Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1327

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
201307247/1/R2, 201305071/1/R2, 201305215/1/R2 en 201402967/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 8] om een bestemmingsplan vast te stellen waarin de recreatiewoning op haar perceel [locatie 1] te Garderen als zodanig wordt bestemd, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6886
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6890
JBO 2015/166 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2015/167 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307247/1/R2, 201305071/1/R2, 201305215/1/R2 en 201402967/1/R2.

Datum uitspraak: 29 april 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Zwartebroek, gemeente Barneveld,

2. [appellante sub 2], wonend te Barneveld,

3. [appellant sub 3], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

4. [appellant sub 4], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

5. [appellant sub 5], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

6. [appellant sub 6], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

7. [appellant sub 7], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

8. [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te Garderen, gemeente Barneveld (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 8]),

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Harderwijk,

10. [appellante sub 10], wonend te Nijkerk,

11. [appellant sub 11], wonend te Voorthuizen, gemeente Barneveld,

12. [appellant sub 12], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

13. [appellant sub 13], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

14. [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B], respectievelijk gevestigd te [plaats] en Barneveld,

15. [appellant sub 15], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

16. [appellante sub 16A] en [appellant sub 16B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld (hierna in enkelvoud [appellant sub 16]),

17. [appellant sub 17], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

18. [appellante sub 18], gevestigd te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld, en anderen,

19. [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B], beide gevestigd te Barneveld,

20. [appellant sub 20], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

21. [appellant sub 21], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

22. [appellant sub 22], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 8] om een bestemmingsplan vast te stellen waarin de recreatiewoning op haar perceel [locatie 1] te Garderen als zodanig wordt bestemd, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 8] beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaak nr. 201305071/1/R2.

Bij besluit van 23 april 2013, verzonden op 2 mei 2013, heeft de raad het bezwaar van [appellante sub 10] tegen het besluit van 28 juni 2011, waarbij de raad heeft besloten geen medewerking te verlenen aan het verzoek om op het perceel [locatie 2] te Kootwijkerbroek door middel van een herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" een bedrijfswoning te bouwen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante sub 10] beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaak nr. 201305215/1/R2.

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben verschillende appellanten, voor zover zij geen beroep van rechtswege hebben, beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder zaak nr. 201307247/1/R2.

Bij besluit van 17 december 2013, heeft de raad het bezwaar van [belanghebbende A] tegen het besluit van 18 december 2012, waarbij de raad de aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen voor de vestiging van een manege annex paardenfokkerij op het perceel [locatie 3] te Kootwijkerbroek heeft afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [belanghebbende B] en [belanghebbende A] beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaak nr. 201401508/1/R2.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft een aantal partijen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft ten aanzien van bovengenoemde besluiten verweerschriften ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht in bovengenoemde zaken een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten en de raad hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 25 februari 2014, nr. 14-13, heeft de raad de partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld. De daarop betrekking hebbende beroepen zijn geregistreerd onder zaak nr. 201402967/1/R2.

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft de raad de tweede partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld.

Bij besluit van 30 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluherziening De Puurveense Molen" vastgesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 en 2 oktober 2014, waar een aantal partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Tevens is de raad, vertegenwoordigd door drs. V. Brus, mr. G.C. de Kruijf, mr. S. Hoekstra, ing. M.M. van ’t Veld, ing. P.A. van Nieuwenhuizen, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. M.A.A. Soppe, advocaat te Almelo, en H.A. Hop, verschenen. Voorts is daar een aantal derde-belanghebbenden gehoord.

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [belanghebbenden C] en [belanghebbende B] en [belanghebbende A] tegen de besluiten van 28 mei 2013, 17 december 2013, 25 februari 2014, 8 juli 2014 en 30 september 2014 afgesplitst en de behandeling hiervan voortgezet onder zaak nr. 201307247/5/R2.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De plannen

2. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (hierna: het plan) voorziet in een actueel juridisch planologisch kader voor het buitengebied van Barneveld.

Met de vaststelling van de partiële herziening van het plan heeft de raad beoogd om aan verschillende in de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheden de mogelijkheid toe te voegen dat de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming "Groen" en dat voorwaardelijke verplichtingen kunnen worden opgenomen in de wijzigingsplannen. Tevens wordt met de herziening een aantal technische onvolkomenheden gerepareerd.

Met de vaststelling van de tweede partiële herziening heeft de raad beoogd het plan in overeenstemming te brengen met de gemeentelijke beleidsnotitie "Kaders herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012", die ziet op de (her)verdeling van groeimogelijkheden van agrarische bedrijven.

Met de vaststelling van het bestemmingsplan "Parapluherziening De Puurveense Molen" wordt voorzien in de herbouw van de voormalige Puurveensemolen op de hoek van de Essenerweg en de Puurveenseweg te Kootwijkerbroek en bijbehorende molenbiotoop.

Artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4. Het besluit van 25 februari 2014 wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu dat besluit mede betrekking heeft op het plangebied waarop ook het besluit van 28 mei 2013 ziet. Gelet op voornoemd artikel worden de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellanten sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellanten sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21] en [appellant sub 22], geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 25 februari 2014, nu dat besluit niet geheel aan hun beroepen tegemoet komt. Nu evenwel de bezwaren van deze appellanten, ook desgevraagd, niet zijn gericht tegen de met het besluit van 25 februari 2014 vastgestelde eerste partiële herziening, zijn de beroepen in zoverre ongegrond.

De beroepen van [appellanten sub 9], [appellant sub 11] en [appellante sub 18] en anderen zijn gericht tegen plandelen die niet met het besluit van 25 februari 2014 zijn herzien. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze plandelen en de met het besluit van 25 februari 2014 herziene plandelen, zodat artikel 6:19, eerste lid, van de Awb voor deze beroepen geen betekenis heeft.

5. Het besluit van 8 juli 2014 wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu dat besluit mede betrekking heeft op het plangebied waarop ook het besluit van 28 mei 2013 ziet. Gelet op voornoemd artikel worden de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 20], [appellant sub 21] en [appellant sub 22], geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 juli 2014, nu dat besluit niet geheel aan hun beroepen tegemoet komt. Nu evenwel de bezwaren van deze appellanten, ook desgevraagd, niet zijn gericht tegen de met het besluit van 8 juli 2014 vastgestelde tweede partiële herziening, zijn de beroepen in zoverre ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 5], [appellanten sub 9], [appellant sub 11], [appellanten sub 14], [appellante sub 18] en anderen en [appellanten sub 19], zijn gericht tegen plandelen die niet met het besluit van 8 juli 2014 zijn herzien. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze plandelen en de met het besluit van 8 juli 2014 herziene plandelen, zodat artikel 6:19, eerste lid, van de Awb voor deze beroepen geen betekenis heeft.

6. De hier aan de orde zijnde beroepen zijn gericht tegen plandelen die niet met het besluit van 30 september 2014 zijn herzien. Ook ontbreekt een ruimtelijke samenhang tussen deze plandelen en het plangebied van het met voornoemd besluit vastgestelde bestemmingsplan. Dit betekent dat artikel 6:19, eerste lid, van de Awb voor het besluit van 30 september 2014 geen betekenis heeft.

Peildatum overgangsrecht

7. Ingevolge artikel 37, lid 37.2, onder 1, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge dit lid onder 4, is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

7.1. Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de planvoorschriften van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2000" mag een gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of voorschriften, worden voorgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bepaalde in lid 1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

7.2. Ingevolge artikel 192 van de planvoorschriften van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1983" mag het gebruik dat ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan van in het plan begrepen gronden en opstallen in afwijking van het plan werd gemaakt en dat niet in strijd was met het tot bedoeld tijdstip geldende bestemmingsplan, met inbegrip van het overgangsrecht van dat plan, worden voortgezet.

7.3. Ingevolge artikel XII-3, eerste lid, van de planvoorschriften van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1971" mag het gebruik dat ten tijde van het onherroepelijk worden van dit plan, van bestaande bebouwing in afwijking van het plan werd gemaakt, worden voortgezet, mits de aard van het gebruik niet wordt veranderd, dan wel de afwijking van het plan minder groot wordt.

Ingevolge artikel XII-4, eerste lid, mag het gebruik dat ten tijde van het onherroepelijk worden van dit plan van gronden in afwijking van het plan werd gemaakt, worden voortgezet, mits de aard van het gebruik niet wordt veranderd, dan wel de afwijking van het plan minder groot wordt.

7.4. Uit het voorgaande volgt dat als peildatum voor het overgangsrecht de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1971" geldt, te weten 2 januari 1980. Dit betekent dat het met het plan strijdig gebruik dat bestond op deze peildatum en dat nog steeds bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

"1 januari 1988"-beleid

8. De raad voert beleid ten aanzien van het handhavend optreden tegen illegale situaties en het al dan niet als zodanig bestemmen van die illegale situaties. Dit beleid, het zogenoemde "1 januari 1988"-beleid, is in 1999 vastgesteld vanwege de voorbereiding van het bestemmingplan "Buitengebied 2000". In het beleid is vastgelegd dat niet (meer) handhavend zal worden opgetreden tegen bouw- en gebruiksovertredingen van vóór 1 januari 1988. Hiervan zijn uitgezonderd de overtredingen op het gebied van permanente bewoning op recreatieterreinen en illegaal geplaatste en/of bewoonde (sta-)caravans buiten de recreatieterreinen. De raad heeft het voornoemde beleid ook aan de vaststelling van het voorliggende plan "Buitengebied 2012" ten grondslag gelegd.

Nota noodwoningen

9. De nota noodwoningen is opgesteld en toegepast bij de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000". In de plantoelichting is vermeld dat de nota ook bij het onderhavige plan het uitgangspunt vormt. In de nota noodwoningen is vermeld dat om in aanmerking te komen voor een woonbestemming de noodwoning een aaneengesloten periode moet zijn bewoond vanaf de peildatum van 1 januari 1988. Er is sprake van een aaneengesloten periode indien er geen onderbreking van bewoning heeft plaatsgevonden voor een periode van meer dan een jaar. Een noodwoning is volgens de nota een permanent bewoond gebouw dat deze status in het vigerend bestemmingsplan niet heeft. Het betreft hier geen stacaravans of recreatiewoningen. In het verweerschrift bevestigt de raad dat de nota noodwoningen als vaste gedragslijn wordt toegepast.

Het beroep van [appellant sub 1]

10. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover aan de noodwoning op het perceel [locatie 4] te Zwartebroek geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat de woning ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Volgens hem is dit slechts toelaatbaar indien aannemelijk is dat de bewoning zal worden beëindigd, hetgeen niet het geval is. Hij stelt dat de woning al wordt bewoond vanaf 1954 en hoewel het gebruik tijdelijk is beëindigd, het steeds de intentie is geweest dit gebruik voort te zetten. Hij voert daarnaast aan dat het gebruik voor wonen planologisch aanvaardbaar is gelet op onder meer de omgeving, ligging van de kavel en ontsluiting van het perceel.

10.1. De raad stelt, onder verwijzing naar de nota noodwoningen, dat hij het beleid voert dat alleen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding kleine woning" wordt toegekend indien vaststaat dat de noodwoning voor 1 januari 1988 aanwezig was, een volledig zelfstandige woonvoorziening is met onder andere een keuken, badkamer en toilet, bouwkundig volledig gescheiden is van de (hoofd)woning en mits de woning sinds voornoemde datum onafgebroken bewoond is geweest. Volgens de raad staat in dit geval niet vast dat de woning onafgebroken bewoond is sinds 1 januari 1988, met name wat betreft de periode 1997-2004. Van een tijdelijke leegstand is geen sprake aangezien het object gedurende een periode van in ieder geval vijf jaar niet aantoonbaar permanent is bewoond, aldus de raad. De raad ziet geen aanleiding af te wijken van zijn beleid en wijst in dit verband op het belang bij het tegengaan van verstening van het buitengebied. De raad stelt daarnaast dat ook gelet op het overgangsrecht geen aanspraak kan worden gemaakt op een woonbestemming, aangezien het gebruik niet is aangevangen voor de peildatum van 2 januari 1980.

10.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat omstreeks 1954 een bakhuisje is gebouwd zonder vergunning, dat vervolgens tot kleine woning is verbouwd en vanaf dat moment regelmatig is gebruikt als woning. Het bakhuisje is volgens het deskundigenbericht ongeveer 50 m2 groot, is zelfstandig met een eigen oprit bereikbaar en voorzien van sanitair, verwarming, keuken, woonkamer, slaapkamer en nutsvoorzieningen. Het bakhuisje is permanent bewoond geweest van 1979 tot 1997 en vanaf 4 maart 2004. In de tussengelegen periodes zou ook bewoning hebben plaatsgevonden. Dit heeft de deskundige echter niet kunnen vaststellen aan de hand van documenten.

10.3. Aan het perceel [locatie 5]-[locatie 4] was in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" de bestemming "Woning" toegekend.

Ingevolge artikel 15 van de voorschriften van dat bestemmingsplan is per bestemmingsvlak één woning toegestaan, tenzij op de plankaart anders staat aangegeven.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, mag een gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstellen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of voorschriften, worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

10.4. Aan het perceel [locatie 5]-[locatie 4] is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 20.2.2, aanhef en onder a, mag per bestemmingsvlak niet meer dan één woning worden gebouwd.

10.5. Gelet op het voorgaande is de noodwoning op het perceel [locatie 4] niet bestemd voor wonen. Zoals hiervoor onder 9 is overwogen past de raad de vaste gedragslijn toe om geen woonbestemming toe te kennen aan een woning die niet als zodanig onafgebroken is gebruikt sinds 1 januari 1988. Dat deze vaste gedragslijn niet in een beleidsregel is neergelegd, en dus niet bij besluit is vastgesteld en bekendgemaakt, doet hier niet aan af. Immers ook een vaste gedragslijn die niet in een beleidsregel is verankerd kan aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet aan deze vaste gedragslijn heeft kunnen vasthouden. Hiertoe is in de eerste plaats van belang dat [appellant sub 1] er niet in is geslaagd met stukken te staven dat het gebruik voor wonen sinds de relevante peildatum van 1 januari 1988 onafgebroken heeft plaatsgevonden. Hierbij betrekt de Afdeling dat aan de door [appellant sub 1] overgelegde verklaringen van bewoning volgens de raad niet een dergelijke bewijskracht toekomt. De raad heeft hieromtrent ter zitting toegelicht dat voor de vaststelling van permanente bewoning, verklaringen niet doorslaggevend zijn omdat deze niet objectief en verifieerbaar zijn. Verklaringen kunnen volgens de raad voor de toepassing van de nota noodwoningen slechts dienen ter ondersteuning van andere, objectieve bewijsmiddelen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk en betrekt hierbij dat de bewijsvoering ook anderszins had kunnen plaatsvinden, doch dat [appellant sub 1] dit heeft nagelaten. Er zijn voorts geen bijzondere omstandigheden aangedragen waarin de raad aanleiding had moeten zien om af te wijken van zijn beleid. Voor het overgangsrecht is van belang dat het gebruik niet als zodanig was bestemd in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000". Het gebruik viel evenmin onder het overgangsrecht van dit bestemmingsplan, aangezien niet is komen vast te staan dat dit gebruik bestond ten tijde van het van kracht worden van het hier relevante deel van het bestemmingsplan op 12 september 2002. Dat steeds de intentie bestond om het gebruik voor wonen te continueren, wat daar ook van zij, doet aan het voorgaande niet af. Dit betekent dat het gebruik voor wonen niet onder het overgangsrecht valt. Tot slot heeft de raad in de enkele omstandigheid dat een bestemming voor wonen niet op ruimtelijke bezwaren stuit, wat daar ook van zij, geen aanleiding hoeven zien een woonbestemming toe te kennen aan de woning. Gelet op het voorgaande heeft de raad kunnen afzien van het toekennen van de aanduiding "kleine woonbestemming" aan het perceel van [appellant sub 1]. Het betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

12. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan, voor zover aan de op haar perceel [locatie 6] te Barneveld aanwezige noodwoningen niet de aanduiding ‘kleine woning’ is toegekend. Hiertoe stelt zij dat de woningen, met nummers [locatie 7] en [locatie 6], al vanaf de jaren ‘60 vrijwel permanent worden bewoond. Daarnaast stelt zij dat de bestemming "Natuur" geen passende bestemming is voor één van de noodwoningen, waardoor de noodwoning opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

12.1. De raad stelt dat de door [appellante sub 2] bedoelde bebouwing bestaat uit twee noodwoningen en één stacaravan. Volgens de raad komen de noodwoningen niet in aanmerking voor een woonbestemming aangezien niet wordt voldaan aan de nota noodwoningen. Volgens de raad kan op basis van de door [appellante sub 2] overgelegde stukken niet worden geconcludeerd dat de noodwoningen sinds de peildatum van 1 januari 1988 permanent zijn bewoond. De raad verwijst in dit verband naar de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en stelt dat de overgelegde getuigenverklaringen niet tot een andere conclusie kunnen leiden. Ten aanzien van de stacaravan stelt de raad dat stacaravans volgens de nota noodwoningen niet in aanmerking komen voor een woonbestemming. De raad stelt tot slot dat voor zowel de noodwoningen als de stacaravan niet is aangetoond dat deze sinds de peildatum voor het overgangsrecht van 2 januari 1980 permanent worden bewoond. Ook om die reden is derhalve afgezien van het toekennen van een woonbestemming en zijn de bestemmingen overgenomen uit het vorige bestemmingsplan, aldus de raad.

12.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat de noodwoning met nummer 158, ook wel het witte huisje genoemd, zou zijn gebouwd in de jaren ‘50. Uit de BRP volgt dat de woning is bewoond in de periode 1999 tot 2005. Voor de periode 1984 tot heden zijn verklaringen overgelegd van bewoners, met uitzondering van de maanden februari tot juli in 2004 aangezien de woning toen zou zijn gerenoveerd. Voor de stacaravan is in de BRP vermeld dat deze vanaf 1976 gedurende verschillende periodes is bewoond. De stacaravan zou volgens de BRP niet zijn bewoond in de periode 1987 tot 1996, echter hier zijn verklaringen voor overgelegd. In het deskundigenbericht wordt voor de stacaravan geconcludeerd dat er geen bewijzen zijn van bewoning in de periode maart 1992 tot april 1993. De noodwoning met nummer 156 zou zijn bewoond vanaf 1975, zo blijkt uit de BRP. In de periode vanaf 1988 tot 2001 heeft evenwel niemand ingeschreven gestaan op dit adres. Uit verklaringen volgt volgens het deskundigenbericht dat de woning toen is bewoond. Voor de noodwoning met nummer 156 concludeert het deskundigenbericht dat er geen bewijzen zijn voor bewoning in de periode 1975 tot 1988. De woningen zijn volgens het deskundigenbericht afzonderlijk over het terrein bereikbaar en voorzien van sanitair, verwarming, keuken, woonkamer en slaapkamer.

12.3. In het plan is aan de noodwoning met nummer [locatie 6] en de stacaravan de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan de andere noodwoning met nummer [locatie 7] is de bestemming "Natuur" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef onder a en n, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bedrijfswoning(en).

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur(wetenschappe)lijke waarde en de landschappelijke waarde.

