijker bereikbaar vanwege de verkeerssluis, maar de raad heeft gesteld dat niet te verwachten is dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare toename van verkeershinder. De raad heeft erop gewezen dat de Roderweg geen drukke verkeersroute is, zodat niet te verwachten is dat afslaand verkeer vanwege de verkeerssluis onaanvaardbare hinder in de vorm van verkeersopstoppingen zal veroorzaken. Overigens heeft de raad gewezen op de mogelijkheid om, indien in de toekomst zal blijken dat de verkeerssluis vanwege afslaand verkeer tot onaanvaardbare verkeershinder leidt, deze verkeerssluis aan te passen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van het ommetje niet zal leiden tot onaanvaardbare toename van verkeershinder.

Het betoog faalt.

5.6. Over het betoog dat het ommetje zal leiden tot een onaanvaardbare toename van inbraakgevoeligheid op het perceel van [appellant] en de vrees voor diefstal van materieel uit zijn bedrijfsopslag, overweegt de Afdeling dat het plan voorziet in de mogelijkheid om het ommetje af te sluiten met poorten of hekken. Voorts volgt uit het plan dat het achterste deel van het ommetje slechts 1 m breed mag zijn en alleen toegankelijk is voor voetgangers. Gelet op deze omstandigheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene aanleg van het ommetje niet zal leiden tot onaanvaardbare toename van inbraakgevoeligheid op het perceel van [appellant].

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte voor de op het perceel [locatie 1] beoogde woning voorziet in een ruime maatvoering, zodat ter plaatse een grotere woning is toegestaan is dan op de naburige percelen [locatie 2] en [locatie 3].

[appellant] betoogt voorts dat de ruimtelijke eenheid van de nieuwe woning met de bebouwing op het perceel [locatie 2] onvoldoende is onderbouwd. Hij stelt hiertoe dat niet is onderbouwd dat de nieuwe woning deel uitmaakt van een zogenoemde erfensemble.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan voor de maatvoering voor de beoogde woning is aangesloten bij het bestemmingsplan "Liempde", vastgesteld op 17 december 2013.

De raad stelt voorts dat de ruimtelijke eenheid van de nieuwe woning met de omgeving voldoende is onderbouwd.

6.2. Aan het plandeel voor de gronden, waar de woning is voorzien, is de bestemming "Wonen" toegekend

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met kamerbewoning en/of de uitoefening van een beroep aan huis, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 80 m²;

met de daarbij behorende:

b. tuinen en erven;

c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

d. parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 7.2.1 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

a. maximaal één hoofdgebouw;

b. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

c. ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand", vrijstaande woningen;

d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter;

e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 meter.

Uit de verbeelding volgt dat de breedte van het bouwvlak voor het hoofdgebouw niet meer dan ongeveer 9 m is.

6.3. Ter plaatse van het perceel [locatie 1] gold voorheen het bestemmingsplan "Liempde". Dit plan is nog steeds van toepassing op de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. Bij de vaststelling van het voorliggende plan heeft de raad, wat betreft de maatvoering voor de woning, in redelijkheid kunnen aansluiten bij het bestemmingsplan "Liempde". Volgens artikel 14 van dat plan geldt voor de gronden met de bestemming "Wonen" dat maximaal één hoofdgebouw binnen het bouwvlak mag worden gebouwd. Voor hoofdgebouwen geldt een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 9 m. Voorts geldt voor vrijstaande hoofdgebouwen een maximale breedte van 15 m.

Hieruit volgt dat het plan voor de op het perceel [locatie 1] beoogde woning niet voorziet in een ruimere maatvoering en dat ter plaatse geen grotere woning is toegestaan dan op de naburige percelen [locatie 2] en [locatie 3].

Het betoog faalt.

