Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
201409061/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college zijn beslissing om op 24 september 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409061/1/A4.

Datum uitspraak: 6 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college zijn beslissing om op 24 september 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening stelt het college de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden.

Ingevolge het tweede lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op woensdag 24 september 2014, een andere dag dan de aangewezen inzameldag, is aangetroffen naast een container ter hoogte van de Van Slingelandtstraat 68 te Den Haag. Omdat in de huisvuilzak een poststuk is aangetroffen met de naam- en adresgegevens van [appellante], stelt het college zich op het standpunt dat de huisvuilzak van haar afkomstig is, dat zij deze in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden en dat de kosten van de spoedeisende bestuursdwang gedeeltelijk op haar als overtreder kunnen worden verhaald.

3. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder van artikel 10 van de Afvalstoffenverordening heeft aangemerkt. Daartoe voert zij aan dat zij een huisvuilzak in de daarvoor bestemde container heeft gedeponeerd en een derde die zak vervolgens uit de container heeft gehaald en ernaast heeft gezet. In dit verband wijst zij erop dat de container die door de gemeente is verstrekt niet kan worden afgesloten zodat deze voor een ieder toegankelijk is. Voorts wijst zij op verklaringen van straatbewoners die hebben verklaard dat huisvuil regelmatig wordt doorzocht en meegenomen door een onbekende persoon. Volgens [appellante] heeft het college die verklaringen ten onrechte terzijde geschoven met als argument dat de verklaringen in algemene bewoordingen zijn vervat en niet op juistheid kunnen worden gecontroleerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het college de straatbewoners die een verklaring hebben afgelegd had moeten horen.

3.1. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

3.2. Nu in de huisvuilzak een poststuk is aangetroffen met daarop de naam- en adresgegevens van [appellante] is de huisvuilzak tot haar herleidbaar. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden. De stelling van [appellante] dat dit niet of nauwelijks mogelijk is, doet er niet aan af dat, nu de huisvuilzak tot haar herleidbaar is, het op haar weg ligt dit te doen.

3.3. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het de juistheid van de verklaringen van de straatbewoners niet bestrijdt. Het stelt zich echter op het standpunt dat uit die verklaringen slechts blijkt dat een derde soms huisvuil doorzoekt en meeneemt. Volgens het college blijkt uit die verklaringen niet dat dit ook met de aangetroffen huisvuilzak is gebeurd.

3.4. Nu het college de juistheid van de verklaringen van de straatbewoners niet bestrijdt en er dus van uit is gegaan dat wat in die verklaringen staat waar is, bestond er naar het oordeel van de Afdeling reeds daarom geen aanleiding voor het college om de betrokken straatbewoners te horen.

Ten aanzien van de inhoud van die verklaringen heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat die verklaringen algemeen van aard zijn, in die zin dat daaruit alleen blijkt dat een derde soms huisvuil doorzoekt en meeneemt. Uit die verklaringen blijkt niet dat dit ook met de aangetroffen huisvuilzak is gebeurd. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met die verklaringen niet aannemelijk is gemaakt dat, hoewel de huisvuilzak tot [appellante] herleidbaar is, niet zij maar een ander de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden. Daar komt nog bij dat uit een bij de "Rapportage Afval onjuist aangeboden huisvuil - niet heterdaad" van 25 september 2014 gevoegde foto blijkt dat de huisvuilzak niet open is. De wijze waarop de huisvuilzak is aangetroffen, biedt dan ook geen steun voor het oordeel dat een derde die zak uit de container heeft gehaald om deze te kunnen doorzoeken.

Dat, zoals [appellante] heeft aangevoerd, de gemeente een container heeft verstrekt die niet kan worden afgesloten, maakt voorts niet dat er reeds daarom van moet worden uitgegaan dat een derde de huisvuilzak uit de container heeft gehaald, dan wel dat de kosten van het opruimen van de huisvuilzak voor rekening van de gemeente dienen te komen.

3.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geeft hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt en een gedeelte van de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang ten onrechte op haar heeft verhaald.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2015

457.