Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
201406138/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2013 (hierna: primair besluit 1) heeft de staatssecretaris [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat [appellant] uiterlijk voor 25 februari 2013 de legale herkomst van 67 dieren dient aan te tonen. Tevens heeft de staatssecretaris [appellant] in primair besluit 1 een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van een aantal van deze dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6910
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406138/1/A3.

Datum uitspraak: 13 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2014 in zaak nr. 13/5162 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2013 (hierna: primair besluit 1) heeft de staatssecretaris [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat [appellant] uiterlijk voor 25 februari 2013 de legale herkomst van 67 dieren dient aan te tonen. Tevens heeft de staatssecretaris [appellant] in primair besluit 1 een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van een aantal van deze dieren.

Bij besluit van 1 maart 2013 (hierna: primair besluit 2) heeft de staatssecretaris [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van een ander aantal van deze dieren.

Bij besluiten van 18 maart 2013 en 24 april 2013 (hierna: primair besluit 3 en 4) heeft de staatssecretaris besloten dat [appellant] dwangsommen van € 19.000,00 en € 500,00 heeft verbeurd wegens het niet voldoen aan de in primair besluit 1 opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van 39 dieren.

Bij besluit van 11 november 2013, voor zover van belang, heeft de staatssecretaris het door [appellant] tegen de primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.R. Goppel, advocaat te Haarlem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.C.M. Harteveld-van den Bosch, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [directeur] van reptielenzoo Serpo, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Verordening (EG) Nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de basisverordening) is de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten verboden.

Ingevolge het vijfde lid gelden de in het eerste lid genoemde verbodsbepalingen ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-staat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) worden alle van nature in Nederland voorkomende soorten amfibieën en reptielen als beschermde inheemse diersoort aangemerkt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur als beschermde uitheemse diersoort worden aangewezen diersoorten die niet van nature in Nederland voorkomen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, is het verboden dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Ffw (hierna: de Regeling) geldt van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet een vrijstelling voor dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A van de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

Ingevolge het tweede lid geldt, onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in Bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de dieren in Nederland zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die soorten betreft, betrokken producten van gefokte dieren afkomstig zijn.

Ingevolge artikel 112, eerste lid, van de Ffw is de minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Ingevolge artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staan de bedragen van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

2. Op 14 augustus 2012 heeft de staatssecretaris, nadat is geconstateerd dat [appellant] de Ffw heeft overtreden, 79 dieren met spoed in bewaring genomen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem heeft bij mondelinge uitspraak van 12 december 2012 bij wijze van voorlopige voorziening de staatssecretaris opgedragen de in beslag genomen dieren aan [appellant] terug te geven. Tussen partijen is overeengekomen dat de dode dieren, ook die tijdens de bewaring zijn overleden, op een later moment worden teruggegeven dan de levende, zodat daarop nog sectie kan worden verricht.

Bij primair besluit 1 is [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd die inhoudt dat hij vóór 25 februari 2013 de legale herkomst van 67 dieren aantoont. Voorts zijn bij primair besluit 1 wegens het nog niet aangetoond hebben van de legale herkomst van de dieren aan de opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van 46 levende dieren drie maatregelen verbonden die [appellant] ten aanzien van deze dieren in acht dient te nemen. Eén van de maatregelen houdt in dat de dieren op het adres van [appellant] worden gehouden. De dieren mogen niet worden vervoerd, overgedragen of worden gehouden op een ander adres dan dat van [appellant]. Indien [appellant] niet aan de opgelegde maatregelen voldoet, verbeurt hij per maatregel, per constatering, per dier, een dwangsom van € 500,00 met een maximum van € 20.000,00.

Bij primair besluit 2 heeft de staatssecretaris [appellant] met betrekking tot 12 dode dieren wegens het nog niet aangetoond hebben van de legale herkomst een last onder dwangsom opgelegd, waaraan eveneens de maatregel is verbonden dat die dieren op zijn adres moeten worden gehouden en niet mogen worden vervoerd of overgedragen. Met het niet voldoen aan de opgelegde maatregel verbeurt [appellant] een dwangsom van € 250,00 per constatering, per dier, met een maximum van € 5.000,00.