6.4. De plantoelichting bevat een stedenbouwkundige onderbouwing voor de beoogde ontwikkeling. Vermeld wordt dat de voorziene woning in zijn architectonisch opzet een duidelijke relatie heeft met de stedenbouwkundige context. Het woonhuis zal niet op dezelfde bebouwingslijn als de bestaande woningen aan de Roderweg worden gesitueerd, maar er verder vanaf, zodat er geen nieuwe bakstenen hoofdvolume wordt geïntroduceerd aan de weg. De woning is voorzien op dezelfde bebouwingslijn als het schurenensemble op het perceel [locatie 2], waardoor een ruimtelijke eenheid ontstaat en de relatie tussen de schuurtypologieën op de erven van beide percelen duidelijk zichtbaar is. Door de nieuwe woning zo dicht mogelijk tegen het perceel [locatie 3] te situeren, wordt de ruimte tussen het nieuwe bouwvolume en de bestaande woning op het perceel [locatie 2] zo breed mogelijk gehouden. Hierdoor blijft het zicht op het achterliggende landelijke gebied ruim en blijft de groenbeleving vanaf de Roderweg behouden, zo vermeldt de plantoelichting. Vanuit deze stedenbouwkundige opzet is ervoor gekozen de nieuwe woning als een schuurtypologie op te zetten. De nieuwe woning zal worden voorzien van een inpandige garage om een extra bouwvolume op het erf te voorkomen. De plantoelichting vermeldt voorts dat door het toepassen van houten planken als gevelbekleding en een stalen golfplaten dak een link wordt gelegd met bestaande schuurtypologieën uit de directe omgeving.

Gelet op deze stedenbouwkundige onderbouwing heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde woning, die verder van de weg af is geprojecteerd en het aanzien zal hebben van een schuur, samen met de bebouwing op de naburige percelen een logische ruimtelijke eenheid vormt. Voorts is in de stedenbouwkundige onderbouwing uiteengezet op welke wijze de nieuwe woning deel uitmaakt van de ter plaatse bestaande erfensemble. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de ruimtelijke eenheid van de nieuwe woning met de bebouwing op het perceel [locatie 2] onvoldoende is onderbouwd of dat niet is onderbouwd dat de woning deel uitmaakt van een erfensemble.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat hij als gevolg van de nieuwe woning in de bedrijfsactiviteiten van het op zijn perceel gevestigde bedrijf zal worden beperkt. Hiertoe stelt hij dat niet is voldaan aan de richtafstanden voor geluid, als opgenomen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Ten onrechte is de raad hierbij uitgegaan van de omgevingstype "gemengd gebied" en niet van de omgevingstype "rustige woonwijk", aldus [appellant].

7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet door de nieuwe woning in zijn bedrijfsactiviteiten zal worden beperkt. De raad wijst erop dat in de omgeving van de voorziene woning verschillende functies voor komen, zoals bijvoorbeeld wonen, kleine bedrijven en een tankstation. Gelet hierop is bij de vaststelling van het plan uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied" en is voldaan aan de indicatieve richtafstanden als bedoeld in de VNG-brochure, aldus de raad.

7.2. De Afdeling stelt vast dat de raad bij de totstandkoming van het bestemmingsplan heeft aangesloten bij de VNG-brochure. In deze brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, geluid, en gevaar uit te sluiten of althans tot aan aanvaardbaar niveau te beperken. Op het perceel [locatie 2] van [appellant] is een bedrijf tot en met milieucategorie 2, als bedoeld in de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten, mogelijk. In bijlage 1 van de VNG-brochure wordt voor bedrijven in milieucategorie 2 een richtafstand van 30 meter aanbevolen. Deze afstand geldt ten opzichte van een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd, indien sprake is van een omgevingstype "gemengd gebied".

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval sprake is van het omgevingstype "gemengd gebied", gelet op de in het gebied aanwezige functies. Dit betekent dat de VNG-brochure voor dit geval een richtafstand aanbeveelt van 10 meter tot geluidgevoelige bestemmingen. De nieuwe woning is voorzien op 10 m van de perceelsgrens van [appellant] en op ongeveer 13 m van de bedrijfsbebouwing op het perceel van [appellant]. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de richtafstanden als bedoeld in de VNG-brochure. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het toestaan van de woning op het perceel [locatie 1] er toe zal leiden dat hij in zijn bedrijfsactiviteiten wordt beperkt. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat loodgieterswerkzaamheden voornamelijk op locatie plaatsvinden.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt dat de zienswijzennota ten onrechte niet correct in het plan is verwerkt. Hij stelt dat het plan ten onrechte rechtstreeks toestaat dat de nieuwe woning kan worden uitgebouwd in de richting van zijn bedrijf binnen een richtafstand van 10 m tot zijn perceelsgrens, als bedoeld in de VNG-brochure.