12.4. Gelet op het voorgaande zijn de noodwoningen en de stacaravan in het plan niet bestemd voor wonen en kan uit de BRP niet worden afgeleid dat de woningen sinds de relevante peildata permanent worden bewoond. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van onder meer 2 april 2014, nr. 201303077/1/R1 levert het feit dat iemand niet staat ingeschreven in de BRP op een bepaald adres een vermoeden op dat de desbetreffende bewoner zijn hoofdverblijf niet op dat adres heeft. Dit betreft een weerlegbaar vermoeden. De door [appellante sub 2] overgelegde verklaringen van bewoners zijn volgens de raad echter onvoldoende om het vermoeden te weerleggen, nu deze verklaringen niet worden ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Zoals hiervoor onder 10.5 is overwogen acht de Afdeling dit niet onredelijk. Daar komt bij dat uit het deskundigenbericht volgt dat ook als zou worden uitgegaan van de verklaringen, geen sprake is van permanente bewoning van de noodwoningen sinds de hier relevante peildata. Het gaat in dit geval bovendien de onderzoeksplicht van de raad te buiten indien van hem, zoals [appellante sub 2] betoogt, zou worden gevergd dat alle verklaringen afzonderlijk worden onderzocht zonder dat hiervoor aanvullend bewijs is geleverd. De raad heeft zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat het gebruik van de noodwoningen niet voldoet aan de nota noodwoningen. Hierbij geldt voor de stacaravan bovendien dat het gebruik voor wonen, ook in geval van permanente bewoning vanaf de peildatum van 1 januari 1988, niet voor een woonbestemming in aanmerking komt omdat stacaravans zijn uitgezonderd van dit beleid. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat op de peildatum sprake was van een stacaravan. Dat de stacaravan later is verbouwd tot woning, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. [appellante sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de raad vanwege bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van zijn beleid. De raad heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat het gebruik niet onder het overgangsrecht valt, nu geen sprake is van permanente bewoning sinds 2 januari 1980. Tot slot heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de natuurbestemming voor het perceel niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij betrekt de Afdeling dat dit deel van het perceel in het vorige bestemmingsplan een bosbestemming had. De raad heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van een woonbestemming aan de noodwoningen en de stacaravan op het perceel van [appellante sub 2]. Het betoog faalt.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

14. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover aan de bebouwing op het perceel [locatie 8] te Kootwijkerbroek niet een woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat in zoverre is gehandeld in strijd is met de nota noodwoningen, aangezien de noodwoning voor 1988 aanwezig was en sindsdien permanent wordt bewoond. Hij stelt dat de bebouwing, anders dan waar de raad vanuit gaat, niet bestaat uit twee delen. Volgens [appellant sub 3] is sprake van een bijzondere situatie. [appellant sub 3] stelt tot slot dat de definitie van noodwoning in het beleid onduidelijk is. Hij ziet ook niet in waarom, als de delen van de bebouwing al apart worden beoordeeld, er dan geen sprake is van een noodwoning. Er worden immers in de nota noodwoningen geen materiële inrichtingseisen gesteld aan een noodwoning.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bebouwing niet is aan te merken als een noodwoning in de zin van de nota noodwoningen, maar als een permanent bewoonde stacaravan. De raad licht toe dat de bebouwing uit een stacaravan en een houten aanbouw bestaat en is gerealiseerd omstreeks 1986. De bebouwing heeft het huisnummer overgenomen van een bakhuisje dat voorheen elders op het perceel aanwezig was. Volgens de raad zijn de woonvoorzieningen alle gesitueerd in het stacaravangedeelte en kan de houten aanbouw daarom niet als noodwoning worden aangemerkt. De stacaravan, die volgens de raad zelfstandig bewoonbaar is, is uitgezonderd van de werking van de nota noodwoningen. De raad stelt tot slot dat het gebruik van het woonverblijf niet onder het overgangsrecht valt nu dit is aangevangen na de hiervoor relevante peildatum van 2 januari 1980.

14.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat het woonverblijf uit twee delen bestaat van stacaravans die haaks op elkaar zijn geplaatst en met elkaar zijn verbonden. Een deel doet dienst als (woon)keuken en het andere deel als woonkamer. Daarnaast heeft er een aanbouw plaatsgevonden waarin de slaapkamers zijn gesitueerd. Ook wordt een deel van de aanbouw als hobbyruimte gebruikt en voor de wasmachine. Deze ruimte heeft een afzonderlijke ingang en is alleen van buitenaf bereikbaar. Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat het bouwwerk omstreeks 1986 is gerealiseerd. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat sprake is van een geheel van bebouwing dat samen functioneert als één woonverblijf.

14.3. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch" toegekend met de aanduiding "bouwvlak" en de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef onder a en n, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bedrijfswoning(en).

14.4. Gelet op het voorgaande is de bebouwing op het perceel van [appellant sub 3] niet bestemd voor wonen. Tussen partijen is niet in geschil dat de noodwoning wordt bewoond sinds de relevante peildatum voor de nota noodwoningen van 1 januari 1988. In geschil is of de raad de noodwoning als stacaravan aan de nota noodwoningen heeft mogen toetsen. De raad heeft hiertoe overwogen dat de noodwoning op de peildatum hoofdzakelijk bestond uit een stacaravan met aanverwante bebouwing en in visueel opzicht aandeed als stacaravan, zodat het geheel als stacaravan moet worden beoordeeld. De Afdeling acht dit niet onjuist. Hierbij is van doorslaggevend belang dat de kenmerken voor het aanmerken van het bouwwerk als zelfstandige woning zijn gerealiseerd in het stacaravandeel van de bebouwing. Dit betekent dat de raad, gelet op de nota noodwoningen, heeft kunnen afzien van het toekennen van een woonbestemming. Hierbij betrekt de Afdeling voorts dat [appellant sub 3] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere situatie die tot afwijking van dit beleid noopt. Nu voorts de noodwoning niet aanwezig was voor de peildatum van het overgangsrecht, heeft de raad ook in zoverre geen aanleiding hoeven te zien een woonbestemming toe te kennen. Het betoog faalt.

15. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

16. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan voor zover aan zijn noodwoning op het perceel [locatie 9] te Kootwijkerbroek niet een woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat het gebruik voor wonen met het plan ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Hij stelt dat de woning al ruim 26 jaar permanent wordt bewoond en zelfstandig toegankelijk is. Dat de woning zelfstandig bestaat blijkt onder meer uit de toekenning van een huisnummer. Zijn argumenten en belangen zijn volgens hem onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Hij beroept zich in dit verband op de nota noodwoningen. Tot slot stelt hij dat er geen derde-belanghebbenden zijn die bezwaren hebben tegen het als zodanig bestemmen van de woning.

16.1. De raad stelt, onder verwijzing naar de nota noodwoningen, dat op basis van de bij de raad bekende gegevens en de door [appellant sub 4] overgelegde stukken niet is vast te stellen dat de woning aanwezig was voor de peildatum van 1 januari 1988 en de woning vanaf dat moment onafgebroken bewoond wordt. De raad acht in dit verband met name relevant dat dit niet blijkt uit de BRP. Verder stelt de raad dat de noodwoning ook in het vorige bestemmingsplan niet voor wonen was bestemd en in elk geval niet aanwezig was voor de peildatum van het overgangsrecht van 2 januari 1980.

16.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat de noodwoning ongeveer 45 m2 groot is, zelfstandig met een eigen oprit is te bereiken en is voorzien van sanitair, verwarming, een keuken, woonkamer en slaapkamer. Verder vermeldt het onderzoek dat door [appellant sub 4] is verklaard dat in 1986 zonder bouwvergunning is gestart met de bouw van de noodwoning en dat deze in 1987 kon worden bewoond. Volgens het deskundigenbericht komt het adres [locatie 9] niet voor in de BRP. Mede gelet hierop wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat bewoning van de noodwoning gedurende de gehele periode vanaf de peildatum niet met documenten kan worden onderbouwd.

16.3. Aan het perceel [locatie 9] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 20.2.2, aanhef en onder a, mag per bestemmingsvlak niet meer dan één woning worden gebouwd.

16.4. Gelet op het voorgaande is de woning van [appellant sub 4] op het perceel [locatie 9] niet als zodanig bestemd. Uit de in dit geval relevante BRP-gegevens blijkt niet dat de noodwoning op het perceel aanwezig was, noch dat deze sinds de relevante peildatum van 1 januari 1988 als zodanig onafgebroken wordt bewoond. Zoals hiervoor is overwogen onder 12.4 levert het feit dat iemand niet staat ingeschreven in de BRP op een bepaald adres een vermoeden op dat de desbetreffende bewoner zijn hoofdverblijf niet op dat adres heeft. Dit betreft een weerlegbaar vermoeden. De overige gegevens bieden evenwel geen aanknopingspunten voor een weerlegging van dit vermoeden, nu de verzekeringsbrieven die door [appellant sub 4] zijn overgelegd slechts momentopnamen zijn en niet een bewoningshistorie inzichtelijk maken. Ook is de enkele verklaring van [appellant sub 4] dat verschillende inschrijvingen in de BRP op het adres [locatie 10], in wezen inschrijvingen waren op het adres [locatie 9], op zichzelf onvoldoende overtuigend, nu dit niet door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund. Het voorgaande betekent dat de woning van [appellant sub 4] niet voldoet aan het in de nota noodwoning gestelde vereiste voor het toekennen van een woonbestemming, zodat de raad het plan in zoverre heeft vastgesteld in overeenstemming met zijn beleid. De enkele omstandigheid dat, naar [appellant sub 4] stelt, derde-belanghebbenden geen bezwaren zullen hebben tegen een woonbestemming voor de noodwoning, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daarom had moeten afwijken van zijn beleid. Dat de bewijslast voor permanente bewoning thans vanwege tijdsverloop zwaarder is dan de bewijslast ten tijde van de vaststelling van het vorige bestemmingsplan, is voorts geen omstandigheid die vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel noodzaakt tot het maken van een uitzondering op de nota noodwoningen. Hierbij is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat de nota noodwoningen sinds de vaststelling ervan niet uniform wordt toegepast en [appellant sub 4] bovendien ook al in de procedure voor het vorige bestemmingsplan zijn bezwaren naar voren kon brengen. Verder kan het 1 januari 1988-beleid niet tot een andere conclusie leiden, nu dit beleid niet van toepassing is aangezien door [appellant sub 4] niet aannemelijk is gemaakt dat het gebruik voor wonen is aangevangen voor 1 januari 1988. Tot slot bestaat gelet op het voorgaande evenmin aanleiding voor het oordeel dat het gebruik voor wonen onder het overgangsrecht valt gezien de hiervoor relevante peildatum van 2 januari 1980. De raad heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen derhalve geen aanleiding hoeven zien een woonbestemming toe te kennen aan de woning. Het betoog faalt.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

18. Het beroep van [appellant sub 5] richt zich tegen de bestemmingsregeling voor zijn perceel [locatie 11] te Voorthuizen, alwaar hij een bedrijf in valbeveiligingen uitoefent. Hij stelt dat het bestemmingsvlak "Bedrijf - Niet agrarisch" ter plaatse van dit perceel verkeerd in de verbeelding is neergelegd. Een deel van de erfverharding valt buiten de bedrijfsbestemming, zodat niet met een vrachtwagen de werkplaats in de loods kan worden binnengereden. Ook de toegangsweg, alsmede een deel van de tuin liggen nu ten onrechte niet binnen de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch", maar binnen de bestemming "Agrarisch". [appellant sub 5] voert aan dat van oorsprong op het perceel een agrarisch bedrijf werd geëxploiteerd en stelt dat hij bij de vaststelling van een vorig bestemmingsplan werd gedwongen om naar een andere bestemming met een klein bestemmingsvlak om te schakelen. Hij betoogt dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, nu aan andere voormalige agrarische bedrijven in de omgeving van zijn perceel wel ruimere bouw- of bestemmingsvlakken zijn toegekend.

18.1. De raad heeft bij het nemen van het bestreden besluit geen aanleiding gezien om het bestemmingsvlak op het perceel in een grotere vorm vast te stellen. De door [appellant sub 5] voorgestelde uitbreiding van het bestemmingsvlak heeft de raad beleidsmatig niet wenselijk geacht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan volgens de raad niet slagen.

18.2. In de verbeelding is aan het perceel, ter plaatse van de bebouwing, de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch" en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.’ toegekend. De omliggende gronden op het perceel zijn bestemd voor "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en hobbymatig agrarisch gebruik, met daaraan ondergeschikt, voor zover hier van belang, erfontsluitingswegen, met de daarbij behorende tuinen en erven en parkeervoorzieningen.

18.3. In het wijzigingsplan "[locatie 11]" uit 2004 rustte op het perceel de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch" en de aanduiding ‘Bvb valbeveiligingsbedrijf’. De raad heeft onweersproken gesteld dat het bestemmingsvlak op de plankaart van het wijzigingsplan een oppervlakte had van ongeveer 1.423 m².

18.4. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 5] in de op het perceel aanwezige loods systemen construeert en dat deze per vrachtwagen worden afgevoerd. Gelet op het deskundigenbericht ligt de bestemmingsgrens op ongeveer 4 m afstand van de achtergevel van de loods, waarin de roldeur zit. Dit is een verruiming ten opzichte van het wijzigingsplan "[locatie 11]", waarin de bestemmingsgrens ter plaatse van de achtergevel van de loods lag. Uit de foto’s die bij het deskundigenbericht zijn gevoegd, blijkt dat naast de loods en een bedrijfswoning binnen het bestemmingsvlak eveneens een terras, een hooitas en een grasveld met speeltoestellen aanwezig zijn.

18.5. Voor zover [appellant sub 5] vreest dat zijn erftoegangsweg niet is toegelaten binnen de bestemming "Agrarisch", overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels erfontsluitingswegen, zij het ondergeschikt, zijn toegelaten. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

18.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de planregels niet toestaan dat ten behoeve van het bedrijf van [appellant sub 5] over de gronden met de bestemming "Agrarisch" wordt gereden om de werkplaats in te rijden. Voorts staat vast dat het deel van de tuin dat, zoals [appellant sub 5] ter zitting heeft toegelicht, voor instructies voor veilig werken wordt aangewend, evenmin als zodanig is bestemd nu dit binnen de bestemming "Agrarisch" is gelegen.

Voor zover [appellant sub 5] bedoelt te betogen dat in het wijzigingsplan "[locatie 11]" uit 2004 reeds een onjuist bestemmingsvlak is vastgelegd, is de Afdeling van oordeel dat, wat daarvan verder ook zij, dit betoog thans niet aan de orde kan komen. Dat plan ligt thans niet voor.

[appellant sub 5] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn bedrijfsvoering door het bouwvlak wordt belemmerd, bij zijn reactie op het deskundigenbericht de rapportage "Locatieonderzoek" van GD Architectuur van 3 juli 2014 overgelegd. In de rapportage wordt geconcludeerd dat binnen de vastgestelde bestemmingsgrenzen geen ruimte bestaat voor de bedrijfsvoertuigen en machines, zonder de tuin en op het perceel aanwezige hooitas op te offeren ten behoeve van de bedrijfsvoering. Er is volgens de rapportage geen mogelijkheid de huidige bedrijfsruimte uit te breiden binnen de kavelgrenzen, zonder dat dit ten koste gaat van andere gebruiksfuncties. [appellant sub 5] heeft bij zijn beroepschrift op een luchtfoto aangegeven op welke wijze hij het bestemmingsvlak graag vergroot wilde hebben. De raad heeft deze rapportage niet betwist, maar een gevraagde vergroting van het bestemmingsvlak niet wenselijk geacht gelet op het beleid dat in de plantoelichting is weergegeven. Daaruit volgt dat groeiruimte bij recht voor bedrijven als het onderhavige wordt beperkt tot 10% van de oppervlakte. De gevraagde uitbreiding betreft echter een verdubbeling van het bestemmingsvlak, waarvan [appellant sub 5] niet heeft gemotiveerd waarom een dergelijke omvang noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering op het perceel. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk.

Voor zover [appellant sub 5] zijn beroep ter zitting in die zin heeft geconcretiseerd dat het hem gaat om een verandering van de vorm van het bestemmingsvlak en niet om een uitbreiding, wordt als volgt overwogen. In deze nadere concretisering heeft de raad geen aanleiding gezien om zich wat betreft een vormverandering van het bestemmingsvlak op een ander standpunt te stellen. Uit de stukken is niet duidelijk geworden hoe deze vormverandering precies door [appellant sub 5] gewenst is, nu hij kennelijk wenst dat de tuin en de hooitas dienen te blijven bestaan. Gelet hierop acht de Afdeling niet onredelijk dat de raad ten aanzien van de gewenste vormverandering van het bouwvlak er ter zitting op heeft gewezen dat voor de beoordeling hiervan een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend. Het betoog faalt.

18.7. Over de door [appellant sub 5] gemaakte vergelijking met de ruimere bouwvlakken voor woon- en bedrijfsbestemmingen in de omgeving van zijn perceel, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. In dit verband heeft de raad ter zitting in zijn algemeenheid toegelicht dat bij de bepaling van de vorm van de bestemmingsvlakken maatwerk is toegepast, zodat ieder bestemmingsvlak weer anders in de verbeelding is vastgelegd. [appellant sub 5] heeft niet concreet gemaakt welke specifieke percelen in het bijzonder vergelijkbaar zijn met zijn eigen situatie. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

19. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

20. Het beroep van [appellant sub 6] voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zover gelegen ter plaatse van de tuin aan de zuidzijde van zijn woning aan de [locatie 12] te Voorthuizen, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre niet-ontvankelijk.

21. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn perceel. Aan de achterzijde van het perceel is ongeveer 5.000 m² aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig die voor opslag worden gebruikt en het perceel is gedeeltelijk verhard. Gelet op de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" die aan het perceel zijn toegekend, is een groot deel van de bebouwing en verharding volgens [appellant sub 6] onder het bouwovergangsrecht gebracht. Omdat deze zaken onder het voorheen geldende plan eveneens niet als zodanig waren bestemd, worden zij voor een tweede keer onder het overgangsrecht gebracht. [appellant sub 6] stelt dat dit niet is toegestaan. De op het perceel aanwezige stallen zijn met een vergunning opgericht en hij heeft geen voornemen om de gebouwen en de verharding binnen de planperiode te verwijderen. Ook doorsnijdt de bestemmingsgrens zonder logische redenen enkele gebouwen. Subsidiair voert [appellant sub 6] aan dat, indien de raad de bebouwing niet als zodanig wenst te bestemmen, hij hiervoor een passende regeling in het plan had moeten opnemen.

21.1. De raad stelt dat het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanvaardbaar kan zijn, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2008, in zaak nr. 200703818/1. De raad acht het niet wenselijk dat de gronden voor niet-agrarische bedrijvigheid worden bestemd, zonder toepassing van het functieveranderingsbeleid. Dat beleid staat maximaal 1.000 m² aan niet-agrarische bedrijfsgebouwen toe. De raad stelt voorts dat de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, voor zover deze op de gronden met de bestemming "Wonen" staat, gelet op artikel 20, lid 20.2.4, van de planregels slechts tot een oppervlakte van 80 m² is toegestaan. De raad heeft ervoor gekozen de grens van de woonbestemming zodanig neer te leggen dat een compact erf kan worden gerealiseerd.

21.2. In de verbeelding zijn aan het perceel de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" toegekend. Ter plaatse van de agrarische bestemming is geen bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met onder meer de daarbij behorende:

o. gebouwen;

p. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

q. werken, geen bouwwerken zijnde;

r. tuinen en erven;

s. parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen dat gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2.4, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bijgebouwen dat de oppervlakte aan bijgebouwen per woning niet meer mag bedragen dan 80 m², tenzij en voor zover de bestaande grotere oppervlakte is gerealiseerd voor de functie wonen in welk geval, in afwijking van artikel 31.3 aanhef en onder c, de bestaande grotere oppervlakte als maximum geldt, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)', want daar geldt de maximale oppervlakte zoals op de verbeelding is weergegeven.

