Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
201403920/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college geweigerd een dwangsom vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403920/1/A3.

Datum uitspraak: 13 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2014 in zaak nr. 13/5216 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college geweigerd een dwangsom vast te stellen.

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 27 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het

proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Mudde-ten Broek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, stelt het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder bestuurlijke aangelegenheid een aangelegenheid verstaan, die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vierde lid verzoekt het bestuursorgaan, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

Ingevolge artikel 6 beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Bij afzonderlijke faxbrieven van 9 januari 2013 heeft [appellant] het college op grond van de Wob verzocht om een kopie van het ontvangstjournaal van de fax van 1 tot en met 30 augustus 2012 onderscheidenlijk een kopie van het ontvangstjournaal van de fax van 1 tot en met 30 september 2012.

Bij brief van 25 april 2013 heeft het college de gevraagde informatie aan [appellant] verstrekt. Bij brief van 26 april 2013 heeft [appellant] het college verzocht een dwangsom vast te stellen, welk verzoek het college bij het besluit van 7 mei 2013 heeft afgewezen. Bij brief van 12 mei 2013 heeft [appellant] tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

3. Bij het besluit van 4 juli 2013 heeft het college zijn besluit van 7 mei 2013 gehandhaafd onder wijziging van de motivering. Overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften van 25 juni 2013 heeft het college zich daarbij op het standpunt gesteld dat de faxbrieven van [appellant] ten onrechte zijn aangemerkt als verzoeken op grond van de Wob. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wob, registers en administraties van in- en uitgaande post geen bestuurlijke aangelegenheid zijn. Die registers en administraties zijn derhalve geen documenten in de zin van de Wob en het verstrekken ervan is een feitelijke handeling. Gelet hierop is de brief van 25 april 2013 geen besluit in de zin van de Awb en zijn geen dwangsommen verbeurd, aldus het college.

4. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat het college de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] is uitgenodigd voor een hoorzitting bij de algemene kamer van de Commissie bezwaarschriften op 28 mei 2013. Zijn verzoek om telefonisch te worden gehoord is door de voorzitter van die kamer afgewezen, omdat daartoe de noodzakelijke apparatuur ontbrak en bovendien op die wijze geen ‘hoor en wederhoor’ kon plaatsvinden. [appellant] heeft voorts geen zwaarwegende redenen naar voren gebracht om telefonisch te worden gehoord.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verzoeken van [appellant] geen betrekking hebben op documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, zodat de reactie op die verzoeken geen besluit is in de zin van de Awb.

5. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de hoorplicht niet heeft geschonden. Hij voert hiertoe aan dat van het horen slechts mag worden afgezien in de gevallen vermeld in artikel 7:3 van de Awb en geen van die gevallen zich voordeed. Hoewel tijdens de parlementaire behandeling van dat artikel is verklaard dat telefonisch horen niet voldoet aan de minimumeisen die in de Awb aan het horen worden gesteld, was dat vooral gericht aan bestuursorganen teneinde de zorgvuldigheid die tijdens de bezwaarprocedure in acht dient te worden genomen, te waarborgen. Dit laat volgens [appellant] onverlet dat een bestuursorgaan gehoor dient te geven aan de wens van een belanghebbende om telefonisch te worden gehoord, zoals in dit geval. Hij merkt daarbij op dat de voorzitter niet bevoegd was zijn verzoek om telefonisch te worden gehoord af te wijzen.

5.1. Het college heeft [appellant] naar aanleiding van zijn bezwaarschrift uitgenodigd voor een hoorzitting op 28 mei 2013. [appellant] heeft vervolgens verzocht om telefonisch te worden gehoord, waarna het college bij brief van 21 mei 2013 aan hem te kennen heeft gegeven dat de voorzitter van de algemene kamer van de Commissie bezwaarschriften zijn verzoek heeft afgewezen, omdat het college niet beschikt over de technische middelen om telefonisch horen mogelijk te maken. Zonder die technische middelen kan onvoldoende hoor en wederhoor plaatsvinden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] in bezwaar noch in beroep enig bijzonder belang om telefonisch te worden gehoord heeft gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de hoorplicht niet heeft geschonden.