8.1. Aan het plandeel voor de gronden grenzend aan het bouwvlak voor de woning is de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor

a. tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gelegen hoofdgebouwen, met de daarbij behorende:

b. erven;

c. parkeervoorzieningen;

d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. overige verhardingen.

Ingevolge lid 5.2.1 gelden voor het bouwen op de gronden met de bestemming "Tuin" de volgende bepalingen:

a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van voor de voorgevellijn van en aansluitend aan de woning gelegen:

1. erkers, serres en andere gebouwen op de begane grond;

2. luifels en dakoverstekken;

3. balkons;

b. onder de volgende voorwaarden:

1. de breedte bedraagt aan de voorzijde maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw tot maximaal 3,5 meter;

2. de maximale bouwhoogte bedraagt het vloerpeil van de eerste verdieping plus 0,25 meter van het hoofdgebouw;

3. de maximale diepte gemeten vanaf de voorgevel bedraagt 25% van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens, met een maximum van 1,5 meter;

4. op een uitbouw is een afscheiding toegestaan met een hoogte van 1 meter gemeten vanaf bovenkant uitbouw.

8.2. In de zienswijzennota is vermeld dat artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels zal worden aangepast, met dien verstande dat de nieuwe woning alleen na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid zodanig kan worden uitgebouwd in de richting van het bedrijf van [appellant] dat de afstand van de uitbouw tot zijn perceelsgrens minder dan 10 m wordt.

Artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels staat echter bij recht toe dat de nieuwe woning kan worden uitgebouwd in de richting van het bedrijf van [appellant] binnen een richtafstand van 10 m, als bedoeld in de VNG-brochure, tot zijn perceelsgrens.

De Afdeling stelt vast dat evenbedoelde aanpassing wel is vermeld in de zienswijzennota, die is vastgesteld in het besluit tot vaststelling van het plan, maar niet is verwerkt in de vastgestelde planregels. De raad heeft dit overigens erkend. Artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels stemt in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels in onderlinge samenhang bezien, in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

9. [appellant] wijst erop dat het plan bij de nieuwe woning een bedrijf aan huis toestaat. Hij stelt dat hieraan ten onrechte geen akoestische onderbouwing ten grondslag is gelegd.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het uitoefenen van een bedrijf aan huis alleen is toegestaan na het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid, zodat een bedrijf aan huis alleen mogelijk is indien wordt voldaan aan de daaraan in de planregels gestelde voorwaarden. De raad stelt dat het afwegingskader voldoende garanties biedt om overlast voor omwonenden te voorkomen.

9.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.10, van de planregels wordt onder "bedrijf aan huis" begrepen bedrijfsmatige activiteiten, die door hun beperkte omvang in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt, en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Ingevolge artikel 7, lid 7.4, wordt tot een met de bestemming "Wonen" strijdig gebruik, zoals bedoeld in artikel 13, in ieder geval gerekend:

a. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken betreft;

b. bewoning als afhankelijke woonruimte, met uitzondering van kamerbewoning;

c. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (inclusief LPG);

d. bed & breakfast;

e. bedrijf aan huis;

f. seksinrichtingen.

Ingevolge lid 7.5.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 7.4, sub e, voor de uitoefening van een bedrijf aan huis in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat:

a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;

b. bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat:

1. het afwijken niet mogelijk is voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is;

2. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;

3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;

4. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;

5. parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden;

6. detailhandel alleen mag plaatsvinden als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het bedrijf aan huis;

7. detailhandel uitsluitend op de begane grondvloer is toegestaan;

8. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van aan huis gebonden bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, zulks met een absoluut maximum van 80 m².

9.3. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk. Uit artikel 7 van de planregels volgt dat de uitoefening van een bedrijf aan huis alleen is toegestaan nadat daarvoor een omgevingsvergunning tot afwijking is verleend. In artikel 7, lid 7.5.1, van de planregels is onder meer als voorwaarde aan het verlenen van een omgevingsvergunning gesteld dat de uitoefening van een bedrijf aan huis geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet te verwachten is dat de uitoefening van een bedrijf aan huis onder deze omstandigheden zal leiden tot een onaanvaardbare toename van overlast voor omwonenden. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen akoestische onderbouwing ten grondslag heeft gelegd aan de mogelijkheid om een bedrijf aan huis uit te oefenen.

Het betoog faalt.