Ingevolge artikel 37, lid 37.1, onder 1, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Ingevolge lid 37.1, onder 3, is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

21.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" was het perceel eveneens bestemd voor "Wonen". Zoals uit het deskundigenbericht volgt, komt dit bestemmingsvlak geheel overeen met het bestemmingsvlak zoals dat is opgenomen in het voorliggende plan. De omliggende gronden waren voorts bestemd voor "Agrarisch gebied I". Ter plaatse van deze agrarische bestemming was, net als in het voorliggende plan, evenmin een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" mogen gebouwen uitsluitend binnen een agrarisch bouwperceel worden opgericht.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat, dan wel nadien wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en dat afwijkt van dit plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, mits het bouwwerk niet wordt vergroot, in de aard van het bouwwerk geen verandering wordt aangebracht, tenzij deze in overeenstemming of meer in overeenstemming met het plan wordt gebracht en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan.

21.4. In het deskundigenbericht staat dat het perceel voor wonen wordt gebruikt. De voormalige stallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 5.000 m². De stallen verhuurt [appellant sub 6] aan derden voor de opslag van goederen, aldus het deskundigenbericht.

21.5. Voor zover [appellant sub 6] betoogt dat het gebruik van de gronden door derden voor de opslag van goederen als zodanig moet worden bestemd, overweegt de Afdeling dat dit gebruik in strijd was met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch gebied I" uit het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000", alsmede het overgangsrecht van dat plan. Nu dit gebruik illegaal was, was de raad niet gehouden om dit gebruik als zodanig in het plan op te nemen. De raad heeft uiteengezet dat hij gemeentelijk en regionaal beleid hanteert ten aanzien van functieverandering. Hij heeft in dit verband gewezen op de Regionale beleidsinvulling voor functieverandering en nevenactiviteiten die zowel voor de gemeente Barneveld, als de gemeenten Ede, Wageningen, Nijkerk en Scherpenzeel en het landelijk gebied van de gemeenten Putten en Ermelo geldt. Met de toepassing van het beleid worden agrarische bedrijven in staat gesteld om de bedrijfsvoering op een maatschappelijke- en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Nu ten tijde van de vaststelling bij [appellant sub 6] geen concrete plannen bestonden om in overeenstemming met het beleid tot functieverandering over te gaan, heeft de raad in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om het gebruik van de gronden door derden voor de opslag van goederen niet als zodanig in het plan op te nemen.

21.6. Tussen partijen is niet in geschil dat alle voormalige stallen op het perceel zijn opgericht met een bouwvergunning. Voor de bebouwing gelegen op gronden met de bestemming "Agrarisch" geldt dat deze, nu een bouwvlak ter plaatse ontbreekt, in het geheel niet als zodanig is bestemd. Voor de bebouwing gelegen op gronden met de bestemming "Wonen" stelt de Afdeling vast dat deze niet als zodanig is bestemd, voor zover deze de in artikel 20, lid 20.2.4, aanhef en onder a, van de planregels genoemde oppervlakte van 80 m² overschrijdt. De Afdeling volgt de raad in zoverre in zijn standpunt dat de bestaande grotere oppervlakte niet is gerealiseerd voor de functie wonen.

21.7. Vast staat dat de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing reeds onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" was komen te vallen. Gelet hierop zijn de gebouwen met de vaststelling van het voorliggende plan voor een tweede keer onder het bouwovergangsrecht zijn komen te vallen. Het voor een tweede maal onder het bouwovergangsrecht brengen van de gebouwen is in beginsel alleen aanvaardbaar als de raad aannemelijk maakt dat de gebouwen daadwerkelijk binnen de planperiode zullen worden verwijderd.

De raad heeft ten aanzien van de stallen gesteld dat het niet noodzakelijk is dat de gebouwen binnen de planperiode zullen worden verwijderd, nu hij gemeentelijk en regionaal beleid ten aanzien van functieverandering hanteert. De verwijzing van de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2008, in zaak nr. 200703818/1 - waarbij een uitzondering is aanvaard op de hoofdregel dat het niet als zodanig bestemmen en onder het bouwovergangsrecht brengen van bouwwerken, slechts is toegestaan indien concreet zicht op verwijdering binnen de planperiode bestaat - slaagt in dit verband echter niet. Weliswaar hanteert de raad in het onderhavige geval een vergelijkbaar beleid als in de genoemde uitspraak van de Afdeling, maar de raad heeft er in dit geval niet voor gekozen om alle bedrijfsgebouwen eveneens een woonbestemming te geven en deze te laten functioneren als bijgebouwen bij de burgerwoning. Bovendien is de bebouwing in het onderhavige geval voor een tweede keer onder het overgangsrecht gebracht, zodat van de raad mag worden verwacht dat hij thans wel aannemelijk maakt dat de gebouwen daadwerkelijk binnen de planperiode zullen worden verwijderd. De raad noch [appellant sub 6] zijn voornemens binnen deze tweede planperiode te bewerkstelligen dat de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Onder deze omstandigheden heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom de legaal opgerichte gebouwen niet als zodanig zijn bestemd, maar opnieuw onder het bouwovergangsrecht zijn gebracht. Het overgangsrecht is immers bedoeld voor tijdelijke situaties. Dit betoog van [appellant sub 6] slaagt.

22. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" ter plaatse van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 12] te Voorthuizen is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6], voor zover ontvankelijk, is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeft het betoog dat de bestemmingsgrens zonder logische redenen enkele gebouwen doorsnijdt, geen verdere bespreking.

Het beroep van [appellant sub 7]

23. Het beroep van [appellant sub 7] richt zich tegen de bestemmingsregeling voor het perceel [locatie 13] te Kootwijkerbroek, voor zover zijn stacaravan niet is bestemd als zogenoemde kleine woning. Hij voert aan dat de stacaravan voor een tweede keer onder het overgangsrecht is komen te vallen, terwijl het gebruik niet gedurende de planperiode zal worden beëindigd. In dit verband wijst hij erop dat het gemeentebestuur hem in 1997 heeft toegezegd dat niet handhavend kan worden opgetreden. De raad had dan ook een passende regeling in het plan moeten opnemen, aldus [appellant sub 7]. [appellant sub 7] ziet zich in zoverre gesteund door vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder haar uitspraak van 17 juli 2013, in zaak nr. 201206446/1/R2. In het geval de stacaravan niet onder het overgangsrecht valt, bestaan ten onrechte geen mogelijkheden voor herbouw in geval van een calamiteit. [appellant sub 7] acht een dergelijke geringe rechtspositie niet aanvaardbaar.

23.1. De raad stelt dat de stacaravan zonder bouwvergunning is opgericht. Vanuit beleidsmatig oogpunt en de conserverende aard van het plan acht de raad het niet wenselijk dat het bouwwerk wordt gelegaliseerd. Hij stelt dat de stacaravan wel onder het bouwovergangsrecht valt, hetgeen [appellant sub 7] meer rechten biedt dan een persoonsgebonden overgangsrecht of een uitsterfregeling. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de illegale situatie feitelijk wordt gedoogd totdat de caravan is verwijderd.

23.2. In de verbeelding is aan het perceel [locatie 13] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Op het perceel rusten eveneens de aanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘bouwvlak’, welke aanduidingen zich in de verbeelding tevens uitstrekken over de percelen [locatie 14] en [locatie 15]. Ter plaatse van de stacaravan op het perceel [locatie 13] rust niet de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - kleine woning’.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ voor een intensieve veehouderij. Voorts zijn toegestaan, voor zover hier van belang, de daarbij behorende: bedrijfswoning(en) met bijbehorende bijgebouwen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’, gebouwen, en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 3.2.5, onder a, geldt voor het bouwen van een kleine woning dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - kleine woning’ naast de reguliere bedrijfswoning(en) als bedrijfswoning één kleine woning is toegestaan, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', want daar geldt als aantal het maximum aantal kleine woningen zoals op de verbeelding is weergegeven.

Ingevolge artikel 37, lid 37.1, onder 1, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Ingevolge lid 37.1, onder 3, is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

23.3. Gelet op de plankaart van het vorige plan "Buitengebied 2000" rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied I" en de aanduiding ‘bouwvlak’. Ter plaatse van de stacaravan was op de plankaart geen aanduiding ‘kleine woning I’ toegekend.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de voorschriften van dat plan mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat, dan wel nadien wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en dat afwijkt van dit plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, mits het bouwwerk niet wordt vergroot, in de aard van het bouwwerk geen verandering wordt aangebracht, tenzij deze in overeenstemming of meer in overeenstemming met het plan wordt gebracht en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan.

23.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de stacaravan zonder bouwvergunning op het terrein bij de veehouderij is geplaatst. Ter zitting is tussen partijen vast komen te staan dat de stacaravan in ieder geval in 1982 op het perceel aanwezig was. Nu [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stacaravan eerder op deze plek op het perceel aanwezig was, gaat de Afdeling ervan uit dat de stacaravan aldaar in 1982 is geplaatst. De enkele stelling van [appellant sub 7] dat voor 1980 een elektriciteitsmeter zou zijn geplaatst, wat daarvan ook zij, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de deskundige naar aanleiding van een luchtfoto uit 1979 heeft geconcludeerd dat ter plaatse geen stacaravan aanwezig was. Uit het deskundigenbericht volgt overigens nog dat de stacaravan later is uitgebreid met een uitbouw en een veranda en dat een bijgebouw is geplaatst dat in gebruik is als schuur. Vast staat dat de stacaravan niet als zodanig is bestemd, nu deze niet is aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding - kleine woning’.

23.5. Onweersproken is dat het in 1982 geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1971" het gebruik van de stacaravan ten behoeve van bewoning niet toestond. Zoals hiervoor in overweging 7.4 is overwogen, geldt als peildatum voor het gebruiksovergangsrecht de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1971", te weten 2 januari 1980. Nu het gebruik voor bewoning nog niet bestond op de peildatum van 2 januari 1980 is het dan ook niet onder het gebruiksovergangsrecht van het voorliggende plan gebracht. Nu van een gebruiksovergangsrechtelijke situatie geen sprake is, gaat de door [appellant sub 7] gemaakte vergelijking met een aantal gevallen in de uitspraak van 17 juli 2013, in zaak nr. 201206446/1/R2, over het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bepaalde situaties, niet op.

23.6. Wat betreft de stelling van de raad ten aanzien van het bouwovergangsrecht, overweegt de Afdeling dat nu voor de plaatsing van de stacaravan nimmer een bouwvergunning is verleend, dit bouwwerk illegaal op het perceel aanwezig is. Het bouwovergangsrecht in artikel 47, eerste lid, van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" maakte voor illegale bouwwerken echter geen uitzondering, zodat de stacaravan op de peildatum van 12 juni 2001 onder dit bouwovergangsrecht is komen te vallen. Gelet hierop hebben partijen zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwwerk met de vaststelling van het voorliggende plan voor een tweede keer onder het bouwovergangsrecht is komen te vallen. De uitzondering van artikel 37, lid 37.1, onder 3, van de planregels van het voorliggende plan doet zich immers niet voor in situaties die onder het daarvoor geldende plan onder het bouwovergangsrecht vielen.

Het voor een tweede maal onder het bouwovergangsrecht brengen van een bouwwerk is in beginsel alleen aanvaardbaar als de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk daadwerkelijk binnen de planperiode zal worden verwijderd. [appellant sub 7] heeft bij zijn beroepschrift een brief van het college van burgemeester en wethouders van 24 juli 1997 overgelegd, waarin staat dat de stacaravan illegaal is en niet wordt gelegaliseerd. In die brief staat tevens dat het vanwege bijzondere omstandigheden niet goed mogelijk wordt geacht om de overtreding te (doen) beëindigen. In de brief zijn verder de voorwaarden opgenomen dat het niet is toegestaan om de caravan te verplaatsen of geheel te vernieuwen, dan wel om deze te vervangen voor een nieuwe caravan. Wel is normaal onderhoud toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders heeft in de brief de aanwezigheid en de bewoning van de stacaravan geaccepteerd en de handhavingszaak als afgehandeld beschouwd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het feitelijk om een objectgebonden gedoogsituatie gaat. De raad heeft geen verwervingsplannen en [appellant sub 7] mag de stacaravan doorverkopen indien hij dit wenst. De illegale situatie eindigt volgens de raad zodra de stacaravan wordt verwijderd of vanwege onvoldoende onderhoud vergaat. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de stacaravan binnen de planperiode zal verdwijnen. De raad heeft derhalve niet in redelijkheid de stacaravan opnieuw onder het bouwovergangsrecht kunnen brengen. Gelet hierop heeft de raad gehandeld in strijd met de bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

24. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de stacaravan op het perceel [locatie 13] te Kootwijkerbroek, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 8]

Beroep van rechtswege

25. Bij besluit van 23 april 2013, kenmerk 13-27, heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 8] om een bestemmingsplan vast te stellen waarin de recreatiewoning op haar perceel [locatie 1] te Garderen wordt gelegaliseerd, afgewezen. Tegen dat besluit heeft [appellant sub 8] beroep ingesteld.

25.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

25.2. Het besluit van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu het perceel in voornoemd afwijzingsbesluit eveneens onderdeel uitmaakt van het plangebied van het voorliggende plan. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 5 december 2012, in zaak nr. 201203326/1/R1, en de uitspraak van 9 april 2014, in zaak nrs. 201302216/1/R2 en 201309345/2/R2, waarin een meeromvattend bestemmingsplan volgend op een besluit op aanvraag als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb is aangemerkt.

De Afdeling stelt vast dat het plan niet voorziet in de door [appellant sub 8] gewenste legalisering van de recreatiewoning op het perceel, nu aan het gehele perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen" is toegekend. Gelet hierop komt het besluit tot vaststelling van het plan niet tegemoet aan haar beroep. Het beroep van [appellant sub 8] tegen het besluit van 23 april 2013 wordt in beginsel dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 28 mei 2013.

Het besluit van 23 april 2013 tot afwijzing van het verzoek

26. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met het besluit van de raad van 23 april 2013 waarbij haar verzoek tot legalisering van de recreatiewoning op haar perceel is afgewezen. Zij voert in dit verband aan dat de woning, anders dan de raad stelt, sinds lange tijd onafgebroken als recreatiewoning in gebruik is. [appellant sub 8] stelt dat de raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op een ambtelijke notitie van 21 februari 2013 over het gebruik van de recreatiewoning. De inhoud daarvan klopt volgens haar op diverse onderdelen niet en zij heeft daarop ten onrechte niet kunnen reageren. Volgens haar sluit de vestiging van een orgelshowroom in de woning gedurende bijna 20 jaar niet uit dat in dezelfde periode de woning als recreatiewoning kon worden gebruikt. [appellant sub 8] stelt dat de woning tussen 1999 en 2003 weliswaar te koop heeft gestaan, maar volgens haar mag hieruit niet worden geconcludeerd dat de recreatiewoning in die periode in het geheel niet is gebruikt. Het zogenoemde nadere onderzoek dat blijkens het raadsvoorstel van 25 maart 2013 is verricht, is aan [appellant sub 8] voorts onbekend. Omdat het recreatieve gebruik voor 2 januari 1980 is ontstaan, is het recreatieve gebruik van de woning onder het overgangsrecht gebracht en had het op de weg van de raad gelegen de recreatiewoning te legaliseren. [appellant sub 8] voert voorts aan dat het nationale, provinciale en gemeentelijke beleid niet aan legalisatie van de recreatiewoning in de weg staan.

26.1. De raad heeft het niet wenselijk geacht om medewerking te verlenen aan de legalisatie van de recreatiewoning. Voor gebruik dat reeds lange tijd onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht wordt voortgezet, hanteert de raad het uitgangspunt dat dergelijke situaties in beginsel als zodanig worden bestemd. De raad stelt dat [appellant sub 8], mede gelet op uitgevoerd gemeentelijk onderzoek, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning reeds voor 2 januari 1980 als recreatiewoning werd gebruikt en dat dit gebruik ononderbroken voortgezet is geweest. Het gebruik van de woning valt volgens de raad dan ook niet onder het gebruiksovergangsrecht.

26.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" had het perceel de bestemming "Wonen". Nu deze bestemming niet voorziet in een recreatiewoning op het perceel, heeft [appellant sub 8] op 12 augustus 2010 een verzoek ingediend om de recreatiewoning te legaliseren. Ten behoeve van medewerking aan het verzoek heeft het ontwerpbestemmingsplan "Hogesteeg I" ter inzage gelegen van 4 mei 2012 tot en met 14 juni 2012. Uit de stukken volgt dat in de raadsvergadering van 3 juli 2012 vragen zijn gerezen over het ononderbroken gebruik van de woning, waarna de behandeling van het voorstel tot vaststelling van het plan "Hogesteeg I" is uitgesteld. Het college van burgemeester en wethouders is vervolgens van standpunt gewijzigd en heeft de raad op 25 maart 2013 voorgesteld om het verzoek af te wijzen. Hiertoe is de raad overgegaan in zijn vergadering van 23 april 2013.

26.3. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 8] sinds april 2004 eigenaresse is van het perceel [locatie 1]. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel, naast de woning van [appellant sub 8], een recreatiewoning aanwezig is die wordt verhuurd aan recreanten. De recreatiewoning heeft een oppervlakte van ongeveer 130 m² en biedt plaats aan in totaal zes personen. Ter zitting heeft [appellant sub 8] gesteld dat de recreatiewoning vermoedelijk al voor 1976 als zodanig werd gebruikt. Of voor het oprichten van het gebouw als bijgebouw bij de woning een vergunning noodzakelijk was, is onduidelijk gebleven. Tussen partijen staat echter vast dat voor de functie als recreatiewoning nooit toestemming is verleend.

26.4. [appellant sub 8] heeft een aantal schriftelijke verklaringen en foto’s overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat het gebouw in ieder geval voor 2 januari 1980 recreatief werd gebruikt en dat aannemelijk is dat dit gebruik ononderbroken is voortgezet tot het moment van vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan "Buitengebied 2012". De verklaringen hebben betrekking op het verblijf van verschillende personen in de recreatiewoning in het jaar 1976, de periodes 1978 tot en met 1998 en de periode 2004 tot en met 2012.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 8] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van de woning onder het overgangsrecht is gebracht. Wat er verder ook zij van de vraag hoe de schriftelijke verklaringen en de foto’s dienen te worden gekwalificeerd, met de stukken is niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik onder het overgangsrecht ononderbroken is voortgezet. In dit verband is van belang dat de woning in de periode van 1999 tot en met 2003 niet als recreatiewoning is gebruikt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2005, in zaak nr. 200405274/1 en uitspraak van 19 juni 2013, in zaak nr. 201207667/1/R4) betekent een onderbreking van het gebruik op zichzelf niet dat dit gebruik na de hervatting ervan, voor de toepassing van het overgangsrecht niet langer is aan te merken als voortgezet gebruik. Of daarvan sprake is hangt af van de duur en de oorzaak van de onderbreking en de door betrokkene getoonde intentie het gebruik voort te zetten. In aanmerking genomen dat verwezenlijking van de in het bestemmingsplan aan het perceel toegekende bestemming voorop staat, kan na een onderbreking van een zo lange duur als hier aan de orde, in beginsel geen aanspraak meer worden ontleend aan de beschermende werking van het overgangsrecht. Voor een uitzondering daarop kan slechts aanleiding bestaan indien degene die zich op het overgangsrecht beroept aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk maakt dat de onderbreking verband houdt met zodanig bijzondere omstandigheden dat ondanks de lange duur van die onderbreking moet worden uitgegaan van blijvend voortgezet gebruik.

