Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
201406701/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:9130, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag voor [appellant] over 2011 definitief vastgesteld op € 1.837,00 en € 660,00 aan teveel uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406701/1/A2.

Datum uitspraak: 13 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2014 in zaak nr. 14/1830 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag voor [appellant] over 2011 definitief vastgesteld op € 1.837,00 en € 660,00 aan teveel uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 20 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Colgecen, advocaat te Den Haag, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, zoals deze gold ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA; thans: Basisregistratie Persoonsgegevens).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f van de Awir, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder partner verstaan: de persoon bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is de partner van de belanghebbende de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner.

Ingevolge artikel 6, derde lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op basis waarvan iemand die in de GBA niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven.

Ingevolge het vierde lid wordt voor de toepassing van het derde lid naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, heeft de omstandigheid dat aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, en hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.

Ingevolge het tweede lid heeft de belanghebbende, ingeval zijn partner een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, geen aanspraak op een tegemoetkoming.

Ingevolge artikel 47, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt als datum van adreswijziging de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir (hierna: Uitvoeringsregeling), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt iemand die in de GBA niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens voor de periode tot aan de datum van adreswijziging bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet GBA.

2. Aan het besluit van 13 september 2013, gehandhaafd bij dat van 20 november 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de echtgenote van [appellant] niet als toeslagpartner wordt aangemerkt, omdat zij niet op hetzelfde adres in de GBA stond ingeschreven.

3. [appellant] heeft eerst in hoger beroep aangevoerd dat de Belastingdienst/Toeslagen hem in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord, en het besluit van 20 november 2013 onzorgvuldig heeft voorbereid. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom de betogen niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen de betogen buiten beschouwing te blijven.

4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenote van [appellant] over het toeslagjaar 2011 niet als toeslagpartner kan worden aangemerkt, omdat zij niet op hetzelfde adres als [appellant] in de GBA was ingeschreven. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een van de in artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling bedoelde situaties voordoet, op grond waarvan zijn echtgenote moet worden geacht op zijn adres te zijn ingeschreven.

4.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus, dat zich volgens hem de situatie voordoet als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling. Die situatie houdt, samengevat weergegeven, in dat de inschrijving in de GBA onjuist was en is opgevolgd door een juiste inschrijving.

[appellant] heeft bij formulier van 18 februari 2011 een aanvraag huurtoeslag voor 2011 ingediend. Op dat formulier heeft [appellant] vermeld dat zijn echtgenote op een adres in Marokko woont. Het opgegeven adres komt overeen met het adres dat destijds in de GBA was opgenomen, hetgeen niet duidt op een onjuiste inschrijving. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de echtgenote zich eerst op 6 februari 2014 heeft ingeschreven op het adres van [appellant]. Gelet hierop, en op de overgelegde stukken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt mocht stellen dat de overgelegde stukken geen grond geven voor het oordeel dat de inschrijving in de GBA niettemin onjuist is tot aan de datum van adreswijziging. De rechtbank is eveneens terecht tot het oordeel gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenote van [appellant] niet als zijn toeslagpartner kon worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt tot slot tevergeefs dat zich de situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Awir voordoet, nu zijn echtgenote, naar hij stelt, in 2011 rechtmatig in Nederland verbleef. Het geschil ziet echter niet op de aanspraak van zijn echtgenote, maar op die van [appellant] zelf, zodat het beroep op artikel 9, eerste lid, van de Awir hem reeds daarom niet kan baten.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

480-799.