10. [appellant] wijst erop dat in de nabijheid van de nieuwe woning een tankstation is gevestigd. [appellant] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is ingegaan op het advies van de brandweer over de zelfredzaamheid van de bewoners van de woning. Hij betoogt voorts dat onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde woning conform het Bouwbesluit 2012 bereikbaar is voor brandbestrijding.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de zienswijzennota alsook in de plantoelichting voldoende is ingegaan op de risico's van de aanwezigheid van het tankstation voor de bewoners in de omgeving, waaronder mede begrepen de bewoners van de beoogde woning. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het plan, wat betreft brandbestrijding, in overeenstemming is met het Bouwbesluit 2012.

10.2. Ingevolge artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg, die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid onder meer niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1000 m² en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090.

Ingevolge artikel 6.38, eerste lid, zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

Ingevolge het derde lid is de afstand tussen een opstelplaats, als bedoeld in het eerste lid, en een brandweeringang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ten hoogste 40 m.

10.3. Op het perceel [locatie 4] is een LPG-tankstation gevestigd. Dit tankstation ligt naast het perceel van [appellant] en op meer dan 80 m van de beoogde woning. In verband met brand en explosiegevaar is het plan voorgelegd aan Brandweer Brabant-Noord. Het advies van Brandweer Brabant-Noord is als bijlage opgenomen bij het plan. In het advies wordt geconcludeerd dat het vaststellen van het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de benodigde inzet van hulpverleningsdiensten en voor de zelfredzaamheid van bewoners in de omgeving van het tankstation. De zelfredzaamheid is in het advies als goed beoordeeld. Het advies vermeldt tevens dat het voor bewoners mogelijk is om snel via de Roderweg van het tankstation af te vluchten. Hieruit heeft de raad in redelijkheid kunnen afleiden dat de bereikbaarheid van de beoogde woning via het openbare wegennet rondom het tankstation voldoet. De raad heeft zich in de zienswijzennota onder verwijzing naar het advies van de brandweer op het standpunt gesteld dat het realiseren van de in het plan voorziene woning uit het oogpunt van veiligheid van bewoners in de omgeving van het tankstation geen beletsel vormt. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Over het betoog dat onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde woning conform het Bouwbesluit 2012 bereikbaar is voor brandbestrijding, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 in dit geval niet van toepassing is. De raad wijst erop dat de gebruiksoppervlakte 170 m² is en dat de vuurbelasting niet meer dan 500 MJ/m² bedraagt. Daarnaast heeft de raad verklaard dat de afstand tussen de openbare weg, die wordt aangemerkt als een opstelplaats voor brandweervoertuigen, en de toegang tot de woning 33 m bedraagt, hetgeen in overeenstemming is met artikel 6.38, derde lid van het Bouwbesluit 2012. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorziene bouwwerk, wat betreft brandbestrijding, in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012 kan worden gebouwd. Voorts is van belang dat de brandweer positief heeft geadviseerd over de brandbestrijdingsmogelijkheden ter plaatse van het plangebied.

Daargelaten de vraag of de door [appellant] ingeroepen norm kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belangen - in welk geval de aangevoerde beroepsgrond ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging kan leiden - ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan ten onrechte niet is ingegaan op het advies van de brandweer over de zelfredzaamheid van de bewoners van de beoogde woning of dat onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde woning conform het Bouwbesluit 2012 bereikbaar is voor brandbestrijding.

Het betoog faalt.

11. Gelet op hetgeen onder 8.2 is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels. Het beroep is gegrond.

12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beslechting van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 8.2 de planregels in overeenstemming te brengen met de zienswijzennota, voor zover daarin is opgenomen dat uitbouw van de beoogde woning binnen een afstand van 10 m tot de perceelsgrens van [appellant] alleen mogelijk is na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid.

Bij de voorbereiding van het te nemen besluit tot wijziging hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van het plan dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

13. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

14. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Boxtel op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 9 september 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1], Liempde" te herstellen door:

1. met inachtneming van overweging 8.2 de planregels in overeenstemming te brengen met de zienswijzennota, voor zover daarin is opgenomen dat uitbouw van de beoogde woning binnen een afstand van 10 m tot de perceelsgrens van [appellant] alleen mogelijk is na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid;

2. de wijziging(en) van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

3. de Afdeling en [appellant] de uitkomst mede te delen;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 9 september 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1], Liempde".

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Kramer w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015

408.