Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
201406798/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Zierikzee 2014" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406798/1/R2.

Datum uitspraak: 6 mei 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Veere,

en

de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Zierikzee 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. H. van Lier, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door R. Stam en ing. B. van Gils, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied omvat de bedrijventerreinen Boerenweg, Haringvlietweg, Groenweegje (’t Sas), Zuidhoek en Straalweg I en II te Zierikzee. Het plan voorziet in een actualisatie van het voorheen geldende planologische regime.

3. [appellante] is eigenaresse van het pand aan de [locatie] te Zierikzee. In het pand is een Aldi-supermarkt gevestigd. [appellante] richt zich tegen de aanduiding "detailhandel volumineus" die is toegekend aan een strook van ongeveer 220 m2 aan de noordoostzijde van het pand. Zij betoogt dat dit gedeelte net als de rest van het pand de aanduiding "supermarkt" had moeten krijgen. Volgens [appellante] is de "Detailhandels Structuurvisie 2013 (hierna: de structuurvisie), vastgesteld door de raad op 28 maart 2013, ten onrechte in zoverre aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag gelegd nu de structuurvisie over de wenselijkheid van nieuw te bouwen winkeloppervlakte gaat terwijl haar pand bestaande bebouwing betreft. [appellante] betoogt voorts dat in de structuurvisie noch in het plan is gemotiveerd waarom voor discountsupermarkten een maximale vloeroppervlakte van 1.375 m2 dient te gelden en voor fullservicesupermarkten een groter oppervlakte wordt toegestaan.

[appellante] wijst er verder op dat de structuurvisie richtlijnen geeft en geen harde normen. Voorts is volgens [appellante] sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad in afwijking van de structuurvisie had moeten voorzien in de door haar gewenste uitbreiding van de supermarkt. In dit verband voert [appellante] aan dat gelet op de geringe oppervlakte van de strook volumineuze detailhandel niet mogelijk is en dat als gevolg van de aanduiding de bestaande leegstand zal worden gecontinueerd hetgeen niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening.

4. De raad wijst erop dat de maximale oppervlakte ten behoeve van een supermarkt ter plaatse van het perceel [locatie] in het plan in overeenstemming is met de maximale brutovloeroppervlakte (hierna: bvo) zoals opgenomen in de structuurvisie. Volgens de raad zijn er geen omstandigheden op grond waarvan hij in afwijking van zijn beleid een grotere oppervlakte ten behoeve van een supermarkt ter plaatse had moeten toestaan. In dit verband wijst hij erop dat er, anders dan [appellante] stelt, voldoende mogelijkheden zijn voor een bedrijfsactiviteit ter plaatse die in overeenstemming is met de bestemming "Bedrijventerrein 1" en/of de aanduiding "detailhandel volumineus".

5. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie] de bestemming "Bedrijventerrein-1" toegekend. Voor het op het perceel aanwezige pand is voorzien in een bouwvlak met de aanduiding "supermarkt" onderscheidenlijk "detailhandel - volumineus".

Ingevolge artikel 1.38 van de planregels is detailhandel in volumineuze goederen gedefinieerd als detailhandel in de volgende detailhandelsbranches:

- woninginrichting, inclusief keukens en badkamers;

- tuincentra, plant- en dierbenodigdheden;

- bouwmarkten en doe-het-zelf;

- fietsen en automaterialen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, sub a, zijn de voor "Bedrijventerrein-1" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven en bedrijfsactiviteiten voor zover deze voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels horende Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge lid 4.1.2 zijn de voor "Bedrijventerrein-1" aangewezen gronden ook bestemd voor

a. ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt’: een supermarkt, uitsluitend op de begane grond;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel - volumineus’ detailhandel in volumineuze goederen.