In haar nadere stuk van 19 september 2014 heeft [appellant sub 8] gesteld dat het perceel in de periode van 1999 tot en met 2003 te koop stond, waarbij een intentie bestond tot voortzetting van het gebruik. In dit verband stelt zij dat het perceel uitdrukkelijk is verkocht als woning met recreatiewoning en haar bovendien is medegedeeld dat de recreatiewoning in die periode geregistreerd stond bij de plaatselijke VVV. Naar het oordeel van de Afdeling is dit onvoldoende om een blijvend voortgezet gebruik aan te nemen. Daargelaten of met deze gegevens de intentie van de voormalig eigenaar op voortzetting van het gebruik aannemelijk kan worden gemaakt, is het feit dat het perceel te koop stond, in dit geval niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Niet valt in te zien waarom de beoogde verkoop uitsloot dat in de genoemde periode van de recreatiewoning nog gebruik kon worden gemaakt.

Op basis van hetgeen [appellant sub 8] omtrent het gebruik naar voren heeft gebracht, kan dan ook niet worden geoordeeld dat het in geding zijnde gebruik als voortgezet moet worden aangemerkt. Gelet daarop heeft de raad zich terecht reeds om die reden op het standpunt gesteld dat het gebruik niet onder het gebruiksovergangsrecht viel. De raad behoefde derhalve in het overgangsrecht geen aanleiding te zien om de recreatiewoning als zodanig te bestemmen.

Het vorenstaande neemt niet weg dat de raad ervoor kan kiezen om het gebruik, ook indien dit illegaal is zoals in het onderhavige geval, niettemin als zodanig te bestemmen indien dit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in zijn reactie van 10 juli 2014 op het deskundigenbericht gesteld dat de Provinciale Ruimtelijke Verordening Gelderland (hierna: de Verordening) aan legalisering van een solitaire recreatiewoning als de onderhavige in de weg staat. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold de Verordening zoals deze op 19 december 2012 is herzien met de tweede herziening. Ingevolge artikel 2, lid 2.2, daarvan is in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken slechts toegestaan: binnen bestaand stedelijk gebied, binnen de woningbouwcontour van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, dan wel - kort gezegd - binnen bepaalde zoekzones. De raad heeft zich, gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 2.2, van de Verordening terecht op het standpunt gesteld dat nieuwe bebouwing voor wonen niet op het perceel is toegestaan. Nu op deze locatie geen reguliere woning kan worden gebouwd, is een recreatiewoning ingevolge artikel 5 van de Verordening ter plaatse evenmin toegestaan. Ingevolge artikel 5 van de Verordening worden in een bestemmingsplan recreatiewoningen immers slechts toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd. Gelet hierop heeft de raad afdoende gemotiveerd waarom de recreatiewoning niet kan worden gelegaliseerd.

Het betoog faalt.

27. Het beroep van [appellant sub 8] tegen het besluit van 23 april 2013 is ongegrond.

Ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012"

28. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met het besluit van 28 mei 2013 tot vaststelling van bestemmingsplan "Buitengebied 2012", voor zover aan haar perceel de bestemming "Wonen" is toegekend. Met deze bestemming is opnieuw niet voorzien in de legalisatie van de recreatiewoning. Afgezien van het feit dat zij meent dat de recreatiewoning onder het gebruiksovergangsrecht valt, stelt [appellant sub 8] verder dat de raad er ten onrechte op wijst dat het hier om een conserverend plan gaat, omdat het gebruik volgens haar niet in sterke mate afwijkt van het huidige gebruik. Het gebruik als recreatiewoning wijkt allereerst niet wezenlijk af van het gebruik van andere gebouwen met een woonbestemming en bovendien past de recreatiewoning in het nationale, provinciale en gemeentelijke beleid. Daarbij komt dat derden nimmer bezwaren hebben geuit tegen de aanwezigheid van de recreatiewoning, zo stelt [appellant sub 8].

28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij op 23 april 2013 heeft besloten geen medewerking te verlenen aan een verzoek van [appellant sub 8] om het vorige bestemmingsplan te herzien. De recreatiewoning komt volgens de raad niet in aanmerking voor legalisatie in het voorliggende plan.

28.2. In de verbeelding is aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, geldt voor het bouwen van woningen dat per bestemmingsvlak niet meer dan één woning mag worden gebouwd, uitgezonderd ter plaatse van:

1. de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’, want daar geldt als maximum aantal woningen het aantal zoals op de verbeelding is aangegeven;

2. de aanduiding ‘woning uitgesloten’, want daar mogen geen woningen worden gebouwd.

28.3. [appellant sub 8] heeft inhoudelijk enkele andere beroepsgronden aangevoerd dan die zij tegen het besluit van 23 april 2013 heeft ingediend. Zo heeft zij gesteld dat de raad er ten onrechte op wijst dat het hier om een conserverend plan gaat, omdat het gebruik niet in sterke mate afwijkt van het huidige gebruik. Daarbij komt dat derden nimmer bezwaren hebben geuit tegen de aanwezigheid van de recreatiewoning, zo stelt [appellant sub 8]. Wat hiervan verder ook zij, de raad heeft gelet op het overwogene in 26.4 afdoende gemotiveerd waarom de recreatiewoning niet wordt gelegaliseerd. Gelet hierop faalt het betoog dat de recreatiewoning in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet als zodanig is bestemd.

Het beroep van [appellant sub 8] van rechtswege tegen het besluit van 28 mei 2013 is daarom eveneens ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 9]

29. [appellanten sub 9] kunnen zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor het perceel [locatie 16] te Garderen. Zij betogen allereerst dat de op het perceel aanwezige recreatiewoning, genaamd "De Bosuil", niet als zodanig is bestemd. [appellanten sub 9] stellen dat het gebouw in de jaren ’50 is gebouwd als werkschuur en dat deze eind jaren ’60 tot gastenverblijf is omgebouwd. Om aan te tonen dat het gebouw is gebruikt als recreatiewoning, hebben [appellanten sub 9] enkele stukken overgelegd. Zij achten de bewijslast onredelijk hoog, nu de raad deze bewijsstukken onvoldoende acht. Een en ander klemt te meer nu het college van burgemeester en wethouders niet heeft voldaan aan de motie die de raad bij de vaststelling van het plan heeft aangenomen, om te bezien of nog een oplossing mogelijk is.

29.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebouw illegaal is opgericht. Het bouwovergangsrecht heeft geen legaliserende werking, hetgeen met zich brengt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om handhavend op te treden. De raad is voorts van mening dat de door appellant overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk maken dat het gebouw onafgebroken als zomerwoning in gebruik is geweest sinds de peildatum van 1 januari 1988 die volgt uit gemeentelijk beleid.

29.2. Het gebouw is gelegen ten zuidwesten van de op het perceel aanwezige woning. Ingevolge de verbeelding rust op deze gronden de bestemming "Natuur" en de aanduiding ‘ecologische hoofdstructuur’.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden bestemd voor: het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur(wetenschappe)lijke waarde en de landschappelijke waarde, houtproductie als gevolg van bos- en/of natuurbeheer, met daaraan ondergeschikt onder meer extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik, met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en werken, geen bouwwerken zijnde.

29.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat aannemelijk is dat het gebouw sinds de jaren ’50 aanwezig is. In het deskundigenbericht staat verder dat aaneensluitend gebruik vanaf de jaren ’50 niet met documenten kan worden onderbouwd, te meer daar de woning geen eigen adres heeft en daarom niet als afzonderlijk verblijf in de BRP is opgenomen.

29.4. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het gebouw nimmer een bouwvergunning, dan wel voor het gebruik als recreatiewoning toestemming is verleend. Ter zitting hebben [appellanten sub 9] bevestigd dat het hun gaat om een bestemming als recreatiewoning en dat zij niet een bestemming voor permanente bewoning voor het gebouw wensen. Partijen zijn erover verdeeld op welk moment het gebruik als recreatiewoning is aangevangen en of dit gebruik onafgebroken heeft plaatsgevonden. [appellanten sub 9] hebben ter staving van het gebruik als recreatiewoning onder meer een uittreksel uit het gemeentearchief van [voormalige gebruiker], en diens verklaring overgelegd, alsmede foto’s van de recreatiewoning uit 1972. Voorts is bij het deskundigenbericht een overzicht van [appellanten sub 9] van de gebruikers van de woning gevoegd en hebben zij een huurovereenkomst met een andere voormalige gebruiker uit 2003 overgelegd.

Voor het al dan niet toekennen van positieve bestemmingen aan illegale situaties heeft de raad 1 januari 1988 als peildatum gehanteerd. Tegen illegaal gebruik, voor zover aantoonbaar aanwezig vóór 1 januari 1988, heeft het college van burgemeester en wethouders zich voorgenomen om niet handhavend op te treden. Uit het overzicht van gebruikers van [appellanten sub 9] dat bij het deskundigenbericht is gevoegd, leidt de Afdeling af dat de recreatiewoning van 1987 tot en met 1991 door [bewoonster] werd bewoond. Voorts volgt uit dit overzicht dat de heer Strik van 15 juli 2001 tot en met maart 2010 in de woning zou hebben gewoond. Daarnaast wordt in de zienswijze gesproken over langdurige bewoners, huurders die zich inschreven in de BRP, en personen die gemeentelijke belastingen voldeden. Het betreft hier naar het oordeel van de Afdeling geen recreatief gebruik, maar gebruik voor permanente bewoning. Wat verder van de kwalificatie van de bewijsstukken ook zij, de raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling gelet op het vorenstaande op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het recreatieve gebruik van het gebouw op de peildatum van 1 januari 1988 was aangevangen en daarna ononderbroken is voortgezet. Voor zover [appellanten sub 9] in hun nadere stuk van 12 september 2014 erop hebben gewezen dat er nimmer de intentie is geweest om het gebruik als gastenverblijf te staken, is dit onvoldoende om gedurende de lange periodes van permanente bewoning het recreatieve gebruik als voortgezet gebruik te beschouwen. Nu reeds niet vast is komen te staan dat het recreatieve gebruik is aangevangen en voortgezet sinds 1 januari 1988, kan evenmin worden gesteld dat het gebruik onder het gebruiksovergangsrecht mocht worden voortgezet. Gelet op rechtsoverweging 7.4 geldt daarvoor immers dat het gebruik moet zijn aangevangen en onderbroken zijn voortgezet sinds de peildatum van 2 januari 1980.

Nu het voorts gaat om een illegaal bouwwerk, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om dit gebouw in het plan op te nemen. De raad heeft in dit verband gemotiveerd dat dit niet wenselijk is, gelet op de omstandigheid dat het gebouw in een natuurgebied is gelegen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij de op het perceel aanwezige recreatiewoning niet als zodanig behoefde te bestemmen.

30. Voorts betogen [appellanten sub 9] dat de op het perceel aanwezige paardenstal, in tegenstelling tot de bedoeling van de raad, niet geheel door de bestemming is ‘gedekt’. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij een uitsnede van de verbeelding van www.ruimtelijkeplannen.nl overgelegd.

30.1. De raad betwist dat het desbetreffende bijgebouw niet als zodanig is bestemd. Volgens de raad stemt de topografische ondergrond op de website www.ruimtelijkeplannen.nl niet geheel overeen met de feitelijke situatie en niet met de gemeentelijke BAG-registratie. Het bijgebouw valt wel geheel binnen de bestemming "Wonen", zo voert de raad aan.

30.2. Ingevolge artikel 1.2.4, eerste lid, van het Bro, voor zover thans van belang, worden plannen vastgesteld met gebruikmaking van een of meer ondergronden. Bij het besluit tot vaststelling van het plan wordt aangegeven welke ondergrond is gebruikt.

30.3. Zoals in het vaststellingsbesluit staat, is voor de locatie van de geometrische planobjecten gebruik gemaakt van de ondergrond welke aan de Grootschalige Basiskaart Nederland (hierna: GBKN) met de bestandsnaam 1056-GbknKad-20130214.dxf is ontleend. De Afdeling heeft dit bestand met de ondergrond van de raad ontvangen, tezamen met de vastgestelde verbeelding. Gebleken is dat de locatie van de paardenstal op de topografische ondergrond van www.ruimtelijkeplannen.nl ongeveer 3 m verschilt van de locatie van de stal op de ondergrond uit de GBKN die de raad bij de vaststelling van het plan heeft gebruikt. Ingevolge de verbeelding, in samenhang bezien met de ondergrond uit de GBKN, valt de paardenstal precies binnen de bestemming "Wonen". De Afdeling betrekt voorts bij zijn oordeel dat de deskundige in het deskundigenbericht heeft geconcludeerd dat de topografische ondergrond op www.ruimtelijkeplannen.nl niet correct is. Gelet op het vorenstaande faalt het betoog.

31. Het beroep van [appellanten sub 9] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 10]

Beroep van rechtswege

32. Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad besloten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellante sub 10] om op het perceel [locatie 2] te Kootwijkerbroek door middel van een herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" in een bedrijfswoning te voorzien.

De raad heeft bij besluit van 22 november 2011 het gemaakte bezwaar van [appellante sub 10] tegen zijn besluit van 28 juni 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 juni 2012, in zaak nr. 201113448/1/R2, heeft de Afdeling het beroep van [appellante sub 10] tegen dat besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Bij besluit van 23 april 2013, verzonden op 2 mei 2013, heeft de raad het door [appellante sub 10] hiertegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Daartegen heeft [appellante sub 10] beroep ingesteld.

32.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

32.2. Het besluit van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu het perceel in voornoemde beslissing op het bezwaar, eveneens onderdeel uitmaakt van het plangebied van het voorliggende plan. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 5 december 2012, in zaak nr. 201203326/1/R1, en de uitspraak van 9 april 2014, in zaak nrs. 201302216/1/R2 en 201309345/2/R2, waarin een meeromvattend bestemmingsplan volgend op een besluit op aanvraag als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb is aangemerkt.

De Afdeling stelt vast dat het plan niet voorziet in de door [appellante sub 10] gewenste bedrijfswoning ter plaatse van haar perceel [locatie 2]. Aan haar perceel, alsmede het perceel [locatie 17], is namelijk één bouwvlak toegekend en derhalve is één bedrijfswoning toegestaan, die feitelijk aanwezig is in de vorm van de woning [locatie 17]. Gelet hierop komt dit besluit niet tegemoet aan haar beroep. Het beroep van [appellante sub 10] tegen het besluit van 23 april 2013 wordt in beginsel dan ook geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 28 mei 2013.

Het besluit van 23 april 2013 tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek

33. Met het besluit van 23 april 2013 heeft de raad opnieuw op het bezwaar van [appellante sub 10] beslist. De raad heeft besloten het bezwaar opnieuw ongegrond te verklaren en het bestreden besluit van 28 juni 2011 in stand te laten. Hij heeft zich in zoverre geconformeerd aan het advies van de commissie inzake de behandeling van de bezwaarschriften aan de raad, waarin staat dat de kadastrale splitsing van het perceel niet de splitsing van het agrarische bouwperceel met zich brengt. Een splitsing van het bouwperceel is niet wenselijk, nu de economische en privaatrechtelijke splitsing vanuit planologisch oogpunt niet relevant zijn. Daarbij constateert de raad, in navolging van de commissie, dat een planologische splitsing van de percelen ertoe leidt dat op het perceel [locatie 2] een nieuwe burgerwoning ontstaat, terwijl op het perceel [locatie 17] een nieuwe bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. Dit is niet in overeenstemming met het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in de Structuurvisie Buitengebied Barneveld 2011 (hierna: de Structuurvisie). Het verzoek dient volgens de raad derhalve niet te worden ingewilligd.

33.1. [appellante sub 10] kan zich met dit nieuwe besluit op haar bezwaar niet verenigen. Zij betoogt dat er een planregeling dient te worden opgenomen die recht doet aan de feitelijke situatie. De feitelijke situatie is volgens haar dat een economische en juridische splitsing van het agrarische bouwperceel ertoe heeft geleid dat op het perceel [locatie 2] alleen nog agrarische activiteiten plaatsvinden. Op het perceel [locatie 17] is dat volgens haar niet het geval omdat hier slechts sprake is van bewoning. [appellante sub 10] voert aan dat zij - anders dan de raad kennelijk meent - niet vraagt om een nieuwe burgerwoning voor het perceel [locatie 17]. Verder stelt de raad zich volgens [appellante sub 10] ten onrechte op het standpunt dat het verzoek leidt tot verstening en verdichting van het buitengebied. Het bouwblok zoals dat nu bestaat mag immers ook verder worden bebouwd, mits die bebouwing agrarisch van aard is, zo voert [appellante sub 10] aan.

33.2. [belanghebbende D], wonend aan [locatie 17], heeft zich op het standpunt gesteld dat op het perceel [locatie 2] geen bedrijf wordt uitgeoefend sinds de bouw van de opstallen in 2007. De milieuvergunning die in 2006 aan [appellante sub 10] is verleend, heeft weliswaar betrekking op het houden van maximaal 50 paarden, maar [belanghebbende D] betwijfelt of er fysiek wel genoeg ruimte bestaat om dit aantal daadwerkelijk op het perceel te kunnen houden. De noodzaak van een bedrijfswoning is derhalve ook niet aangetoond. Het toezicht op de paarden kan volgens [belanghebbende D] ook op andere manieren worden geregeld. Verder stelt [belanghebbende D] dat het verzoek geen betrekking kan hebben op haar perceel [locatie 17]. De vraag of haar eigen perceel bedrijfsmatig wordt gebruikt, is volgens haar derhalve niet relevant.

33.3. Gelet op afbeelding 2 van de Structuurvisie zijn de percelen [locatie 17] en [locatie 2] gelegen in het deelgebied ‘Agrarisch bedrijvenlandschap’. In dit deelgebied is intensieve landbouw volgens de Structuurvisie de belangrijkste gebruiksvorm. Vanwege het primaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, wordt in het landbouwontwikkelingsgebied in beginsel geen medewerking verleend aan verzoeken om functiewijziging naar wonen. Voorts staat in de Structuurvisie dat paardenhouderijen een eigen bestemming krijgen vanwege de hoeveelheid en soort andere bouwwerken die hier voorkomen.

33.4. De Afdeling overweegt dat de percelen [locatie 17] en [locatie 2] gezamenlijk een voormalige agrarische bedrijfslocatie betreffen. Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat de woning aan [locatie 17] als bedrijfswoning heeft gediend ten behoeve van het oorspronkelijk op de percelen aanwezige gemengde veehouderijbedrijf. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" was aan deze percelen eveneens één gezamenlijk agrarisch bouwvlak toegekend. De percelen zijn privaatrechtelijk van elkaar gesplitst, waarna [appellante sub 10] in 2006 het perceel [locatie 2] in eigendom heeft verkregen. Bij besluit van 6 december 2006 is aan [appellante sub 10] een milieuvergunning verleend voor een paardenhouderij met maximaal 50 paarden. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders op 6 maart 2007 een bouwvergunning verleend voor de bouw van een paardenstal/veeschuur/opslag, waaronder een stallencomplex met acht paardenboxen. Tegelijkertijd heeft het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 7, derde lid, onder 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" vrijstelling verleend om op een agrarisch bouwperceel een (ander) bijzonder agrarisch bedrijf toe te staan. Uit het deskundigenbericht volgt verder dat op het perceel [locatie 17] geen agrarisch bedrijf is gevestigd en dat [belanghebbende D] met haar gezin in de voormalige bedrijfswoning woont.

