Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
201408601/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het besluit van 16 september 2014 heeft het college het uitwerkingsplan "De Beljaart, fase 2A" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408601/1/R3.

Datum uitspraak: 6 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Dongen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongen,

verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 16 september 2014 heeft het college het uitwerkingsplan "De Beljaart, fase 2A" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J.H. Rijken-de Haan en B.W. Lambooij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het uitwerkingsplan voorziet in woningbouw als onderdeel van het woningbouwproject De Beljaart en vormt een uitwerking van het gelijknamige bestemmingsplan. Het uitwerkingsplan voorziet onder andere in de bouw van dertig aaneengesloten woningen tussen het Kloosterpad en de Achterhuizen.

2. Het beroep van [appellant] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "aaneengebouwd" tussen het Kloosterpad en de Achterhuizen, voor zover hiermee wordt voorzien in de bouw van woningen op de gronden grenzend aan het Kloosterpad, tussen zijn perceel [locatie A] en het perceel Kloosterpad 26. Voorts richt het beroep zich tegen de plandelen met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" aan weerszijden van dit plandeel.

[appellant] betoogt dat het ontwerp voor het uitwerkingsplan ter inzage is gelegd in de vakantieperiode. Mede hierdoor heeft het college maar een beperkt aantal zienswijzen ontvangen. Verder voert hij aan dat het uitwerkingsplan voorziet in zeven aaneensluitende woningen tussen de percelen [locatie A] en 26. Deze passen volgens hem niet goed bij de bestaande architectuur van de woningen aan het Kloosterpad. Met het oog op de uitstraling en de aansluiting op de bestaande inrichting van het Kloosterpad verdient het volgens hem de voorkeur om ter plaatse drie vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast wordt hiermee volgens [appellant] beter aangesloten op het zogeheten stichtenprincipe, doordat de realisatie van dwarsverbindingen achterwege kan blijven.

Verder stelt [appellant] dat het college heeft besloten om het Beeldkwaliteitsplan De Beljaart in te trekken. Het Beeldkwaliteitsplan diende volgens hem om de ontwikkeling van De Beljaart vorm te geven. In plaats daarvan zal het gemeentebestuur een supervisor aantrekken voor het verrichten van een welstandstoets. Onduidelijk is volgens [appellant] welke richtlijnen deze supervisor zal hanteren, waar eerder het Beeldkwaliteitsplan wel concrete uitgangspunten bevatte.

Verder stelt [appellant] dat het niet wenselijk is dat het aantal verkeersbewegingen op het Kloosterpad zal toenemen. Het is daarom volgens hem onwenselijk dat het plan binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" voorziet in een dwarsverbinding, de nog aan te leggen Haagwinde. [appellant] vreest door die dwarsverbinding voor een toename van sluipverkeer van en naar het medisch centrum Beljaart aan het Kloosterpad. Door de Haagwinde niet rond te laten lopen op het Kloosterpad wordt de verkeersbelasting zo laag mogelijk gehouden. [appellant] stelt dat het noodzakelijk is om de verkeersstromen beperkt te houden met het oog op de reeds bestaande hoeveelheid verkeer van en naar het Medisch Centrum Beljaart aan het Kloosterpad.

Voorts voert [appellant] aan dat het uitwerkingsplan ten koste gaat van de diversiteit aan natuurlijk leven in het plangebied. Hierbij merkt hij op dat op zijn perceel een nestkast voor steenuilen aanwezig is.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de beoogde nieuwbouw van aaneengesloten woningen stedenbouwkundig past in een gevarieerd straatbeeld. De beoogde dwarsverbinding binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" naast de beoogde woningen betekent volgens hem geen inbreuk op het stichtenprincipe, nu de stichten herkenbaar zijn aan groene boomelementen. Over het Beeldkwaliteitsplan stelt de raad dat dit buiten toepassing is verklaard om bij te dragen aan een beter ontwikkelingsklimaat voor de woningen. In plaats daarvan is voor het gebied een supervisor aangesteld voor de architectonische kwaliteit van de woningen. Daarnaast is een visiedocument beeldkwaliteit De Beljaart vastgesteld, dat een handleiding vormt voor de supervisor. Over de verkeersafwikkelingen naar aanleiding van de woningbouw stelt de raad dat twee zogenoemde knippen zullen worden aangelegd om sluipverkeer op het Kloosterpad te voorkomen. Op basis van het beperkte aantal nieuwe woningen aan het Kloosterpad zal de verkeersafwikkeling volgens de raad aanvaardbaar verlopen. Voorts zullen aanvullende maatregelen worden getroffen om de gevolgen voor het leefgebied van beschermde diersoorten te beperken, aldus de raad.

2.2. Over het betoog van [appellant] dat het ontwerpplan ten onrechte in een vakantieperiode ter inzage heeft gelegen, wordt overwogen dat noch de Wet ruimtelijke ordening noch de Algemene wet bestuursrecht zich tegen die handelwijze verzet.