Bij primair besluit 3 heeft de staatssecretaris van [appellant] een verbeurde dwangsom van € 19.000,00 ingevorderd. De staatssecretaris heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit een e-mailbericht van 27 februari 2013 van [appellant] blijkt dat hij 38 dieren waarop de last onder dwangsom zag, heeft overgedragen aan dierenartsen voor het uitvoeren van sectie. Op 1 maart 2013 kon [appellant] de dieren derhalve niet aan de toezichthouders tonen. Daarmee heeft [appellant] zich niet gehouden aan de in primair besluit 1 opgelegde last dat de dieren op zijn adres worden gehouden.

Bij primair besluit 4 heeft de staatssecretaris van [appellant] een verbeurde dwangsom van € 500,00 ingevorderd. [appellant] heeft verklaard dat de in zijn bezit zijnde vogelspin is gedetermineerd als een Chileense vogelspin (Grammostola rosea). De staatssecretaris heeft daaruit opgemaakt dat de op 15 februari 2013 aan [appellant] teruggegeven vogelspin die is gedetermineerd als een krulhaarvogelspin (Brachypelma albopilosum) niet meer in [appellant]s bezit is. Daarmee heeft [appellant] niet voldaan aan de in primair besluit 1 opgelegde last tot het houden van de vogelspin op zijn adres.

3. Bij het besluit op bezwaar van 11 november 2013 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat [appellant] voor vier soorten dieren bij brief van 24 februari 2013 de legale herkomst heeft aangetoond. Derhalve dient [appellant] nog van 5 soorten dieren, de krulhaarvogelspin, de axolotl, de kleine watersalamander, de vuursalamander en de ondersoorten daarvan, de legale herkomst aan te tonen. In zoverre handhaaft de staatssecretaris de last onder bestuursdwang zoals opgelegd in primair besluit 1. De bezwaren tegen de opgelegde lasten onder dwangsom en de invorderingsbesluiten verklaart hij ongegrond.

4. [appellant] betoogt dat het belang dat de Ffw beoogt te beschermen het niet zonder vrijstelling onder zich hebben van beschermde diersoorten is. De opgelegde lasten onder dwangsom houden echter in dat [appellant] de beschermde diersoorten juist wel onder zich moet houden, zodat deze in strijd met het bepaalde in artikel 5:32, tweede lid, van de Awb zijn opgelegd, aldus [appellant].

4.1. [appellant] heeft dit betoog voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

De krulhaarvogelspin

5. [appellant] betwist dat de door [directeur] onderzochte spin de bij hem in beslag genomen spin is. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op basis van het onderzoek van [directeur] op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in bewaring genomen vogelspin een krulhaarvogelspin (Brachypelma albopilosum) is. Ter zitting bij de rechtbank werd duidelijk dat [directeur] de spin met een gewone microscoop heeft onderzocht. Om de brandharen van de vogelspin goed te kunnen waarnemen moet echter gebruik worden gemaakt van een elektronenmicroscoop. Uit het verslag van 18 maart 2013 van een onderzoek van [voorzitter] van de Vogelspinnen Vereniging Nederland, waarbij gebruik is gemaakt van een elektronenmicroscoop, blijkt dat de vogelspin die hij in bezit heeft een Chileense vogelspin (Grammostola rosea) is, aldus [appellant].

5.1. De krulhaarvogelspin is een in Bijlage B van de basisverordening opgenomen beschermde uitheemse diersoort. De Chileense vogelspin is geen beschermde uitheemse diersoort.

[directeur] heeft van de in beslag genomen en aan [appellant] teruggegeven, door hem als krulhaarvogelspin gedetermineerde, spin foto’s gemaakt. Deze foto’s dateren van 20 augustus 2012, zes dagen na de inbeslagname, van 7 januari 2013 en van 14 februari 2013, een dag voor de teruggave van de spin aan [appellant]. Ook [voorzitter] heeft foto’s gemaakt van de door hem, na teruggave van de spin aan [appellant], onderzochte, als Chileense vogelspin gedetermineerde spin. [appellant] heeft in beroep en hoger beroep betoogd dat op de foto’s van [directeur] een ander soort spin te zien is dan op de foto’s van [voorzitter]. Hij heeft op basis daarvan gesteld dat [directeur] een andere spin heeft onderzocht dan aan hem is teruggegeven. Ter zitting heeft [appellant] echter verklaard dat [voorzitter] de foto’s van [directeur] heeft gezien en dat [voorzitter] van mening is dat daarop een Chileense vogelspin is te zien in plaats van een krulhaarvogelspin. Deze verklaring van [appellant] is in tegenspraak met zijn eerdere betoog dat de door [directeur] onderzochte spin van een ander soort is dan de door [voorzitter] onderzochte spin. Reeds gelet op deze tegenstrijdigheden faalt het betoog van [appellant] dat niet zijn spin maar een ander soort spin door [directeur] is onderzocht. Evenmin is aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat de door [voorzitter] onderzochte spin dezelfde is als de eerder in beslag genomen spin.