33.5. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat het honoreren van hetgeen [appellante sub 10] vraagt feitelijk zou neerkomen op het toevoegen van een nieuw agrarisch bedrijf met een nieuwe bedrijfswoning in het buitengebied. In de noodzaak van een bedrijfswoning voor de bedrijfsvoering van de paardenhouderij, wat daarvan verder ook zij, behoefde de raad geen aanleiding te zien om het bestemmingsplan te herzien en een afzonderlijk bouwperceel toe te kennen. De raad heeft bij zijn oordeel over de inwilliging van een dergelijk verzoek kunnen betrekken welke bestemming passend zou zijn voor het perceel [locatie 17]. Het herzien van het plan in overeenstemming met de feitelijke situatie, zoals [appellante sub 10]s beoogt, behoefde de raad echter, gelet op het in 33.3 weergegeven beleid in de Structuurvisie, niet wenselijk te achten. In het landbouwontwikkelingsgebied wordt immers in beginsel geen medewerking verleend aan verzoeken om functiewijziging naar wonen. In hetgeen [appellante sub 10] verder heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich in deze situatie niet heeft mogen baseren op dit beleid. Het argument dat verstening en verdichting van het buitengebied ook in de huidige situatie binnen het bestaande bouwblok kan plaatsvinden, miskent dat in de door [appellante sub 10] gewenste situatie een extra woning aan het buitengebied wordt toegevoegd. In de privaatrechtelijke afsplitsing heeft de raad voorts in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om van dit beleid af te wijken. Het feit dat het voormalige agrarische complex in het verleden privaatrechtelijk is gesplitst, neemt niet weg dat in planologisch opzicht sprake is van één agrarisch bedrijfsperceel.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten het bezwaar opnieuw ongegrond te verklaren en het bestreden besluit van 28 juni 2011 in stand te laten. Het betoog faalt.

34. [appellante sub 10] betoogt dat de raad ten onrechte niet de hoogte heeft vastgesteld van de verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. In haar beroepschrift tegen de beslissing op het bezwaarschrift in zoverre verwezen naar haar brieven van 19 december 2012 en 22 maart 2013, waarin zij het college van burgemeester en wethouders in gebreke heeft gesteld en het college heeft verzocht de hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast te stellen.

34.1. Daargelaten de omstandigheid dat [appellante sub 10] de ingebrekestellingen aan het college van burgemeester en wethouders heeft gezonden, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 mei 2010, in zaak nr. 201001808/1/R3, dat het nemen van een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, ook in het geval daaraan een aanvraag ten grondslag ligt, niet het nemen van een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 gelezen in samenhang met artikel 1:3, tweede lid, van de Awb is. Dit betekent dat de artikelen 4:17 tot en met 4:20 van de Awb niet van toepassing zijn. Er is derhalve geen dwangsom verbeurd en het verzoek komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

Het betoog faalt.

35. Het beroep van [appellante sub 10] tegen het besluit van 23 april 2013 is ongegrond.

Het beroep van rechtswege tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012"

36. In de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn de percelen [locatie 17] en 8 aangewezen voor de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij". De beide percelen zijn in de verbeelding opgenomen in één bouwvlak.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en i, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch - Paardenhouderij" aangewezen gronden bestemd voor een gebruiksgerichte paardenhouderij, met de daarbij behorende bedrijfswoning(en) met bijbehorende bijgebouwen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’, want daar zijn geen bedrijfswoningen toegestaan.

Ingevolge lid 4.2.3, geldt voor het bouwen van een bedrijfswoning dat per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning is toegestaan, met dien verstande dat indien het bestaande aantal bedrijfswoningen meer bedraagt, het aantal bedrijfswoningen maximaal dat aantal mag bedragen.

36.1. Met de voornoemde bestemmingsregeling voorziet het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet in de door [appellante sub 10] gewenste bedrijfswoning ter plaatse van haar perceel [locatie 2]. Nu [appellante sub 10] inhoudelijk geen andere beroepsgronden dan die tegen het besluit van 23 april 2013 heeft ingediend en die gronden niet slagen, is haar beroep van rechtswege tegen het besluit van 28 mei 2013 eveneens ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

Ontvankelijkheid

37. Het beroep van [appellant sub 11] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 4, lid 4.5.2, van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 11] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

38. Het beroep van [appellant sub 11] richt zich tegen de vaststelling van één bouwvlak voor zijn eigen perceel [locatie 18], alsmede het perceel [locatie 19] te Voorthuizen. Hij stelt dat hem hierdoor ten onrechte niet de mogelijkheid wordt geboden om bij zijn paardenhouderij een bedrijfswoning te realiseren, terwijl dit gezien de omvang van het bedrijf noodzakelijk is. Daarnaast wordt de bedrijfswoning die reeds aanwezig is op het perceel [locatie 19] niet meer als zodanig gebruikt en hiertoe bestaat volgens [appellant sub 11] ook geen intentie.

38.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de privaatrechtelijke splitsing van het perceel op 3 november 1997 in dit geval niet tot een planologische splitsing dient te leiden. De raad acht een eigen bouwvlak voor het perceel [locatie 18] niet wenselijk, omdat daarmee een extra bedrijfswoning in het buitengebied wordt toegestaan. In het vorige plan "Buitengebied 2000" werd splitsing evenmin toegestaan en de Afdeling heeft het beroep van [appellant sub 11] daartegen bij uitspraak van 27 augustus 2003, in zaak nr. 200203536/1 ongegrond verklaard. Het gemeentelijke en provinciale beleid is sindsdien niet gewijzigd, zo voert de raad aan.

38.2. In de verbeelding zijn de percelen [locatie 19] en [locatie 18] beide grotendeels bestemd als "Agrarisch -Paardenhouderij". Alle bebouwing ligt binnen het bouwvlak, dat deels op het perceel [locatie 19] en deels op het perceel [locatie 18] rust. Voor zover ter plaatse van de percelen niet de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" is toegekend, rust op de gronden de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Paardenhouderij" aangewezen gronden bestemd voor een gebruiksgerichte paardenhouderij, met de daarbij behorende bedrijfswoning(en) met bijbehorende bijgebouwen.

Ingevolge lid 4.2.3 geldt voor het bouwen van een bedrijfswoning dat per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning is toegestaan, met dien verstande dat indien het bestaande aantal bedrijfswoningen meer bedraagt, het aantal bedrijfswoningen maximaal dat aantal mag bedragen.

38.3. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 11] de gronden aan [locatie 18], bestaande uit de kadastrale percelen, gemeente Voorthuizen, sectie G, nrs. 4633 en 4636, in 1997 heeft gekocht ten behoeve van een nieuw op te richten paardenfokkerij. De op het kadastrale perceel nr. 4636 aanwezige varkensstal is met gebruikmaking van een bouwvergunning van 20 september 2000 verbouwd en uitgebreid voor het houden en fokken van paarden. De rijhal op perceel nr. 4633 is gerealiseerd met een bouwvergunning van 28 september 2006.

38.4. In 2.14.3 van de uitspraak van 27 augustus 2003 heeft de Afdeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 11] ten aanzien van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 19] als volgt overwogen:

"De Afdeling acht het standpunt van verweerder dat deze woning in planologisch opzicht nog steeds deel uitmaakt van het bedrijf, niet onredelijk. Verweerder heeft daarbij buiten beschouwing kunnen laten dat de woning niet in gebruik is bij of in eigendom is van appellant. Een ander oordeel zou er immers toe leiden dat het splitsen van de bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen telkens de bouw van een nieuwe woning mogelijk maakt. Een dergelijke uitbreiding van woningen in het buitengebied is strijdig met het gemeentelijke en provinciale beleid dat erop gericht is verstening van het buitengebied tegen te gaan. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Hoewel uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat met de bouw van een bedrijfswoning voor appellant een groot belang is gemoeid, is niet gebleken dat deze omstandigheden dermate bijzonder zijn dat verweerder op grond hiervan niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij betrekt de Afdeling dat appellant bij de koop van het bedrijf ervan op de hoogte was dat geen bedrijfswoning bij het bedrijf aanwezig was, terwijl hij wist of behoorde te weten dat de aanwezigheid van een bedrijfswoning van groot belang zou zijn of worden voor zijn bedrijfsvoering. Voorts betrekt de Afdeling hierbij dat ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad en verweerder geen bezwaar hebben tegen het creëren van een overnachtingsruimte op het bedrijf van appellant, zodat hij bij het veulenen van de merries de mogelijkheid van direct toezicht heeft.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening."

38.5. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding anders te overwegen dan zij heeft gedaan in de hiervoor genoemde overweging. De bedrijfswoning is feitelijk aanwezig in de vorm van de woning [locatie 19]. Het feit dat het perceel waarop deze woning staat in privaatrechtelijke zin is afgesplitst van het perceel van [appellant sub 11], brengt niet met zich dat tevens een planologische afsplitsing dient te volgen. Zoals ook uit de stukken blijkt, bijvoorbeeld uit de aanbiedingsbrief bij de bouwvergunning van 20 september 2000, is dit reeds ten tijde van de vestiging van de paardenhouderij aan [appellant sub 11] medegedeeld. Dat in de tussentijd de paardenhouderij van [appellant sub 11] is doorgegroeid, terwijl op het perceel [locatie 19] geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, doet aan het vorenstaande niet af. Zoals de raad immers onweersproken heeft gesteld, is het provinciale en gemeentelijke beleid ter zake sinds de uitspraak van 27 augustus 2003 niet gewijzigd. In dit verband staat ook in de plantoelichting dat de gemeente van mening is dat eerst moet worden gezocht naar mogelijkheden om bestaande bouwvlakken van stoppende agrariërs te hergebruiken om zo een verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het perceel [locatie 18] niet een afzonderlijk bouwvlak diende te worden vastgesteld, zodat [appellant sub 11] bij zijn paardenhouderij een bedrijfswoning kan realiseren.

Het betoog faalt.

39. [appellant sub 11] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 11] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

40. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 12] en [appellant sub 13]

41. [appellant sub 12] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover aan zijn perceel [locatie 20] te Kootwijkerbroek niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit" is toegekend. Hiertoe stelt hij in de eerste plaats dat de agrarische activiteiten een omvang hebben van meer dan 5 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: NGE). Voorts stelt hij dat in het toepasselijk gemeentelijk beleid niet is vereist dat de agrarische activiteiten een bedrijfsmatig karakter hebben. Door deze eis in dit geval wel te hanteren, handelt de raad in strijd met zijn eigen beleid, aldus [appellant sub 12].

41.1. De raad stelt dat de aanduiding "agrarische nevenactiviteiten" slechts wordt toegekend in geval de activiteiten volgens een milieuvergunning of geaccepteerde melding een minimale omvang hebben van 5 NGE en een maximale omvang van 20 NGE. Volgens de raad vinden er op het perceel van [appellant sub 12] geen agrarische activiteiten plaats, nu de milieuvergunning in 2006 is ingetrokken en sindsdien geen nieuwe vergunning is verleend voor het houden van dieren met een omvang van 5 NGE. De raad merkt in dit verband op dat het hobbymatig houden van dieren is toegestaan binnen de bestemming "Wonen" en dat de feitelijk bestaande situatie hiermee als zodanig is bestemd.

41.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel van [appellant sub 12] een woning staat en zes schuren. In een van de schuren worden paarden gehouden. Op het moment van rapporteren waren drie paarden en drie pony’s aanwezig van tussen de 4 en 27 jaar. Dit komt volgens het deskundigenbericht overeen met een omvang die groter is dan 5 NGE en kleiner is dan 20 NGE.

41.3. In de nota van uitgangspunten is vermeld dat locaties die in het vorige bestemmingsplan zijn bestemd als "wonen met een agrarische activiteit" of die een agrarisch bouwvlak hebben en een bedrijfsomvang tussen de 5 en 20 NGE een bestemming "wonen met agrarische activiteiten" krijgen. Hiervoor wordt een bestemmingsvlak opgenomen dat zo wordt vorm gegeven dat normaal gebruik van het erf mogelijk is zonder ruimte over te laten voor uitbreiding van de agrarische activiteiten. Voor locaties die deze bestemming al hebben zijn de huidige mogelijkheden het uitgangspunt. Onder gebruiksgerichte paardenhouderij wordt volgens de nota van uitgangspunten verstaan een paardenhouderij die is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het geven van instructies aan derden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en de in- en verkoop van paarden. Voorbeelden zijn een africhtingstal, een pensionstal of een handelsstal.

41.4. Aan het perceel van [appellant sub 12] is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.6, van de planregels wordt onder agrarische nevenactiviteit verstaan: een kleinschalige bedrijfsmatige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, welke niet is aan te merken als een volwaardig agrarisch bedrijf en daarmee ondergeschikt is aan de woonfunctie. Hieronder is eveneens begrepen een kleinschalige gebruiksgerichte paardenhouderij.

Ingevolge lid 1.12 wordt onder bedrijf verstaan: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als onzelfstandig en ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

Ingevolge lid 1.53 wordt onder hobbymatig agrarisch gebruik verstaan: het telen van gewassen en/of het houden van dieren, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf of een bedrijfsmatige agrarische nevenfunctie niet zijnde een volkstuin. Hieronder is eveneens begrepen een hobbymatige gebruiksgerichte paardenhouderij.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef onder a en b, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit" tevens voor bedrijfsmatige agrarische nevenactiviteiten door de bewoner van de woning.

Ingevolge artikel 20, lid 20.5.1, aanhef en onder 3, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt het hobbymatig houden van vee.

41.5. De Afdeling begrijpt het beleid van de raad aldus dat slechts de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit" wordt toegekend indien in het vorige bestemmingsplan aan het perceel de bestemming "wonen met een agrarische activiteit" was toegekend of een agrarisch bouwvlak voor het perceel was opgenomen, en als uit een milieuvergunning of milieumelding blijkt dat het agrarische gebruik een omvang heeft van 5 tot 20 NGE. Naar de raad ter zitting heeft toegelicht is het de vaste gedragslijn om het beleid zo toe te passen dat de milieuvergunning dan wel milieumelding leidend is voor vaststelling van de omvang van de agrarische activiteit. De achtergrond hiervan is dat agrarisch gebruik passend wordt bestemd met als doel de agrarische activiteiten in het buitengebied trapsgewijs te beperken, zodat het milieubeslag hiervan niet toeneemt. Hoewel [appellant sub 12] hierover terecht stelt dat dit niet expliciet in het beleid is vermeld, acht de Afdeling het aannemelijk dat deze invulling als vaste gedragslijn wordt gehanteerd. Dat dit in strijd is met ander gemeentelijk beleid is door [appellant sub 12] niet onderbouwd. Hetgeen is aangevoerd geeft daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat deze invulling onredelijk is. Nu tussen partijen niet in geschil is dat voor het agrarisch gebruik geen milieuvergunning is verleend dan wel een milieumelding is gedaan, heeft de raad zich, ondanks de agrarische bestemming in het vorige bestemmingsplan, op het standpunt mogen stellen dat het perceel van [appellant sub 12] gelet op de nota van uitgangspunten niet in aanmerking komt voor toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit". In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad wegens bijzondere omstandigheden hiervan had moeten afwijken. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit" aan het perceel van [appellant sub 12]. Het betoog faalt.

42. [appellant sub 12] en [appellant sub 13] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 21] te Kootwijkerbroek. Hiertoe voeren zij aan dat het plan in zoverre in strijd is met het gemeentelijk beleid en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van dit beleid rechtvaardigen. Zij verwijzen naar het beroep dat zij hebben ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 14 maart 2013 waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van een veehouderij.

42.1. De raad stelt dat in verband met de op 14 maart 2013 verleende omgevingsvergunning, in afwijking van het ontwerpbestemmingsplan de bestemming "Agrarisch" is toegekend aan het perceel [locatie 21]. Het bouwvlak komt overeen met dat in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" en wijkt in zoverre af van de omgevingsvergunning. De raad wijst erop dat ook in het vorige bestemmingsplan een agrarische bestemming gold voor het perceel.

42.2. In de nota van uitgangspunten is vermeld dat een agrarisch bouwvlak wordt toegekend aan bestemde agrarische bedrijven met een minimale bedrijfsomvang van 20 NGE. Er is sprake van een bedrijfsmatig agrarische activiteit indien het bedrijf een omvang heeft van 20 NGE of groter. De grootte van het bouwvlak is in beginsel gelijk aan die in het vorige bestemmingsplan, aldus de nota van uitgangspunten.

42.3. Uit het deskundigenbericht volgt dat voor de inrichting op het perceel [locatie 21] op 11 september 1996 een melding op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer is geaccepteerd voor 50 vleesvarkens, 12 zoogkoeien en 6 stuks jongvee, hetgeen neerkomt op een bedrijfsomvang tussen de 5 en 20 NGE. In de huidige situatie worden 25 vleesrunderen gehouden, hetgeen volgens het deskundigenbericht overeenkomt met een kleinere bedrijfsomvang dan 5 NGE. Ook vermeldt het deskundigenbericht dat op 14 maart 2013 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van twee stallen, het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het voorgaande bestemmingsplan en het veranderen van een agrarische inrichting. Hiertegen heeft onder meer [appellant sub 12] beroep ingesteld. De rechtbank Gelderland heeft bij tussenuitspraak van 29 april 2014 geoordeeld dat aan de omgevingsvergunning een gebrek kleeft. Het deskundigenbericht constateert dat de met deze omgevingsvergunning mogelijk gemaakte uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de agrarische activiteiten, niet is opgenomen in het bestemmingsplan.

42.4. Aan het perceel [locatie 21] was in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" de bestemming "Agrarisch gebied I" en de aanduiding "bouwperceel" toegekend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan zijn de gronden op de plankaart aangeduid met de bestemming "Agrarisch gebied I" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

42.5. Aan het perceel [locatie 21] is in het onderhavige plan de bestemming "Agrarisch" toegekend met onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat per bouwvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan.

Ingevolge ditzelfde lid onder b, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor een intensieve veehouderij bestemd.

42.6. Vaststaat dat ten tijde van de vaststelling van het plan een omgevingsvergunning was verleend voor een uitbreiding van het agrarisch bedrijf tot een omvang van 18 stuks vrouwelijk jongvee, 8 zoogkoeien en 814 vleeskalveren. Anders dan [appellant sub 12] en [appellant sub 13] betogen heeft de raad dit besluit terecht in zijn afweging betrokken. De omstandigheid dat de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk was, doet er immers niet aan af dat ten tijde van de vaststelling van het plan de omgevingsvergunning in werking was getreden. Gezien deze omgevingsvergunning heeft het agrarisch bedrijf, naar de raad onweersproken stelt, een bedrijfsomvang van 88 NGE. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat ook in het vorige bestemmingsplan een agrarische bestemming gold voor het perceel, heeft de raad door toekenning van de bestemming "Agrarisch" het plan in zoverre vastgesteld in overeenstemming met de nota van uitgangspunten. Nu het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan en in overeenstemming met de nota van uitgangspunten niet voorziet in een uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, geeft hetgeen is aangevoerd voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onevenredige gevolgen heeft voor de belangen van [appellant sub 12] en [appellant sub 13]. Hierbij is van belang dat de door [appellant sub 12] en [appellant sub 13] gevreesde bedrijfsuitbreiding niet in het plan is verankerd doch planologisch wordt mogelijk gemaakt door de omgevingsvergunning van 14 maart 2013. Aangezien dit besluit thans niet voorligt, zal hier verder niet op worden ingegaan. Het betoog faalt.