2.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder c, van de planregels zijn op de gronden met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" alleen aaneengesloten woningen toegestaan.

Ingevolge lid 5.2.1, onder g, bedraagt de maximaal toegestane bouwhoogte van hoofdgebouwen 10 m.

2.4. Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van dertig woningen op de percelen met de bestemming "Wonen" tussen het Kloosterpad en de Achterhuizen. Uit het uitwerkingsplan volgt niet dat er zeven aaneengesloten woningen grenzend aan het Kloosterpad zullen worden gebouwd. Het plan staat hier evenmin aan in de weg. In het enkele gegeven dat het plan voorziet in aaneengesloten in plaats van vrijstaande woningen, terwijl in de directe omgeving van deze gronden geen aaneengesloten woningen staan, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorziene woningen stedenbouwkundig niet passen bij de overige bebouwing aan het Kloosterpad.

Voor zover [appellant] aanvoert dat onduidelijk is welke richtlijnen voor welstand de aangestelde supervisor zal hanteren en dat de woningen architectonisch niet bij de overige bebouwing zullen passen geldt dat het hier gaat om welstandsaspecten die niet aan de orde kunnen komen in de uitwerkingsplanprocedure. Overigens kan dit aan de orde komen bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van deze woningen. In dit verband wordt nog overwogen dat van de zijde van de raad is aangegeven dat de nieuwbouw qua architectuur zal moeten passen bij de architectuur van de woningen bij het plangebied.

Over het door [appellant] genoemde stichtenprincipe overweegt de Afdeling als volgt. Met stichten wordt in dit geval gedoeld op oude zandpaden waarlangs vroeger de ontginning van het veen plaatsvond. Een van deze stichten is het Achterhuizensticht ten noorden van het bestreden plandeel met de bestemming "Wonen". De Afdeling leidt uit de plantoelichting van het bestemmingsplan af dat stichten worden gekarakteriseerd door een rij bomen die aan een of beide zijden van het sticht staan. Dwarsverbindingen doen volgens de plantoelichting en de nota van zienswijzen bij het uitwerkingsplan geen afbreuk aan stichten, maar vormen verbindingen tussen stichten en leiden aldus tot ontsluiting van een wijk. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde dwarsverbinding tussen het Kloosterpad en de Achterhuizen een onaanvaardbare inbreuk vormt op het karakter van stichten.

Het betoog faalt.

2.5. Wat betreft de verkeersafwikkeling aan het Kloosterpad vermeldt de nota van zienswijzen dat maatregelen zullen worden getroffen om te voorkomen dat sluipverkeer via de Beljaartlaan, Veenmos, Achterhuizensticht en Haagwinde gebruik zal maken van het Kloosterpad bij wijze van noord-zuidverbinding. Het college heeft het voornemen om twee zogenoemde knippen te realiseren. Een bestaande knip wordt verplaatst naar de westelijk gelegen kruising van het huidige Kloosterpad en de toekomstige Haagwinde, die langs het blok van nieuwbouwwoningen zal lopen. De andere knip komt bij het oostelijker gelegen kruispunt van de Haagwinde en het Kloosterpad. Voor deze maatregelen dient het college een verkeersbesluit te nemen. Gedurende de desbetreffende procedure kunnen de precieze invulling van deze verkeersmaatregelen en de door [appellant] voorgestelde alternatieven worden besproken. Er moet van worden uitgegaan dat na de afsluiting van het Kloosterpad richting de Haagwinde geen sprake zal zijn van sluipverkeer richting het medisch centrum Beljaart op het perceel Kloosterpad 11. De verkeersintensiteit zal slechts toenemen als gevolg van de nieuwe woningen aan het Kloosterpad. [appellant] heeft niet betwist dat de enkele stijging van de verkeersintensiteit als gevolg van deze nieuwe woningen dusdanig beperkt is dat ter plaatse van zijn perceel geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare situatie. Het betoog faalt.

2.6. De Afdeling vat het betoog van [appellant] met betrekking tot de steenuilen op als dat de bepalingen uit de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ter bescherming van deze diersoort in de weg staan aan de bouw van de woningen aan het Kloosterpad.

De vragen of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college het uitwerkingsplan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De natuurtoets Beljaart fase 2a van 10 februari 2014 van het onderzoeksbureau Anteagroup vermeldt dat zich aan de rand van het plangebied een nestlocatie bevindt met daarin een paartje steenuilen. Volgens de natuurtoets mogen tijdens het broedseizoen geen verstorende activiteiten plaatsvinden op korte afstand van het nest. Bouwwerkzaamheden kunnen in de broedfase worden uitgevoerd, mits een gepaste afstand tot het nest wordt aangehouden.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan. Het betoog faalt.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2015

288-656.