Uit het onderzoeksrapport van [directeur] blijkt dat hij de in bewaring genomen spin morfologisch heeft onderzocht en de brandharen heeft bestudeerd met een microscoop. Op basis daarvan heeft hij geconcludeerd dat de in bewaring genomen spin een krulhaarvogelspin is. [directeur] heeft ter zitting toegelicht dat de brandharen tussen de 0,4 en 0,6 mm zijn en derhalve met een gewone microscoop kunnen worden gezien. Nu voorts, zoals hiervoor is overwogen, niet is komen vast te staan dat het onderzoeksrapport van [voorzitter] op dezelfde spin ziet als die uit het onderzoeksrapport van [directeur], heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat dit laatste rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op basis van de bevindingen van [directeur] op het standpunt heeft mogen stellen dat de in beslag genomen spin een krulhaarvogelspin is. Deze spin is derhalve een andere dan de door [voorzitter], als Chileense vogelspin gedetermineerde, bij [appellant] na 15 februari 2013 aanwezige spin. De staatssecretaris heeft niet bestreden dat de spin op de foto’s van [voorzitter] een Chileense vogelspin is. Gelet hierop wordt geoordeeld dat [appellant] niet heeft voldaan aan de hem opgelegde last onder dwangsom inhoudende dat hij de in beslag genomen en teruggegeven, terecht als krulhaarvogelspin gedetermineerde, spin op zijn adres moest houden. [appellant] heeft evenmin de legale herkomst van deze spin aangetoond.

Het betoog faalt.

De axolotl, de kleine watersalamander en de vuursalamander

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft gemotiveerd dat voor de axolotl (Ambystoma mexicanum) een vrijstelling van het verbod van artikel 13 van de Ffw geldt. Hij voert daartoe aan dat de dieren in het wild vrijwel uitgestorven zijn, maar deze in dierenwinkels zonder papieren te koop zijn. Dit zijn gefokte dieren, aldus [appellant].

6.1. De axolotl is een in Bijlage B van de basisverordening opgenomen beschermde uitheemse diersoort. Voor deze dieren geldt, ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Regeling vrijstelling van het verbod van artikel 13, eerste lid, van de Ffw, indien kan worden aangetoond dat deze dieren zijn gefokt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] met de stelling dat deze dieren in het wild vrijwel uitgestorven zijn en in dierenwinkels gefokte exemplaren zonder papieren te koop zijn, niet heeft aangetoond dat de exemplaren die hij in bezit heeft gefokte dieren zijn. [appellant] heeft in hoger beroep een verklaring overgelegd van een niet nader omschreven heer Oliver Bölte, met als dagtekening "Paderborn den 05.06.2009", dat [appellant] van hem twee axolotls heeft ontvangen. Daargelaten of hij daarmee heeft aangetoond dat de bij [appellant] aangetroffen axolotl onder de vrijstelling vallen, is deze verklaring te laat overgelegd en leidt die niet tot het oordeel dat aan [appellant] ten onrechte de in de primaire besluiten 1 en 2 opgelegde lasten onder bestuursdwang en dwangsom zijn opgelegd.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zijn verantwoordelijkheid is te voorkomen dat de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) in zijn salamanderpit kruipt en de aangetroffen kleine watersalamanders derhalve onder hem berusten. Hij voert daartoe aan dat hij nooit de intentie heeft gehad deze kleine watersalamander, die volgens hem in elke tuin voorkomt, onder zich te houden.

7.1. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat niet is aangetoond dat de kleine watersalamander juist is gedetermineerd, wordt overwogen dat [appellant] dit voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

7.2. De kleine watersalamander is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw.

[appellant] heeft tijdens de hoorzitting ter behandeling van zijn bezwaarschriften te kennen gegeven dat de salamanders de pit in kunnen kruipen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het de verantwoordelijkheid van [appellant] is om te voorkomen dat andere dieren hun intrek nemen in de salamanderpit van de dieren die [appellant] bewust in het verblijf houdt. [appellant] heeft niet aangetoond dat daartoe geen maatregelen zijn te treffen.

Het betoog faalt in zoverre.