6. In paragraaf 2.6 van de plantoelichting is vermeld dat de structuurvisie de basis vormt voor de bestemmingsregeling voor gebruiks- en bouwbepalingen voor de verschillende bedrijven op bedrijventerrein Boerenweg. Het pand van [appellante] ligt op dit bedrijventerrein. In de structuurvisie is een geactualiseerde ruimtelijke visie op de detailhandelsstructuur voor de gemeente Schouwen-Duivenland gegeven. Het Haringvlietplein en de Boerenweg in Zierikzee worden in de structuurvisie aangeduid als locatie voor perifere detailhandel met een streekfunctie voor de doelgerichte, laagfrequent benodigde aankopen op Schouwen-Duivenland waarbij daarnaast op de locatie Haringvlietplein ook boodschappenaanbod kan worden geconcentreerd. Supermarkten worden als bepalend voor de zogenoemde boodschappenstructuur gezien, waarbij ruimtelijke argumenten als een ligging in het verzorgingsgebied, bereikbaarheid, parkeergelegenheid, fysieke ruimte en synergie met andere winkels leidend zijn voor de locatiekeuze. Voor de boodschappenstructuur geldt als uitgangspunt dat bestaande supermarkten in principe de mogelijkheid wordt geboden om, daar waar gewenst, tot schaalvergroting te komen op de huidige of op een andere locatie, tenzij die locatie niet past in de beoogde structuur van boodschappencentra. In de structuurvisie is op basis van de hedendaagse omvang van moderne fullservicesupermarkten en discountsupermarkten én het beoogde verzorgingsgebied gekomen tot bepaalde richtlijnen ten aanzien van de maatvoering. Daarbij wordt voor fullservicesupermarkten in Zierikzee vanwege hun streekfunctie gekomen tot maximaal circa 1.875 m2 bvo terwijl voor dit type supermarkten elders in de gemeente vanwege hun bovenlokale respectievelijk lokale functie een kleinere maximale omvang is toegestaan, en wordt voor discountsupermarkten vanwege hun bovenlokaal verzorgingsbereik maximaal circa 1.375 m2 bvo aangehouden. Uit de structuurvisie blijkt dat bij de bepaling van het verzorgingsgebied de ligging van de betrokken supermarkt binnen de gemeente een rol speelt. Anders dan [appellante] ter zitting kennelijk heeft beoogd te betogen, wordt het onderscheid in vloeroppervlak in de structuurvisie aldus niet uitsluitend gerelateerd aan de vraag of het gaat om een fullservicesupermarkt of een discounter. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid neergelegd in de structuurvisie onredelijk is. Voorts bestaat geen aanleiding [appellante] te volgen in zijn standpunt dat de raad de in de structuurvisie opgenomen richtlijnen niet als toetsingsmaatstaf heeft kunnen aanhouden. Niet in geschil is dat het plan ter plaatse van het pand van [appellante] ten opzichte van het vorige plan voorziet in uitbreiding van ongeveer 100 m2 bvo ten behoeve van een supermarkt tot maximaal 1.375 m2 bvo. De raad heeft terecht geconstateerd dat deze oppervlakte gelijk is aan de maximale maat die op grond van de structuurvisie geldt voor de in het pand gevestigde supermarkt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante] niet heeft bestreden dat de in het pand gevestigde supermarkt een bovenlokaal verzorgingsbereik heeft.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de raad in afwijking van zijn beleid had moeten voorzien in de door [appellante] ter plaatse van zijn pand gewenste uitbreiding ten behoeve van een supermarkt. Dat de structuurvisie dateert van 28 maart 2013 en bij de vaststelling van het plan door de raad een motie is aangenomen strekkende tot herijking van de structuurvisie, levert geen grond op voor het oordeel dat het geldende detailhandelsbeleid dermate verouderd is, dat de raad daarvan niet meer heeft kunnen uitgaan. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft benadrukt dat volgens de structuurvisie de Boerenweg de locatie is voor perifere detailhandel, in het bijzonder gericht op volumineuze goederen. In de structuurvisie is hieromtrent opgenomen dat door deze clustering vermenging van consumenten- en bedrijfsmatig (industrieel) verkeer zoveel mogelijk wordt voorkomen en zeer terughoudend wordt omgegaan met het vestigen van doelgerichte winkels op andere locaties in de gemeente. De raad heeft zich in dat verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet gewenst is dat de voor perifere detailhandel, in het bijzonder gericht op volumineuze goederen, beschikbare ruimte verloren gaat door de door [appellante] gewenste uitbreiding voor de ter plaatse gevestigde supermarkt toe te staan. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de bestemming die aan het resterende deel van circa 220m2 van zijn pand is toegekend, niet realiseerbaar zou zijn. De enkele omstandigheid dat dit deel van het pand reeds geruime tijd leeg staat is daartoe onvoldoende. Voorts is aan een deel van het pand van ruim 60 m2 direct links van bedoelde strook, naast de aanduiding "supermarkt" eveneens de aanduiding "detailhandel volumineus" toegekend, zodat de totale aaneensluitende oppervlakte die beschikbaar is voor detailhandel in volumineuze goederen 280 m2 is. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat volgens het plan detailhandelsbranches zijn toegestaan die geen grote uitstallingsruimte nodig hebben. Tevens neemt de Afdeling in aanmerking dat op deze gronden tevens de bestemming "Bedrijventerrein -1" rust, zodat zij ook zijn bestemd voor bedrijven en bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een oppervlakte van circa 280 m2 hiertoe onvoldoende zou zijn.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-1" en de aanduiding "detailhandel - volumineus" ter plaatse van het pand aan de [locatie] niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Helder w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2015

343.