Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
201406037/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:3396, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2013 heeft het college, voor zover van belang, het verzoek van [verzoekster] om handhavend op te treden tegen [belanghebbende], handelend onder de naam [bedrijf A] en [bedrijf B] (hierna: [bedrijf]), wegens het gebruik van het perceel [locatie] te Tubbergen (hierna: het perceel) voor bedrijfsactiviteiten in strijd met het bestemmingsplan, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406037/1/A1.

Datum uitspraak: 13 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 juni 2014 in zaak nr. 14/439 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2013 heeft het college, voor zover van belang, het verzoek van [verzoekster] om handhavend op te treden tegen [belanghebbende], handelend onder de naam [bedrijf A] en [bedrijf B] (hierna: [bedrijf]), wegens het gebruik van het perceel [locatie] te Tubbergen (hierna: het perceel) voor bedrijfsactiviteiten in strijd met het bestemmingsplan, afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft het college naar aanleiding van het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar besloten het besluit van 16 september 2013 in stand te laten.

Bij uitspraak van 24 juni 2014 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 januari 2014 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 4 december 2014 heeft het college opnieuw naar aanleiding van het bezwaarschrift van [verzoekster] het verzoek om handhavend op te treden, afgewezen.

[verzoekster] heeft daartegen gronden ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2015, waar het college, vertegenwoordigd door C.I. Migchielsen, werkzaam voor de gemeente, en [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. R. de Kamper, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [bedrijf] heeft zich op 1 juni 2013 gevestigd op het bedrijventerrein Tubbergen en richt zich op de verkoop van automaterialen (slijtage delen), accessoires, gereedschappen en equipment.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein" rust op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "milieucategorie 3b".

Ingevolge artikel 6.1 van de planvoorschriften zijn de als ‘bedrijventerrein’ bestemde gronden bestemd voor:

a. bedrijven in de subbestemmingen:

3b bedrijven tot en met milieucategorie 3b van de staat van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder d, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 6.1, onder a, ten behoeve van:

- detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen, waarbij de veiligheidsaspecten in acht moeten worden genomen;

- detailhandel van in eigen bedrijf vervaardigde goederen als ondergeschikte nevenactiviteit van de bedrijfsactiviteit, tot een maximum van 10% van het bruto verkoopvloeroppervlak, doch nimmer meer dan 75 m2;

- detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto’s, boten, caravans, keukens, badkamers, grove bouwmaterialen, bouwmarkten met een maximum oppervlakte van 1.500 m2 en landbouwwerktuigen;

- tuincentra;

- individuele meubeltoonzalen met een maximum oppervlakte van 1.500 m2 verkoopvloeroppervlak per zaak.

Ingevolge artikel 19.1 is het verboden de grond en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 19.2, aanhef en onder d, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan detailhandel, met uitzondering van detailhandel die is toegestaan in of krachtens deze voorschriften.

Ingevolge artikel 1.1 wordt in deze voorschriften onder detailhandel verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

In de staat van bedrijfsactiviteiten is onder meer het volgende opgenomen:

50 Handel/reparatie van auto’s, motorfietsen; benzineservicestations 503, 504 Handel in auto- en motorfietsonderdelen en –accessoires categorie 2;

51 Groothandel en handelsbemiddeling.

3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Uit artikel 6.1, onder a, van de planvoorschriften gelezen in verbinding met de staat van bedrijfsactiviteiten vloeit voort dat op het perceel detailhandel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires is toegestaan, aldus het college. Uit artikel 19.2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften volgt volgens het college niet dat dit gebruik niet is toegestaan, nu ook krachtens de planvoorschriften bij staat van bedrijfsactiviteiten detailhandel kan zijn toegestaan. In de staat van bedrijfsactiviteiten is groothandel als aparte categorie genoemd. Dit betekent volgens het college dat handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires moet worden uitgelegd als detailhandel. Tot slot voert het college aan dat uit artikel 6.3, aanhef en onder d, niet kan worden afgeleid dat geen detailhandel op het perceel is toegestaan, zoals de rechtbank heeft overwogen.

3.1. Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel onder meer detailhandel wordt bedreven.

Uit artikel 19.2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften vloeit voort dat een gebruiksverbod geldt voor detailhandel, tenzij deze in of krachtens deze voorschriften is toegestaan. Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, zijn op het perceel bedrijfsactiviteiten toegestaan tot en met categorie 3b van de staat van bedrijfsactiviteiten. De bedrijfsactiviteit van [bedrijf] dient te worden aangemerkt als "handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires" met SBI-code 503, 504 als bedoeld in de staat van bedrijfsactiviteiten, categorie 2. Het college heeft terecht betoogd dat uit artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de staat van bedrijfsactiviteiten, volgt dat detailhandel op het perceel is toegestaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat gelet op het samenstel van de verzamelactiviteiten "Handel" in SBI code 50 en "Groothandel" in SBI code 51 detailhandel, gelet op het onderscheid met groothandel, kan worden vervat onder "Handel". Uit artikel 6.3, aanhef en onder d, van de planvoorschriften vloeit niet voort, dat deze vorm van detailhandel op het perceel niet is toegestaan, nu daarin slechts is opgenomen dat het college voor specifieke vormen van detailhandel vrijstelling kan verlenen. Dat laat onverlet dat op grond van artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften rechtstreeks detailhandel is toegelaten.

De rechtbank heeft niet onderkend dat bij de bestemming "Bedrijventerrein" krachtens de planvoorschriften in de staat van bedrijfsactiviteiten detailhandel is toegelaten. Het college was derhalve niet bevoegd op grond van het bestemmingsplan tegen de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] handhavend op te treden.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoekster] tegen het besluit van 14 januari 2014 alsnog ongegrond verklaren.

5. Bij besluit van 4 december 2014 heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw op de bezwaren van [verzoekster] beslist en haar verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak komt de grondslag aan het besluit van 4 december 2014 te ontvallen. De Afdeling zal het beroep tegen dit besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 juni 2014 in zaak nr. 14/439;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [verzoekster] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen van 4 december 2014 gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen van 4 december 2014, kenmerk U14.022650.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Kramer w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

414-761.