8. Voorts betoogt [appellant] ten aanzien van de vuursalamanders dat de rechtbank hem ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn met een overdrachtsformulier van dierenspeciaalzaak ’t Guppy te Ede onderbouwde stelling dat deze salamanders ten onrechte als zodanig zijn gedetermineerd. De vuursalamander (Salamandra salamandra) en een ondersoort daarvan (Salamandra salamandra terrestris) zijn ten onrechte niet gedetermineerd als een Corsicaanse vuursalamander (Salamandra corsica). Hij voert daartoe aan dat de salamanders die hij aan ’t Guppy heeft geleverd en als Corsicaanse vuursalamanders zijn gedetermineerd uit dezelfde groep komen als de in beslag genomen salamanders. Daarbij komt dat [directeur] ter zitting bij de rechtbank te kennen heeft gegeven niet tevreden te zijn met de uitkomst van het DNA-onderzoek bij Naturalis, nu uit dat onderzoek is gebleken dat het gaat om een gehybridiseerde vorm van de Salamandra salamandra terrestris en de Corsicaanse vuursalamander. Een dergelijke gehybridiseerde vorm komt echter niet voor, zodat aan het onderzoek van Naturalis geen waarde kan worden gehecht, aldus [appellant].

8.1. De vuursalamander, inclusief de genoemde ondersoort, is net als de kleine watersalamander een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw. De Corsicaanse salamander is geen beschermde diersoort.

Het onderzoeksrapport van [directeur] vermeldt dat de bedoelde salamanders behoren tot de soort vuursalamander dan wel een ondersoort daarvan en niet behoren tot de soort Corsicaanse vuursalamander. Hij heeft dit vastgesteld aan de hand van morfologisch onderzoek. Voorts staat in het onderzoeksrapport van Naturalis niet dat het om een gehybridiseerde vorm gaat, maar dat het DNA van de dieren 100% overeenkomt met dat van de vuursalamander. [directeur] heeft hier ter zitting ook op gewezen. De enkele stelling van [appellant] dat de in beslag genomen salamanders van dezelfde soort zijn als de salamanders genoemd op het overdrachtsformulier van ’t Guppy, omdat zij uit dezelfde groep komen, behoefde niet tot de conclusie te leiden dat de onderzoeksrapporten van [directeur] en Naturalis naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen, inhoudelijk tegenstrijdig zijn of anderszins niet of niet voldoende concludent zijn. De staatssecretaris mocht zich in zijn besluitvorming derhalve op de in deze rapporten neergelegde bevindingen baseren. De rechtbank heeft dit niet miskend.

Het betoog faalt.

9. Gelet op het falen van de betogen over voornoemde diersoorten wordt geoordeeld dat [appellant] ten aanzien van deze dieren ten tijde van het nemen van het besluit van 11 november 2013 nog niet had aangetoond dat het houden daarvan niet in strijd is met artikel 13, eerste lid, van de Ffw. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat aan [appellant] de opgelegde lasten onder bestuursdwang en dwangsom konden worden opgelegd.

10. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris niet tot invordering van de dwangsommen ten aanzien van de dode dieren had mogen overgaan. Hij heeft destijds de dode dieren weggebracht om sectie te laten verrichten, maar heeft ze onmiddellijk naar zijn woning teruggebracht toen de staatssecretaris hem te kennen gaf dat hij hiermee een dwangsom verbeurde. De dwangsom heeft dus wel degelijk de beoogde werking gehad en het door de Ffw beschermde belang is niet geschonden. De staatssecretaris had derhalve niet tot invordering over mogen gaan, aldus [appellant].

10.1. Niet in geschil is dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de opgelegde lasten de dieren onder zich te houden en daarmee een dwangsom heeft verbeurd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201400392/1/A4; www.raadvanstate.nl), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en derhalve dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

De staatssecretaris heeft in de door [appellant] gestelde omstandigheid dat hij de dieren, nadat hij begreep dat hij een dwangsom verbeurde, naar zijn adres heeft teruggebracht, geen aanleiding hoeven zien om geheel dan wel gedeeltelijk van invordering van de verbeurde dwangsom af te zien. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris daarbij de omstandigheid dat [appellant] hem niet vooraf heeft medegedeeld dat hij de dieren ter sectie zou overdragen, heeft mogen meewegen.

Het betoog faalt.

10.2. Het betoog van [appellant] dat het aantal dieren niet klopt, is niet gericht tegen de aangevallen uitspraak en faalt reeds daarom.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Slump w.g. Zegveld

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

43-773.