Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1556

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
201408921/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6662, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft het Waarborgfonds geweigerd de aan de geldverstrekker betaalde borg aan [appellant] kwijt te schelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408921/1/A2.

Datum uitspraak: 13 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2014 in zaak nr. 14/309 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft het Waarborgfonds geweigerd de aan de geldverstrekker betaalde borg aan [appellant] kwijt te schelden.

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het Waarborgfonds het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Waarborgfonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het Waarborgfonds, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel A3, eerste lid, onder c, van de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2007 (hierna: de kwijtscheldingsregeling) is het Waarborgfonds in beginsel bereid, indien het fonds als borg een betaling heeft gedaan aan de geldgever, de vordering ter zake van deze betaling niet bij de geldnemer in te vorderen mits en voor zover naar zijn oordeel is gebleken dat

1. de geldnemer ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw is geweest en

2. de geldnemer zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken.

2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 december 2014 in zaak nr. 201403823/1/A2 geoordeeld dat het Waarborgfonds, anders dan voorheen, geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat het Waarborgfonds geen voor bezwaar en beroep vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb neemt. In de uitspraak van 17 december 2014 heeft de Afdeling overwogen dat alle tot 1 maart 2015 door het Waarborgfonds genomen beslissingen over het al dan niet kwijtschelden van schulden als gevolg van aan geldgevers uitbetaalde verliesdeclaraties, worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in dat artikel. Tegen die besluiten kan bezwaar worden gemaakt bij het Waarborgfonds en beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

De in deze zaak op het bezwaar van [appellant] genomen beslissing van 5 december 2013, die is genomen vóór 1 maart 2015, is aan te merken als een besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter kan worden gemaakt.

3. In 2007 heeft [appellant] de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: woning I) gekocht. Om die woning te kunnen financieren heeft [appellant] een hypothecaire geldlening gesloten. Tot zekerheid voor de nakoming van de hieruit voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft het Waarborgfonds een Nationale Hypotheek Garantie verstrekt. In de geldleningsovereenkomst is de kwijtscheldingsregeling opgenomen.

Op 28 juni 2013 is tot onderhandse verkoop van woning I overgegaan, waarna een schuld van € 43.662,25 resteerde. De geldverstrekker heeft voor dit bedrag een declaratie bij het Waarborgfonds ingediend. Het Waarborgfonds heeft een bedrag van € 34,708,37 aan de geldverstrekker voldaan.

Aan zijn weigering de schuld van € 34,708,37 kwijt te schelden, heeft het Waarborgfonds ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft voldaan aan de kwijtscheldingsregeling. Het Waarborgfonds stelt zich daartoe op het standpunt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken, omdat onvoldoende inspanningen zijn gepleegd om het verlies te vermijden of te beperken. Door het aangaan van de dubbele hypotheeklasten werden door [appellant] de betalings- en kredietrisico’s verhoogd en was de ruimte voor de nakoming van de verplichtingen uit de geldlening voor woning I beperkt. Bovendien heeft [appellant] wel op de geldlening voor woning II afgelost. De financiële gevolgen hiervan kunnen niet bij het Waarborgfonds worden neergelegd, aldus het Waarborgfonds.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij volledige medewerking heeft verleend om zo goed mogelijk tot terugbetaling van de lening te geraken. Hij voert daartoe aan dat de verplichting tot medewerking niet zo ver reikt als door de rechtbank is gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het redelijk was om van hem te vergen woning II te verkopen, nu onzeker was of bij de verkoop van woning II geld over zou blijven om de restschuld van woning I af te lossen of te verlagen en hij en zijn gezin dan niet meer over een woning zouden beschikken.

4.1. In december 2010 heeft [appellant] een koopovereenkomst gesloten voor woning II en op 2 mei 2011 heeft [appellant] die woning in eigendom verkregen. Voor de financiering van woning II heeft [appellant] een hypothecaire geldlening gesloten van ongeveer € 500.000.

Vanaf november 2012 werd [appellant B], die een nul-uren contract had, niet langer door haar werkgever opgeroepen waardoor zij haar inkomen verloor. In januari 2013 is [appellant] vanwege een gebrek aan financiën gestopt met het aflossen van de geldlening voor woning I terwijl hij op de geldlening voor woning II wel is blijven aflossen. Op 28 juni 2013 is woning I verkocht waarna een schuld van € 43.662,25 resteerde.

4.2. Door het aangaan van de dubbele hypotheeklasten heeft [appellant] de betalings- en kredietrisico’s verhoogd en heeft hij zijn ruimte voor de nakoming van de verplichtingen uit de geldlening voor woning I in het geval van financiële tegenslag zeer beperkt. Weliswaar is het verlies van het inkomen van [appellant B] de directe aanleiding voor de betalingsproblemen, maar nu zij een nul-urencontract had, moest [appellant] met verlies van dat inkomen rekening houden. Voorts is [appellant] ervoor verantwoordelijk dat hij door de aankoop van woning II de ruimte voor nakoming van zijn verplichtingen heeft beperkt. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het Waarborgfonds zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] onvoldoende medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken.

4.3. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

362-809.