43. [appellant sub 12] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 12] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

44. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 12] en [appellant sub 13] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 14A]

Ontvankelijkheid

45. De raad betwist dat [appellanten sub 14] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de vaststelling van het plan. Hiertoe stelt de raad dat nu het plan niet voorziet in een bedrijf dat stro en houtvezels verwerkt met milieucategorie 4.1 op het perceel [locatie 22] en [locatie 23] te Kootwijkerbroek, [appellante sub 14A] niet werkzaam is in hetzelfde marktsegment. Verder is volgens de raad niet aannemelijk dat [appellante sub 14A] in hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam is.

45.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen. Bij bestemmingsplannen is het concurrentiebelang van een onderneming slechts rechtstreeks betrokken bij het besluit indien deze in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

45.2. [appellante sub 14A] komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Landelijk" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in akkerbouwprodukten en veevoeders" voor het perceel [locatie 22] en [locatie 23] te Kootwijkerbroek. Binnen deze bestemming is een groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders toegestaan.

[appellante sub 14A] is gevestigd op het perceel [locatie 24] te Winschoten en derhalve op ongeveer 145 kilometer van het perceel waarop het bestreden plandeel ziet. [appellante sub 14A] is een groothandel in hooi, stro en ruwvoeder. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat zij aan verschillende bedrijven levert in de nabijheid van het perceel waarop het bestreden plandeel is geprojecteerd. Gelet hierop acht de Afdeling het niet uitgesloten dat [appellante sub 14A] en het in het plan voorziene bedrijf zich richten op hetzelfde verzorgingsgebied en hetzelfde marktsegment. Daarbij overweegt de Afdeling dat niet vereist is dat de werkzaamheden precies gelijk zijn, maar dat deze voor een belangrijk deel overeenkomen. Zij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2011, nr. 201007060/1/R3. Het belang van [appellante sub 14A] is dan ook rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Voor [appellante sub 14B] geldt dat zij een belang bij de vaststelling van het onderhavige plan heeft als bestuurder en enig aandeelhouder van [appellante sub 14A]. Dit belang is zo verweven en loopt zo parallel met dat van [appellante sub 14A] dat [appellante sub 14B] eveneens kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

Inhoudelijk

46. [appellanten sub 14] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Landelijk" en het planonderdeel met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders" voor het perceel [locatie 22] en [locatie 23] te Kootwijkerbroek. Hiertoe voeren zij aan dat de gebruiksmogelijkheden zijn toegenomen ten opzichte van het vorige bestemmingsplan, nu ook het herverpakken van akkerbouwproducten en veevoeders wordt toegestaan. Volgens hen hoort een dergelijk gebruik, vanwege de industriële aard en omvang van de activiteiten, alleen te worden toegestaan op een industrieterrein of een bedrijventerrein. Hiertoe verwijzen zij naar de plantoelichting. Zij stellen daarnaast dat de bestemming een dusdanige ruimtelijke uitstraling heeft dat dit niet aanvaardbaar is in het buitengebied. Zij wijzen in dit verband onder meer op geluidhinder en stofhinder ten gevolge van het bedrijf en stellen dat het bedrijf, in aanmerking genomen de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (hierna: de VNG-brochure), op te korte afstand is gesitueerd van woningen.

46.1. De raad stelt dat het plan niet voorziet in andere gebruiksmogelijkheden dan toegestaan op grond van het vorige bestemmingsplan, zodat geen sprake is van functieverandering. Het bestaande bedrijf is hiermee opnieuw als zodanig bestemd. De enkele wijziging in het plan is de benaming van het toegestane gebruik. De raad licht toe dat hiervoor is aangesloten bij de VNG-brochure. De raad stelt dat de bestemming in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid, nu dit beleid ook niet-agrarische bedrijven in het buitengebied toestaat. De raad stelt daarnaast dat geen aanleiding bestaat het gebruik te toetsen aan de richtlijnen van de VNG-brochure, nu het gaat om het voortzetten van de bestaande situatie.

46.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat op grond van het vorige bestemmingsplan een fouragehandel was toegestaan. Een fouragehandel is de handel in veevoeders. In de praktijk wordt deze handel meestal aangevuld met de handel in stalbodembedekkers zoals stro en houtvezels. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de bestemming in het plan aansluit bij de bestemming in het vorige bestemmingsplan en dat de bestaande en voormalige bedrijfsactiviteiten hiermee zijn bestemd. Voor zover al sprake is van een planologische wijziging, zou dit volgens het deskundigenbericht inhouden dat de handel in stro en houtvezels niet meer is toegestaan op grond van het plan. Verder volgt uit het deskundigenbericht dat het verpakken en verkopen van gesnipperde houtvezels mogelijk is binnen de bestemming. De productie van houtvezels is niet mogelijk binnen de bestemming, aldus het deskundigenbericht.

46.3. In het vorige

bestemmingsplan "Buitengebied 2000" was aan het perceel [locatie 22] en [locatie 23] de bestemming "Landelijke bedrijven" toegekend met de aanduiding "fouragehandel".

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangeduid met de bestemming "Landelijke bedrijven" bestemd voor een fouragehandel daar waar dat op de plankaart als zodanig is aangegeven.

46.4. Aan het perceel [locatie 22] en [locatie 23] is in het plan de bestemming "Bedrijf - Landelijk" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Landelijk" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders" specifiek bestemd voor een groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders met een maximale milieucategorie van 3.1.

46.5. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb, vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

46.5.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

46.6. Anders dan [appellanten sub 14] stellen is het op het perceel toegestane gebruik niet uitgebreid in het plan. Hiertoe is van belang dat ook een fouragehandel, zoals toegestaan op grond van het vorige bestemmingsplan, naar aard en omvang moet worden aangemerkt als een groothandel. Het betoog mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag.

Voor zover [appellanten sub 14] voorts een beroep doen op het beleid in de plantoelichting overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting is onder meer vermeld dat in het buitengebied een groot aantal niet-agrarische bedrijven voorkomt en dat de bedrijven een belangrijke rol vervullen voor de lokale werkgelegenheid en economische dynamiek. Een deel van deze bedrijven hoort volgens de plantoelichting qua aard van de bedrijvigheid thuis in het buitengebied, een deel van deze bedrijven past beter op een bedrijventerrein. Hierover vermeldt de plantoelichting dat de gemeente via het functieveranderingsbeleid ruimte wil bieden aan nieuwe bedrijven, mits ze passend zijn in het buitengebied. Daarbij is de aard en omvang van de bedrijven vaak bepalend. In dit bestemmingsplan hebben de bestaande, legaal tot stand gekomen bedrijven een bestemming voor een niet-agrarisch bedrijf gekregen, aldus de plantoelichting. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat het toegestane gebruik in strijd is met het in de plantoelichting weergegeven beleid. Het betoog faalt.

46.6.1. Voorts staat vast dat het [appellanten sub 14] gaat om een concurrentiebelang. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellanten sub 14] aldus dat zij betogen dat het plan leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Hierbij doen zij een beroep op de richtafstanden van de VNG-brochure. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder meer bij uitspraak van 19 januari 2011, nr. 201006426/1/R2 is de in de VNG-brochure aanbevolen afstand een indicatieve norm voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. In dit geval ter plaatse van de nabij het perceel [locatie 22] en [locatie 23] gelegen woningen. Deze norm strekt tevens tot bescherming van het belang van het bedrijf op het perceel [locatie 22] en [locatie 23] bij een ongehinderde bedrijfsvoering. Het belang waarvoor [appellanten sub 14] opkomen in deze procedure is gelegen in het voorkomen van concurrentie met als mogelijk gevolg een verminderde afzet van producten. De in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand strekt kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellanten sub 14]. Gelet op het vorenstaande kan het beroep van [appellanten sub 14] in zoverre op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat de Afdeling afziet van inhoudelijke bespreking hiervan.

47. [appellanten sub 14] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellanten sub 14] hebben in het beroepschrift, noch anderszins redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

48. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 14] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15]

49. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 15] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat hij niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. [appellant sub 15] is volgens de raad niet de eigenaar van het in geding zijnde kadastrale perceel Garderen, sectie I, nummer 1191, ook bekend als [locatie 25] te Stroe. In dit verband stelt de raad dat de bewaarder van het kadaster heeft verklaard dat de notariële akte van verjaring ten behoeve van [appellant sub 15] ten onrechte in het kadaster was ingeschreven.

49.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

49.2. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Kadasterwet, houdt een notariële verklaring, als bedoeld in de artikelen 26, 30, 34 en 36, behalve hetgeen in deze artikelen is voorgeschreven, tevens in een verklaring van de notaris:

a. hetzij dat allen die als partij bij het in te schrijven feit betrokken zijn aan de notaris hebben medegedeeld met de inschrijving in te stemmen;

b. hetzij dat bewijsstukken aan hem zijn overgelegd en aan de verklaring gehecht, die genoegzaam aantonen dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan dan wel, in geval van een verklaring als bedoeld in artikel 36, tweede lid, dat het recht bestaat;

c. hetzij dat hij niet aan het onder a en b gestelde kan voldoen.

Ingevolge het tweede lid boekt de bewaarder, in het in het eerste lid, onder c, bedoelde geval de aanbieding van de notariële verklaring slechts in het register van voorlopige aantekeningen en kan inschrijving alleen plaatsvinden op bevel van de rechter. Het tweede, derde en vierde lid, eerste volzin, alsmede het vijfde en zesde lid van artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het bevel slechts wordt gegeven, indien de eiser naast de bewaarder allen die als partij bij het in te schrijven feit zijn betrokken, tijdig in het geding heeft geroepen.

49.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2011, in zaak nr. 200909566/1) kan de hoedanigheid van belanghebbende, bijvoorbeeld als eigenaar van het perceel, in beginsel uiterlijk worden verkregen op de dag waarop de beroepstermijn eindigt. In de bestemmingsplanprocedure wordt uitgegaan van de juistheid van de eigendomsregistratie in het kadaster, waarin de eigendomsverhoudingen van gronden worden geregistreerd, tenzij het tegendeel kan worden vastgesteld.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant sub 15] gedurende de beroepstermijn van 12 juli 2013 tot en met 23 augustus 2013, als eigenaar in de openbare registers van het kadaster stond geregistreerd. Deze registratie was ontleend aan een notariële verklaring van verjaring van 8 mei 2007. In zijn verklaring van 8 november 2013 heeft de bewaarder van het kadaster en de openbare registers verklaard dat deze notariële akte van 8 mei 2007 ten onrechte was ingeschreven, omdat deze niet voldoet aan de inschrijvingsvereisten als gesteld in artikel 37, eerste lid, van de Kadasterwet. Gelet op deze verklaring van de bewaarder kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de eigendomsregistratie in het kadaster ten tijde van het indienen van beroep, nu hiermee het tegendeel is vastgesteld.

Het vorenstaande neemt echter niet weg dat niet uitgesloten is dat [appellant sub 15] terecht aanspraak maakt op verkrijging van de eigendom van het perceel door verjaring. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat hij in de toekomst eigenaar zal worden. Nu niet uitgesloten is dat de eigendomsbelangen van [appellant sub 15] rechtstreeks betrokken zouden kunnen zijn bij de vaststelling van het plan, ziet de Afdeling onder deze omstandigheden aanleiding hem in zijn beroep te ontvangen.

50. [appellant sub 15] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor het perceel [locatie 25] te Stroe. Hij stelt dat aan het perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend, terwijl de lange bewoningsgeschiedenis op het perceel sinds begin van de jaren ’50 een woonbestemming rechtvaardigt. In 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders volgens [appellant sub 15] aangegeven dat de aan de vorige eigenaar verleende persoonsgebonden gedoogbeschikking niet in de weg zou staan aan het ruimtelijke proces dat moest leiden tot een positieve bestemming van het gebruik.

50.1. De raad heeft aan het perceel de bestemming "Agrarisch" toegekend. Hij voert aan dat, nu in 2013 de stacaravan op het perceel is vervangen, het gebruik voor bewoning niet onder het overgangsrecht kan zijn gebracht. Een woonbestemming acht de raad in de onderhavige situatie bovendien in strijd met het gemeentelijke beleid. De persoonsgebonden gedoogbeschikking staat volgens de raad niet aan de agrarische bestemming in de weg, nu deze beschikking is uitgewerkt.

50.2. Ingevolge de verbeelding is het desbetreffende perceel bestemd als "Agrarisch".

50.3. Voor zover het betoog aldus moet worden opgevat dat de thans aanwezige stacaravan als zodanig had moeten worden bestemd, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat het niet duidelijk is geworden of de stacaravan waarin de vorige eigenaar heeft gewoond in verbouwde vorm nog op het perceel aanwezig is, dan wel dat die door de thans aanwezige stacaravan is vervangen. Uit een verslag van de handhaver van 25 juli 2013 dat de raad bij zijn reactie op het deskundigenbericht heeft gevoegd, volgt dat in die maand een stacaravan is geplaatst. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat deze stacaravan ten tijde van de vaststelling van het plan op 28 mei 2013 niet aanwezig was maar eerst na het bestreden besluit is geplaatst. De aanwezigheid van deze stacaravan op het perceel kan derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit aan de orde komen.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat voor de daarvóór aanwezige stacaravan nimmer een bouwvergunning is verleend. Nu het derhalve ging om een illegaal bouwwerk, heeft de raad ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen aanleiding hoeven zien om de destijds aanwezige stacaravan als woning in het plan op te nemen.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 15] dat de raad in het langdurige gebruik van het perceel voor bewoning aanleiding had moeten zien om een woonbestemming toe te kennen, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 15] heeft een uittreksel uit de BRP overgelegd waaruit volgt dat [persoon A] op het adres [locatie 25] te Stroe van 9 november 1948 tot 19 juni 1978 ingeschreven heeft gestaan. Voorts heeft [appellant sub 15] ten behoeve van het deskundigenbericht een viertal getuigenverklaringen van direct omwonenden overgelegd. In deze stukken verklaren zij dat [persoon B] vanaf omstreeks 1982/1983/1984 op het perceel woont. [appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de periode van 19 juni 1978 tot 1982/1983 permanente bewoning heeft plaatsgevonden. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het gebruik voor bewoning nieuw is aangevangen met de bewoning door [persoon B]. Nu onweersproken door de raad is gesteld dat het toenmalige bestemmingsplan "Buitengebied 1971" bewoning niet toestond, is dit gebruik illegaal aangevangen. Daarbij is voorts van belang dat het gebruik voor bewoning niet is voortgezet tot op het moment dat het voorliggende bestemmingsplan werd vastgesteld, te weten 28 mei 2013. Immers, niet is gebleken de permanente bewoning van het perceel - nadat de bewoning door [persoon B] stopte met diens overlijden in december 2012 - voorafgaand aan de vaststelling van het plan werd hervat. Daarbij is ter zitting gebleken dat zich meerdere onderbrekingen hebben voorgedaan, door verwijdering van de bebouwing van het perceel, ten gevolge van handhavingsacties. Gelet op rechtsoverweging 7.4 geldt derhalve dat het gebruik voor bewoning, nu dit nieuw is aangevangen na 2 januari 1980 en bovendien niet meer bestond ten tijde van de vaststelling van het plan, niet onder het gebruiksovergangsrecht is voortgezet.

Voorts heeft de raad in het gemeentelijke beleid aanleiding mogen zien om geen woonbestemming aan het perceel toe te kennen. In dit verband is van belang dat het college van burgemeester en wethouders zich heeft voorgenomen om niet handhavend op te treden tegen illegale bouwwerken en illegaal gebruik, voor zover aantoonbaar aanwezig vóór 1 januari 1988. Een uitzondering op dit beleid vormt de (illegale) plaatsing en/of bewoning van (sta-)caravans buiten recreatieterreinen. Dergelijke situaties - dus óók indien deze zijn ontstaan voor 1 januari 1988 - zullen volgens dit beleid nog wel worden aangepakt. Naar het oordeel van de Afdeling doet zich in de onderhavige situatie de genoemde uitzondering voor.

Gelet hierop behoefde de raad in de bewoningsgeschiedenis van het perceel geen aanleiding te zien om ter plaatse een woonbestemming toe te kennen. Het betoog faalt.

51. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 15] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

52. [appellant sub 16] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" voor haar perceel [locatie 26] te Kootwijkerbroek. Zij exploiteert op het perceel een leverantie- en montagebedrijf en betoogt dat dit bedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl het wel ruimtelijk inpasbaar is. Hiertoe voert zij onder meer aan dat sprake is van bestaand gebruik en dat net als op andere locaties een passende bestemming hiervoor had moeten worden opgenomen. Het vooruitschuiven van de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid acht zij, mede gelet op de plantoelichting, niet toelaatbaar. In dit verband wijst zij ook op artikel 20, lid 20.7, onder 6, van de planregels waarin niet is vereist dat een aparte ruimtelijke onderbouwing wordt gegeven voor het toestaan van het gebruik ter plaatse. Volgens haar voldoet zij ook aan de in dat artikel genoemde voorwaarden voor toekenning van een bedrijfsbestemming. Voorts stelt zij dat haar perceel volgens de Structuurvisie binnen een ontwikkelingsgebied ligt voor de uitbreiding van onder meer bedrijven, zodat het gebruik in overeenstemming kan worden geacht met de Structuurvisie. Verder wijst zij erop dat in de nabijheid van haar perceel verschillende niet-agrarische bedrijven liggen waaraan een bedrijfsbestemming is toegekend. De woning die op de kortste afstand ligt, ligt volgens haar op een afstand van ongeveer 100 meter.

52.1. De raad stelt dat het gebruik van het perceel voor een leverantie- en montagebedrijf niet is vergund. Het als zodanig bestemmen zou dan ook planologisch leiden tot een nieuwe situatie, hetgeen volgens de raad niet in overeenstemming is met het conserverende karakter van dit plan en zou leiden tot een onevenredige vertraging in de besluitvorming gelet op de benodigde ruimtelijke onderbouwing. De raad stelt daarnaast dat nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven slechts is toegestaan voor zover wordt voldaan aan het functieveranderingsbeleid. Dit beleid streeft volgens de raad naar een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied door (agrarische) gebouwen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren, onder voorwaarden in te zetten voor nieuwe functies. Die voorwaarden zijn onder meer landschappelijke inpassing en sloop van bebouwing. De raad stelt dat niet is gebleken dat in dit geval hieraan kan worden voldaan. Het perceel ligt volgens de Structuurvisie binnen het deelgebied Agrarisch bedrijvenlandschap. Binnen dit gebied bestaat geen mogelijkheid voor een nieuwe woning of een niet-agrarisch bedrijf, behoudens voor zover wordt voldaan aan het eerder genoemde functieveranderingsbeleid. De raad stelt tevens dat aan de door [appellant sub 16] genoemde andere percelen in het buitengebied in het vorige bestemmingsplan al een niet-agrarische bedrijfsbestemming was toegekend.

52.2. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 16] isolatie-, dak- en wandbeplating, sandwichpanelen en geïsoleerde daken levert en monteert, zowel in de agrarische als industriële sector. Ook sloop en asbestsanering behoren tot de bedrijfsactiviteiten. De werkzaamheden vinden geheel op locatie plaats. Op het perceel van [appellant sub 16] bevindt zich een kantoor en vindt daarnaast in beperkte mate opslag plaats van voornamelijk restanten van materialen. Het bedrijf is vanaf 2009 gevestigd op het perceel. Hiervoor is geen aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan noch een milieumelding ontvangen. In de directe omgeving van het perceel van [appellant sub 16] bevinden zich een aantal intensieve veehouderijen en voorts verspreid liggende woonbebouwing. Ook niet agrarische bedrijfsactiviteiten komen voor, aldus het deskundigenbericht.