Voor het oordeel dat de voorzitter van de algemene kamer van de Commissie bezwaarschriften niet bevoegd was het verzoek van [appellant] om telefonisch te worden gehoord af te wijzen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. Ingevolge artikel 10 van de Verordening commissie bezwaarschriften 2011 draagt de voorzitter van de commissie dan wel van de kamer aan welke de behandeling van het bezwaarschrift is opgedragen er zorg voor dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling ervan genoegzaam voor te bereiden. Ingevolge artikel 12 van die Verordening beslist de voorzitter omtrent de toepassing van artikel 7:3 van de Awb. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorzitter bevoegd was te beslissen om het verzoek van [appellant] om telefonisch te worden gehoord af te wijzen.

Het betoog faalt.

6. [ appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zijn reactie geen besluit is in de zin van de Awb, omdat het zijn verzoeken terecht niet als Wob-verzoeken heeft aangemerkt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij niet heeft vermeld op welke bestuurlijke aangelegenheid de door hem verzochte documenten betrekking hadden en de registers en administraties van in- en uitgaande post als zodanig geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. Hij voert hiertoe aan dat zijn verzoeken afdoende waren geformuleerd en dat onmiskenbaar was op welke documenten zijn verzoeken betrekking hadden. Indien zijn verzoeken volgens het college niet duidelijk waren, had hij de gelegenheid moeten krijgen zijn verzoeken te specificeren. Het college had hem daarbij behulpzaam moeten zijn. Volgens [appellant] hebben de door hem verzochte documenten wel degelijk betrekking op bestuurlijke aangelegenheden.

6.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob dient een bestuursorgaan op een op die wet gebaseerde aanvraag uiterlijk binnen vier weken een besluit te nemen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2006 (in zaak nr. 200603894/1; www.raadvanstate.nl) volgt dat die termijn ook geldt indien het besluit ertoe strekt dat de aanvraag moet worden afgewezen omdat deze geen betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob. Gelet hierop was het college, daargelaten of de verzochte documenten betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid, gehouden binnen de daarvoor gestelde termijn een besluit te nemen. Van andere gronden waarop de verzoeken van [appellant] niet zouden kunnen worden aangemerkt als verzoeken op grond van de Wob waarop het college een besluit diende te nemen, is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de reactie van het college geen besluit is.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 juli 2013 gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

8. Niet in geschil is dat het besluit van het college van 25 april 2013 niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wob is genomen. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. De eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, is op grond van het derde lid van dat artikel de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2014 (in zaak nr. 201402074/1/A3) is sprake van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. [appellant] stelt dat hij het college bij brief van 12 februari 2013 in gebreke heeft gesteld.

Naar het oordeel van de Afdeling is die brief geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, nu uit de bewoordingen ervan niet duidelijk is dat [appellant] het college maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Uit de brief volgt weliswaar dat [appellant] het college verzoekt alsnog beslissingen te nemen op zijn verzoeken van 9 januari 2013, maar hij stelt daarbij niet dat het college niet tijdig op die verzoeken zou hebben beslist. Het college kon uit de brief niet afleiden dat het in gebreke was een besluit te nemen. [appellant] merkt slechts op dat hij nog geen reactie heeft mogen ontvangen op zijn verzoeken. Uit die bewoordingen is voorts niet duidelijk dat de brief betrekking heeft op verzoeken op grond van de Wob, zodat het college daaruit evenmin heeft kunnen afleiden dat het in gebreke was.

Nu de brief van 12 februari 2013 geen ingebrekestelling is als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb heeft het college zich terecht, zij het op andere gronden, op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 4 juli 2013 geheel in stand blijven.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2014 in zaak nr. 13/5216;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen van 4 juli 2013, kenmerk: 656825, gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Borman w.g. Veenboer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

730.