52.3. Aan het perceel van [appellant sub 16] is de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 20, lid 20.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "kantoor" is een kantoor toegestaan.

52.4. Gelet op het voorgaande is het leverantie- en montagebedrijf van [appellant sub 16] niet als zodanig bestemd. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat is afgezien van het toekennen van een bedrijfsbestemming omdat gelet op het tijdstip waarop de raad bekend werd met de door [appellant sub 16] gewenste bestemming, het binnen deze procedure niet meer mogelijk was de ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan te toetsen, onder meer wat betreft de verenigbaarheid ervan met het functieveranderingsbeleid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 30 april 2014, nr. 201303772/1/R2 is een bestemmingsplan in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. In dit geval heeft [appellant sub 16] eerst in de zienswijze aangegeven een andere bestemming te wensen voor zijn perceel. Gelet op de aard van de gewenste ontwikkeling in samenhang bezien met het functieveranderingsbeleid dat geldt voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, dat onder meer de eis stelt van landschappelijke inpassing en sloop van gebouwen, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 16] niet tijdig kenbaar heeft gemaakt dat zij een andere bestemming wenst. Dat de gewenste bestemming in overeenstemming zou zijn met de Structuurvisie en de plantoelichting, wat daar ook van zij, kan niet tot een andere conclusie leiden reeds omdat dit niet de enige relevante aspecten zijn bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bestemming. Over de door [appellant sub 16] gemaakte vergelijking met andere bedrijfspercelen in het buitengebied wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat deze bedrijfspercelen ook in het vorige bestemmingsplan een niet-agrarische bedrijfsbestemming hadden. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 16] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Tot slot betrekt de Afdeling dat het plan wel een wijzigingsbevoegdheid bevat die het mogelijk maakt de bestemming "Wonen" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch". Gelet op het voorgaande heeft de raad kunnen afzien van het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch" aan het perceel van [appellant sub 16]. Het betoog faalt.

53. [appellant sub 16] kan zich voorts niet verenigen met het plandeel "Waarde - Archeologie" en de planonderdelen "specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - hoge archeologische verwachtingswaarde" en "specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde" voor haar perceel [locatie 26] te Kootwijkerbroek. Hiertoe voert zij in de eerste plaats aan dat het perceel volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente voor het grootste deel in een gebied ligt met een lage dan wel middelmatige archeologische verwachtingswaarde, zodat geen hogere categorie dan middelhoge archeologische verwachtingswaarde aan haar perceel had mogen worden toegekend. Zij stelt daarnaast dat het plan in zoverre leidt tot een onevenredige aantasting van haar bedrijfsvoering.

53.1. De raad stelt dat de dubbelbestemming is gebaseerd op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de beleidsnotitie "Archeologische monumentenzorg in de gemeente Barneveld" (hierna: de beleidsnotitie Archeologie) zoals door de raad vastgesteld op 18 november 2008. Hierin is aan het perceel van [appellant sub 16] een hoge, middelhoge en lage verwachtingswaarde toegekend. Aangezien de beleidsnotitie is gebaseerd op zorgvuldig onderzoek, bestaat volgens de raad geen aanleiding hiervan in het plan in zoverre af te wijken. De raad betwist daarnaast dat de toekenning van de dubbelbestemming en aanduidingen leidt tot een beperking van de bouwmogelijkheden.

53.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat de aanduidingen op de verbeelding overeenstemmen met de beleidsnotitie Archeologie.

53.3. Aan het perceel van [appellant sub 16] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" toegekend. Verder is aan een deel van het perceel de aanduiding "specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde" toegekend en aan een deel "specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - hoge verwachtingswaarde".

Ingevolge artikel 25, lid 25.2, aanhef en onder 2, sub a, van de planregels geldt ter plaatse van de volgende aanduidingen dat op deze gronden, in afwijking van hetgeen in overige bestemmingen en in het eerste lid is bepaald, geen bouwwerken mogen worden gebouwd: voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk bij "specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde" meer dan 1.500 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 meter bedraagt en voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk bij "specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - hoge verwachtingswaarde" meer dan 250 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 meter bedraagt.

53.4. Zoals ook in het deskundigenbericht is vermeld geldt voor het perceel van [appellant sub 16] deels een lage, middelhoge en hoge archeologische verwachting. Dit komt overeen met de in het plan toegekende aanduidingen. Het betoog van [appellant sub 16] mist in zoverre feitelijke grondslag. Dat het plan in zoverre leidt tot een onevenredige aantasting van de bedrijfsvoering van [appellant sub 16] heeft zij, in het licht bezien van de hiervoor weergegeven planregels, niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.

54. [appellant sub 16] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 16] heeft in het beroepschrift, noch anderszins redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

55. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 16] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 18] en anderen

Ontvankelijkheid

56. Het beroep van [appellante sub 18] en anderen is mede door [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B] ingediend. Uit de stukken blijkt dat [appellante sub 18A] aandeelhouder van [appellante sub 18B] is. [appellante sub 18B] is op haar beurt aandeelhouder van [appellante sub 18] en enkele andere vennootschappen in de holding. Niet is gebleken dat de belangen [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B] zodanig zijn verweven en parallel lopen met de belangen van [appellante sub 18], als exploitante van de betrokken [bedrijven]. als eigenaresses van gronden in het plangebied, dat deze belangen vereenzelvigd moeten worden. Gelet hierop hebben [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B] niet een rechtstreeks, maar een afgeleid belang bij het plan. Nu ook overigens niet is gebleken dat zij een belang hebben dat rechtstreeks is betrokken bij het plan, kunnen zij niet als belanghebbenden worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellante sub 18] en anderen, voor zover het is ingediend door [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B], is derhalve niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

57. Het beroep van [appellante sub 18] en anderen, voor zover ontvankelijk, richt zich tegen de bestemmingsregeling voor het perceel [locatie 27] te Kootwijkerbroek. Zij betogen dat de raad ten onrechte stelt dat de aldaar gevestigde betonfabriek geen beroep op het bouw- en gebruiksovergangsrecht toekomt. Het grootste deel van de gebouwen was reeds in 1986 voor de productie in gebruik genomen en het laatste gebouw werd gerealiseerd in 1999, derhalve vóór de peildatum van het bouwovergangsrecht op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000". Evenmin valt volgens hen in te zien waarom hen geen beroep toekomt op het beleid waarin 1 januari 1988 als peildatum is gaan gelden. Daarbij komt dat er voornemens bestaan om het bedrijf te verplaatsen. Voorts voeren [appellante sub 18] en anderen aan dat de raad ten onrechte geen uitsterfregeling voor het bedrijf heeft opgenomen.

57.1. De raad voert aan dat het overgangsrecht geen kwestie van een belangenafweging is. De raad stelt dat [appellante sub 18] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bebouwing en het gebruik voor een betonfabriek in de huidige omvang onder de beschermende werking van het overgangsrecht is komen te vallen. De raad stelt dat voor de onderhavige situatie een uitzondering is gemaakt op het beleid waarin 1 januari 1988 als peildatum is gaan gelden. De reden hiervoor was er volgens de raad in gelegen dat uitzicht bestond op verplaatsing van het bedrijf, zodat het bedrijf niet als zodanig in het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" behoefde te worden opgenomen. Voorts heeft de raad geen aanleiding gezien voor het opnemen van een uitsterfregeling in het plan.

57.2. In de verbeelding is het perceel [locatie 27], voor zover hier van belang, bestemd als "Agrarisch". Op een deel van de gronden rust een bouwvlak en aan deze gronden is tevens de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ toegekend. Het bouwvlak omvat voor het overgrote deel de op het perceel feitelijk aanwezige bebouwing.

Ingevolge artikel 37, lid 37.1, onder 1, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Ingevolge lid 37.1, onder 3, is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Ingevolge lid 37.2, onder 1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 37.2, onder 2, is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Ingevolge lid 37.2, onder 4, is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

57.3. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat, dan wel nadien wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en dat afwijkt van dit plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, mits het bouwwerk niet wordt vergroot, in de aard van het bouwwerk geen verandering wordt aangebracht, tenzij deze in overeenstemming of meer in overeenstemming met het plan wordt gebracht en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan.

57.4. In het deskundigenbericht staat dat op het perceel een gemengd agrarisch bedrijf werd geëxploiteerd. Vanaf 1968 is [appellant sub 17] ter plaatse begonnen met activiteiten in het kader van de betonindustrie, zoals het fabriceren van roosters voor stallen, keerwanden voor sleufsilo’s en betonnen elementen voor stallen. Zoals in het deskundigenbericht staat, en overigens tussen partijen niet in geschil is, is voor deze bedrijfsmatige activiteiten nooit een bouw- of milieuvergunning verleend. De bebouwing is vanaf 1968 geleidelijk uitgebreid. De betonfabriek omvat thans diverse fabriekshallen met kantoor en een bedrijfswoning.

57.5. Zoals hiervoor in overweging 7.4 is overwogen, geldt als peildatum voor het gebruiksovergangsrecht de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1971", te weten 2 januari 1980. [appellante sub 18] en anderen hebben aangevoerd dat van de peildatum voor het gebruiksovergangsrecht uit het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" dient te worden uitgegaan, vanwege een onthouding van goedkeuring door het college van gedeputeerde staten aan een zinsnede in het gebruiksovergangsrecht in het bestemmingsplan "Buitengebied 2000". Anders dan [appellante sub 18] en anderen echter kennelijk menen, was het gebruiksovergangsrecht uit het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" niet legaliserend van aard, zodat het illegale gebruik dat voor de peildatum van dat plan was ontstaan niet onder het overgangsrecht zou komen te vallen. Het vorenstaande betekent dat het met het plan strijdig gebruik dat bestond op de peildatum van 2 januari 1980 en dat nog steeds bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht.

Tussen partijen is niet in geschil dat reeds in 1968 is begonnen met de activiteiten ten behoeve van de betonfabriek. Uit een luchtfoto uit 1971 die bij het deskundigenbericht is gevoegd, leidt de Afdeling af dat de rondom de bebouwing gelegen gronden op het perceel [locatie 27] nog agrarisch in gebruik waren. Uit de opvolgende luchtfoto van 14 april 1981 volgt vervolgens dat een deel van de agrarische gronden in gebruik is genomen voor de betonfabriek. [appellante sub 18] en anderen hebben niet op basis van objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat op de peildatum van 2 januari 1980, buiten het agrarisch bouwperceel de gronden werden aangewend ten behoeve van de betonfabriek. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat dit bedrijf op de peildatum slechts binnen het agrarisch bouwperceel werd uitgeoefend. Het gebruik van de omliggende agrarische gronden ten behoeve van de betonfabriek is daarmee niet onder het gebruiksovergangsrecht komen te vallen.

Het bedrijf voor zover dat binnen het agrarisch bouwperceel wordt uitgeoefend, is gelet op het vorenstaande wel opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. Het wederom onder het gebruiksovergangsrecht brengen van het gebruik van het agrarisch bouwperceel is alleen aanvaardbaar als aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode daadwerkelijk zal worden beëindigd. Bij besluit van 20 april 2012 heeft de raad onder meer een last onder bestuursdwang opgelegd met betrekking tot het verwijderen van meerdere illegale bouwwerken. Voorts beogen [appellante sub 18] en anderen zelf om de betonfabriek naar elders te verplaatsen. Uit het deskundigenbericht volgt dat het de bedoeling is om op het perceel 6.000 kalveren te gaan houden, waarvoor overigens in 2010 een milieuvergunning is verleend. Gelet hierop is aannemelijk dat het gebruik van het bouwperceel voor de betonfabriek binnen de planperiode daadwerkelijk zal worden beëindigd.

Over het betoog van [appellante sub 18] en anderen ten aanzien van het zogenoemde "1 januari 1988"-beleid, wordt als volgt overwogen. In het "1 januari 1988"-beleid werd het uitgangspunt gehanteerd dat tegen illegale situaties, enkele uitzonderingen daargelaten, die reeds op de peildatum van 1 januari 1988 bestonden, niet (meer) handhavend zou worden opgetreden en dat deze in het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" als zodanig zouden worden bestemd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onderhavige situatie niet onder voornoemd beleid viel. Het beleid werd gehanteerd bij de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000". Zoals uit het deskundigenbericht volgt, waren reeds in 1988 gesprekken gaande over de verplaatsing van het illegale bedrijf naar een industrieterrein. Zoals de raad onweersproken heeft gesteld is daarom bewust afgezien van het als zodanig bestemmen van het bedrijf in het bestemmingsplan "Buitengebied 2000". In hetgeen [appellante sub 18] en anderen hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval 1 januari 1988 als peildatum had moeten worden gehanteerd.

57.6. Voor zover is betoogd dat de illegaal op het perceel aanwezige bouwwerken voor zover aanwezig vóór de peildatum van 12 juni 2001, onder het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" en derhalve onder het bouwovergangsrecht van het voorliggende plan zijn komen te vallen, overweegt de Afdeling als volgt. [appellante sub 18] en anderen hebben gesteld dat het laatste gebouw in 1999 op het perceel is gerealiseerd. De raad heeft dit niet betwist. Nu de bebouwing vóór de peildatum van 12 juni 2001 is opgericht, wat er verder van zij dat dit zonder bouwvergunningen is geschied, is deze bebouwing onder het bouwovergangsrecht gebracht. In het voorliggende plan is de bebouwing opnieuw onder het bouwovergangsrecht gebracht. Dit is in beginsel alleen aanvaardbaar als de raad aannemelijk maakt dat de bouwwerken daadwerkelijk binnen de planperiode zullen worden verwijderd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dit aannemelijk gemaakt. Bij besluiten van 20 april 2012 heeft de raad lasten onder bestuursdwang opgelegd, die kort gezegd betrekking hadden op het verwijderen van verscheidene illegale bouwwerken en op het beëindigen van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van gronden en bouwwerken op het perceel. Ten tijde van de vaststelling van het plan op 28 mei 2013 was voor de raad aannemelijk dat de betonfabriek op deze locatie derhalve binnen afzienbare tijd zou worden beëindigd en de illegale bebouwing zou worden verwijderd. Daarbij komt bovendien dat [appellante sub 18] en anderen zelf beogen om de betonfabriek naar elders te verplaatsen.

Het in een bestemmingsplan opgenomen bouwovergangsrecht laat het illegale karakter van bouwwerken die zijn opgericht zonder de vereiste bouwvergunning onverlet. Voor illegale bebouwing hoeft de raad in beginsel geen regeling in het plan op te nemen, omdat geen sprake is van verkregen rechten.

57.7. Voorts ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om in het plan geen uitsterfregeling ten behoeve de betonfabriek op te nemen, totdat het bedrijf zal zijn verplaatst. Uit de stukken komt naar voren dat partijen sinds omstreeks 1990 uitvoerig met elkaar corresponderen over de aankoop van gronden op een bedrijventerrein, de verplaatsing van de betonfabriek naar een bedrijfslocatie, alsmede de illegale situatie op het perceel [locatie 27]. Ondanks mededelingen van het gemeentebestuur dat de situatie op dit perceel illegaal is en dient te worden opgeheven, zijn in ieder geval in 1994, 2003 en 2010 illegale uitbreidingen geconstateerd, zowel wat betreft gebruik als wat betreft bebouwing. Uiteindelijk is in 2011 het bestemmingsplan "Harselaar-Driehoek" vastgesteld, waarin onder meer is voorzien in de verplaatsing van de betonfabriek naar het bedrijventerrein Harselaar Driehoek. Omdat ten tijde van de vaststelling van het plan - mede gelet op de in 57.6 genoemde besluiten van 20 april 2012 - aannemelijk was dat het bedrijf op deze locatie binnen afzienbare tijd zou worden beëindigd, acht de Afdeling de keuze van de raad om ten behoeve de betonfabriek in het plan geen uitsterfregeling op te nemen, onder deze omstandigheden niet onredelijk. Het betoog faalt.

58. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 18] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 17]

59. [appellant sub 17] kan zich niet verenigen met de archeologische dubbelbestemmingen en aanduidingen die zijn toegekend ter plaatse van het perceel [locatie 27] te Kootwijkerbroek, alsmede het kadastrale perceel gemeente Garderen, sectie G, nummer 2232, dat is gelegen ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg. Hij stelt dat hij hierdoor in eventuele toekomstige bouwmogelijkheden zal worden beperkt. Gelet op de planregels mogen namelijk volgens hem geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het bouwwerk meer dan 1.000 m² en de ondergrondse bouwdiepte 0,3 m bedraagt. [appellant sub 17] stelt dat er geen stukken zijn waaruit blijkt waarom de desbetreffende gronden een middelhoge verwachtingswaarde zouden hebben. Daarbij komt dat gelet op jurisprudentie geen archeologische dubbelbestemming mag worden toegekend ter plaatse van een bouwvlak, omdat deze gronden reeds zijn geroerd, zo voert [appellant sub 17] aan.

59.1. De raad stelt dat hij de archeologische dubbelbestemmingen en aanduidingen in overeenstemming met het gemeentelijke archeologiebeleid in de verbeelding heeft opgenomen. Volgens de raad heeft [appellant sub 17] niet aannemelijk gemaakt waarom de voor zijn percelen geldende verwachtingswaarde onjuist zou zijn. De raad voert aan dat de bouwmogelijkheden ten gevolge van de dubbelbestemmingen en aanduidingen niet worden belemmerd. Wel kan archeologisch onderzoek zijn vereist indien een bouwplan een bepaalde oppervlaktegrens overschrijdt. Ook ter plaatse van het bouwvlak is een archeologische dubbelbestemming toegekend, omdat ook daar substantiële archeologische resten bewaard kunnen zijn gebleven.

59.2. Naast de hiervoor in overweging 57.2 genoemde bestemmingen en aanduidingen is het perceel [locatie 27] in de verbeelding tevens bestemd als "Waarde - Archeologie 1". Op het merendeel van deze gronden rust voorts de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde’.

Aan het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg zijn in de verbeelding eveneens de bestemming "Waarde - Archeologie 1" en de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde’ toegekend.

Ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

Ingevolge lid 25.2, onder 1, mogen op of in deze gronden, in afwijking van hetgeen in overige bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 10.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

Ingevolge lid 25.2, onder 2, aanhef en sub a, geldt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde’ dat op deze gronden, in afwijking van hetgeen in overige bestemmingen en in het eerste lid is bepaald, geen bouwwerken mogen worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 1.500 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt, uitgezonderd ter plaatse van een bouwvlak binnen de bestemming "Agrarisch", want daar geldt dit voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 2.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

Ingevolge lid 25.3, onder 1, is het binnen de bestemming "Waarde - Archeologie 1" verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;

b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;

c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

Ingevolge lid 25.3, onder 2, aanhef en sub a, geldt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde’ dat het verboden is zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zoals genoemd in artikel 25.3, lid 1, sub a, b en c, over een oppervlakte van meer dan 1.500 m2, uitgezonderd ter plaatse van een bouwvlak binnen de bestemming "Agrarisch", want daar geldt dit bij een oppervlakte van meer dan 2.000 m2.

59.3. In het deskundigenbericht staat dat op het perceel [locatie 27] ten behoeve van de betonfabriek diverse fabriekshallen, kantoren en een bedrijfswoning aanwezig zijn. Voor het aldaar gevestigde helikopterverhuurbedrijf bevindt zich ter plaatse eveneens een hangar, een landingsbaan en een platform. Verder staat op het perceel een kalverstal met 200 mestkalveren.

Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg tot voor kort agrarisch werd gebruikt. Op het noordoostelijke deel van het perceel worden geiten en schapen geweid, lopen enige kippen rond en staan enkele speeltoestellen voor kinderen.

59.4. In de plantoelichting staat dat het gemeentelijk archeologisch beleid is weergegeven in de beleidsnotitie "Archeologische monumentenzorg in de gemeente Barneveld" (hierna: de archeologische beleidsnotitie). Hieraan is de archeologische waarden- en verwachtingskaart gekoppeld. Uit deze kaart blijkt dat delen van het buitengebied een hoge, middelmatige of lage archeologische verwachtingswaarde hebben en dat voor delen van het buitengebied een terrein van archeologische waarde aanwezig is (al dan niet met een monumentale status). In het voorliggende bestemmingsplan is voor de gebieden met een hoge, een middelmatige en lage archeologische verwachtingswaarde een beschermende regeling opgenomen, aldus de plantoelichting. Volgens de plantoelichting is het beleid in 2010 door de gemeenteraad gewijzigd, waarbij de ondergrenzen en dieptematen zijn aangepast. Verder staat in de plantoelichting dat in de gemeente Barneveld de afgelopen jaren veel archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd. Alle beschikbare rapporten zijn op basis daarvan opnieuw bekeken. Indien het advies indertijd luidde om het onderzoeksgebied vrij te geven, is dit in het voorliggende bestemmingsplan vertaald door voor deze gebieden de dubbelbestemming voor archeologie niet op te nemen, zo volgt uit de plantoelichting.

59.5. Zoals in de archeologische beleidsnotitie staat, is de Archeologische Monumentenkaart - naast de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), de database Archis 2 (ARCHIS), de kennisinfrastructuur cultuurhistorie (KICH) en de nationale onderzoeksagenda archeologie (NOaA) - een belangrijk instrument bij de (gemeentelijke) archeologische monumentenzorg. Omdat er geen gedetailleerd overzicht op lokaal niveau van bekende en te verwachten archeologische waarden bestond, heeft het gemeentebestuur er blijkens de archeologische beleidsnotitie voor gekozen om een gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart op te stellen. Op deze kaart is zowel het perceel [locatie 27] als het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg aangeduid met een "middelmatige archeologische verwachting".

In hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op de archeologische beleidsnotitie heeft mogen baseren. [appellant sub 17] heeft ten behoeve van het deskundigenbericht een print van de provinciale Archeologische Monumentenkaart overgelegd. Dat de in geding zijnde percelen op deze kaart niet voorzien zijn van een aanduiding voor enige archeologische waarde of betekenis, maakt echter nog niet dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet had mogen baseren op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart. Zoals immers in de archeologische beleidsnotitie staat kunnen ook buiten de terreinen die op de Archeologische Monumentenkaart staan, nog waardevolle archeologische resten liggen. De stelling dat gelet op jurisprudentie geen archeologische dubbelbestemming mag worden toegekend ter plaatse van een bouwvlak, omdat deze gronden reeds zijn geroerd, heeft [appellant sub 17] niet nader onderbouwd. Voorts heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat het niet zo is dat de grond van alle bouwvlakken in het plangebied reeds is geroerd.

Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 17] onevenredig zal worden beperkt in zijn eventuele toekomstige bouwmogelijkheden op de percelen. Anders dan hij kennelijk veronderstelt, kunnen gelet op artikel 25, lid 25.2, onder 2, aanhef en sub a, van de planregels bouwwerken worden gebouwd, indien de oppervlakte van het bouwwerk niet meer dan 1.500 m² bedraagt, dan wel tot een oppervlakte van 2.000 m2 ter plaatse van een bouwvlak binnen de bestemming "Agrarisch". Daarbij komt dat indien bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden deze oppervlakten overschrijden, deze niettemin kunnen worden toegestaan na verlening van een vergunning zoals bedoeld in lid 25.3, onder 1 en onder 2.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Waarde - Archeologie 1" en de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde - archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde’ toegekend aan zowel het perceel [locatie 27] als het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg.

60. [appellant sub 17] betoogt voorts dat aan het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg ten onrechte geen woonbestemming met een bouwvlak is toegekend. Hij acht het gelet op de Structuurvisie en de ligging ervan in de zogenoemde kernrandzone ruimtelijk inpasbaar om op deze locatie een woning te realiseren. In dit verband wijst hij erop dat op het perceel ten noordwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg ook woningbouw is toegestaan. Voorts zijn er volgens [appellant sub 17] geen stedenbouwkundige - of milieutechnische belemmeringen. Daarbij komt dat de plannen voor een woning op dit perceel volgens hem voldoen aan de voorwaarden van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

60.1. De raad voert aan dat het onderhavige plan is gericht op het juist bestemmen van de bestaande planologisch-juridische situatie en dat niet is beoogd om nieuwe ontwikkelingen in te passen. Het verzoek van [appellant sub 17] was volgens de raad weinig concreet en is daarom niet betrokken bij de vaststelling. Dat het verzoek binnen de randvoorwaarden van de Structuurvisie past, is volgens de raad niet voldoende. Ook moet in dit geval namelijk worden voldaan aan de eisen van het functieveranderingsbeleid. Uit het verzoek is volgens de raad niet gebleken dat voldaan wordt aan de eis dat, ter compensatie van de bouw van een nieuwe woning, elders bebouwing wordt gesloopt. Verder stelt de raad dat in dit geval niet aan de voorwaarden van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.

60.2. In de verbeelding is het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg, voor zover hier van belang, bestemd als "Agrarisch". Aan deze gronden zijn tevens de aanduidingen ‘kernrandzone’ en ‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied GV’ toegekend. Op het perceel rust geen bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 3.2.1 geldt voor het bouwen van gebouwen dat de gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd.

Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op deze planregeling op het perceel geen woning kan worden opgericht.

60.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende een ruimtelijke ontwikkeling, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de Afdeling is van een dergelijk initiatief in dit geval geen sprake. [appellant sub 17] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet bouwplan bestond voor de realisatie van een woning op het betrokken perceel noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet was dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Met dit voornemen hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden en daarom hoefde hij geen woonbestemming met bouwvlak aan het bestreden plandeel toe te kennen.

Over de door [appellant sub 17] gemaakte vergelijking met het perceel ten noordwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg, waar wel woningbouw wordt toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de beoogde woningbouw niet in het voorliggende plan is voorzien, maar dat hiervoor een planherziening is opgestart. Daarnaast heeft de raad gesteld dat in die situatie woningbouw kon worden toegestaan met toepassing van het functieveranderingsbeleid. In hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 17] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het perceel ten zuidwesten van de kruising van de Wesselseweg en de Nachtegaalweg geen woonbestemming met een bouwvlak behoefde te worden toegekend.

61. [appellant sub 17] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 17] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

62. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 17] ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 19]

63. Ter zitting hebben [appellanten sub 19] hun beroepsgrond dat aan hen ten onrechte niet via de afwijkingsbevoegdheid een uitbreidingsmogelijkheid van 10% ten opzichte van de bestaande bebouwingsoppervlakte is gegeven, ingetrokken.

64. Het beroep van [appellanten sub 19] is gericht tegen de bestemmingsregeling ter plaatse van het perceel [locatie 28] te Barneveld. Zij kunnen zich er niet mee verenigen dat op het perceel geen staalconstructiebedrijf en geen garageactiviteiten en motorvoertuigherstelwerkzaamheden zijn toegestaan. Volgens [appellanten sub 19] maken de werkzaamheden reeds sinds de vestiging van het bedrijf op deze locatie in 1980 deel uit van de bedrijfsvoering. Zij voeren aan dat ook uit verschillende milieu- en bouwvergunningen blijkt dat dergelijke werkzaamheden ter plaatse zijn toegelaten. Ten onrechte stelt de raad daarom dat de werkzaamheden niet onder het overgangsrecht zouden vallen. Ten aanzien van de staalconstructiewerkzaamheden kunnen [appellanten sub 19] zich niet verenigen met de door de raad bij de vaststelling aangenomen motie. De motie sluit namelijk uit dat ter plaatse alleen staalconstructiewerkzaamheden kunnen worden verricht en niet langer het landbouwmechanisatiebedrijf kan worden uitgeoefend. Wat betreft de garageactiviteiten en de motorvoertuigherstelwerkzaamheden op het perceel voeren zij aan dat een tijdelijke vrijstelling is verleend, terwijl het gemeentebestuur wist dat het om permanente activiteiten ging. Ten onrechte verwijst de raad hen naar een afzonderlijke procedure voor functieverandering, zo betogen zij.

64.1. De raad stelt dat, hoewel hij in de toekomst medewerking wenst te verlenen aan de desbetreffende activiteiten, ervoor heeft gekozen deze thans niet in het bestemmingsplan vast te leggen. De raad stelt dat hij in zoverre bewust heeft gekozen voor het instrument van de motie in plaats van een amendement ten aanzien van het besluit. De reden om in het bestemmingsplan nog niet te voorzien in staalconstructiewerkzaamheden was gelegen in de samenhang met de garageactiviteiten en de motorvoertuigherstelwerkzaamheden. Voor de functieverandering ten aanzien van de garageactiviteiten en de motorvoertuigherstelwerkzaamheden geldt beleid, op grond waarvan ongeveer 140 m² aan bedrijfsgebouwen op het perceel dient te worden gesloopt. Weliswaar is voor deze activiteiten een vrijstelling verleend, echter ten tijde van de vaststelling van het plan stond vast dat de termijn daarvoor op 1 december 2014 zou verstrijken. Omdat er verder geen duidelijkheid was over de te slopen oppervlakte aan bedrijfsbebouwing, kon de raad naar hij stelt de vaststelling van de gevraagde bestemming niet reeds doorvoeren.

64.2. In de verbeelding is het perceel bestemd voor "Bedrijf - Landelijk". Op het perceel rusten daarnaast, voor zover hier van belang, de functieaanduidingen ‘opslag’ en ‘sb-92’.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Landelijk" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding in de tabel bestemd voor het specifieke met die aanduiding corresponderende bedrijf. In de tabel staat ten aanzien van de aanduiding ‘sb-92’ als toegestaan bedrijf opgenomen: specifieke vorm van bedrijf - reparatie en onderhoud van landbouwmachines in maximale milieucategorie 3.2.

Ingevolge lid 5.1, onder c, is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ tevens buitenopslag toegestaan.

64.3. In de nota van zienswijzen staat dat een staalconstructiebedrijf een niet-landelijke functie betreft. Omdat staalconstructiewerkzaamheden niet onder de noemer van een ‘landelijk bedrijf’ passen, is geen bestemming voor een "staalconstructiebedrijf" opgenomen. In de nota van zienswijzen staat voorts vermeld dat de tijdelijke vrijstelling voor een autobedrijf uit 2009 geen recht geeft op een permanente vestiging. De garageactiviteiten en motorvoertuigherstelwerkzaamheden hoeven derhalve niet als zodanig te worden bestemd, zo volgt uit de nota van zienswijzen.

64.4. Op het perceel staan twee bedrijfsgebouwen. Uit het deskundigenbericht volgt dat een landbouwmechanisatiebedrijf in 1980 beide bedrijfsgebouwen in gebruik heeft genomen. In de noordelijke hal vonden met name staalconstructiewerkzaamheden plaats. De opdrachtgevers kwamen niet alleen uit de agrarische sector, maar ook uit andere sectoren en betroffen ook particulieren. De raad heeft het vorenstaande niet betwist, zodat in zoverre van de juistheid van het deskundigenbericht dient te worden uitgegaan. De Afdeling leidt uit het deskundigenbericht af dat de staalconstructiewerkzaamheden na de vaststelling van het plan zijn gestaakt. In de zuidelijke hal is blijkens het deskundigenbericht sinds eind 2009 een garagebedrijf voor personenauto’s gevestigd.

64.5. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad een motie aangenomen. Deze houdt in dat de raad constateert dat de als eerste gerealiseerde bedrijfshal in gebruik is geweest als landbouwmechanisatiebedrijf en de als tweede gebouwde hal als constructiebedrijf in gebruik is geweest. Hij overweegt in de motie dat dit geen afbreuk doet aan de landelijke omgeving. De raad verzoekt het college van burgemeester en wethouders daarom in de motie om de eerste hal te bestemmen als niet-agrarisch bedrijf met inzet van sloopmeters, de tweede hal als constructiebedrijf te bestemmen en dit als bestemmingswijziging mee te nemen in het reparatieplan.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat er onduidelijkheid bestond over de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf. Gelet op de motie stond de raad niet onwelwillend ten opzichte van een bestemming voor een staalconstructiebedrijf. Daarnaast heeft de raad naar voren gebracht dat hij met de motie tot uitdrukking willen brengen dat hij aan een functieveranderingstraject medewerking wenst te verlenen. Mits aan de voorwaarden uit het functieveranderingsbeleid wordt voldaan, behoort het tot de mogelijkheden om het garagebedrijf dan wel autoherstelbedrijf als zodanig te bestemmen. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat medewerking in dat verband mede afhankelijk is van de inzet van zogenoemde sloopmeters, omdat een garagebedrijf dan wel autoherstelbedrijf thuishoort in stedelijk gebied.

64.6. Ten aanzien van de vraag of de raad op het perceel had moeten voorzien in staalconstructiewerkzaamheden, wordt als volgt overwogen. Wat er verder ook van zij dat de staalconstructiewerkzaamheden ten behoeve van andere partijen dan agrarische bedrijven reeds sinds 1980 plaatsvinden, de Afdeling is met de raad van oordeel dat deze werkzaamheden in strijd waren met de toen geldende partiële herziening uit 1979. Evenmin stonden de opvolgende plannen "Buitengebied 1983" of "Buitengebied 2000" dergelijke werkzaamheden binnen de bestemming ofwel op grond van legaliserend overgangsrecht toe. De Afdeling volgt [appellanten sub 19] derhalve niet in hun stelling dat op grond van overgangsrecht thans een positieve bestemming gerechtvaardigd is. Evenmin is uit de milieu- of bouwvergunningen gebleken dat staalconstructiewerkzaamheden mochten plaatsvinden ten behoeve van andere partijen dan agrarische bedrijven. Gelet hierop moet er van worden uitgegaan dat de desbetreffende staalconstructiewerkzaamheden illegaal waren. [appellanten sub 19] hebben derhalve aan vorige plannen of verleende vergunningen geen rechten kunnen ontlenen ten behoeve van een positieve bestemming.

Voor zover [appellanten sub 19] zich richten tegen de inhoud van de aangenomen motie, in die zin dat niet langer een landbouwmechanisatiebedrijf maar slechts staalconstructiewerkzaamheden zullen worden toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. De inhoud van de motie kan in deze procedure niet aan de orde komen. De motie is van betekenis in de verhouding tussen de raad en het college van burgemeester en wethouders. Indien het college van burgemeester en wethouders gevolg zullen geven aan de motie en een reparatieplan zullen voorbereiden waarin niet langer het landbouwmechanisatiebedrijf kan worden uitgeoefend, staan in die bestemmingsplanprocedure rechtsmiddelen open. Dit bezwaar moet derhalve thans buiten beschouwing blijven.

64.7. Tussen partijen is niet in geschil dat een garagebedrijf of autoherstelbedrijf niet past binnen de doeleindenomschrijving van de bestemming "Bedrijf - Landelijk" met de functieaanduiding ‘sb-92’.

Voor zover [appellanten sub 19] zich beroepen op het gebruiksovergangsrecht, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is vast komen te staan dat het garagebedrijf voor personenauto’s in 2009 in strijd met het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" op het perceel is gevestigd. Ten aanzien van dit gebruik komt dan ook geen beroep op het overgangsrecht toe. Dat reeds sinds 1993 op deze locatie tractoren en landbouwmachines werden gerepareerd, doet hieraan niet af nu dat een ander gebruik betreft, dat overigens met de aanduiding ‘sb-92’ als zodanig is bestemd.

Voorts kan de stelling van [appellanten sub 19] ten aanzien van de verleende tijdelijke vrijstelling voor de garageactiviteiten en de motorvoertuigherstelwerkzaamheden er niet toe leiden dat deze activiteiten als zodanig worden bestemd. Wat er verder zij van de juistheid van dat besluit, nu het onherroepelijk is dient daarvan in beginsel te worden uitgegaan. Aangezien met het besluit geen permanente vrijstelling voor de activiteiten is verleend, kunnen [appellanten sub 19] hieraan geen rechten ontlenen. Overigens is niet gebleken dat [appellanten sub 19] om deze reden rechtsmiddelen tegen het voornoemde besluit hebben aangewend.

De raad acht een garagebedrijf voor personenauto’s niet passend op deze locatie, omdat een dergelijke functie niet primair in het buitengebied maar in het stedelijk gebied thuishoort. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk, zodat de raad in zoverre evenmin het garagebedrijf als zodanig had hoeven bestemmen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een concreet initiatief dat past in de uitzonderingsmogelijkheid van het functieveranderingsbeleid, waarbij is vereist dat een bepaalde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, niet is gebleken.

64.8. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Landelijk" en functieaanduiding ‘sb-92’ voor het perceel [locatie 28] niet had mogen vaststellen.

Het betoog faalt.

65. Het beroep van [appellanten sub 19] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20]

66. [appellant sub 20] kan zich niet verenigen met het agrarische bouwvlak zoals dat in de verbeelding is vastgesteld voor zijn perceel [locatie 29] te Kootwijkerbroek. Hij acht het bouwvlak niet toereikend voor zijn wens om zijn varkensbedrijf uit te breiden met een pluimveetak. Door vormverandering van het bouwvlak komen twee, ten tijde van belang aanwezige loodsen binnen het bouwvlak te vallen. [appellant sub 20] stelt dat dit geen ruimtelijk relevante gevolgen heeft omdat het om een herschikking gaat van reeds in het vigerende plan vastgelegde mogelijkheden. Nu de raad in andere gevallen wel tot wijziging van het plan is overgegaan, voelt [appellant sub 20] zich ongelijk behandeld.

66.1. De raad stelt dat gelet op de conserverende aard van het plan is beoogd om slechts de huidige situatie vast te leggen en niet om nieuwe ontwikkelingen in te passen. Er was ten tijde van de vaststelling van het plan weliswaar een omgevingsvergunning eerste fase voor het deelaspect milieu aangevraagd voor het houden van scharrelkippen, maar de raad heeft deze plannen onvoldoende concreet geacht. De destijds aanwezige loodsen waren illegaal opgericht en de plannen weken volgens de raad in betekenende mate af van de bestaande situatie, zodat een goede ruimtelijke onderbouwing vereist was. Hangende de beroepsprocedure zijn de loodsen bovendien grotendeels verwijderd, zodat inmiddels voor een wijziging van het bouwvlak geen aanleiding bestaat. Tenslotte wijst de raad op de wijzigingsbevoegdheid voor vormverandering van het bouwvlak in artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels.

66.2. In de verbeelding is aan het perceel de bestemming "Agrarisch", alsmede de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ toegekend. Tevens rust op een deel van de gronden een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ voor een intensieve veehouderij.

Ingevolge lid 3.2.1 geldt voor het bouwen van gebouwen dat de gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd.

66.3. In het deskundigenbericht staat dat in 2001 op het perceel, in afwijking van de op 2 november 2000 verleende bouwvergunning, binnen het bouwvlak een loods is gebouwd, ten behoeve van een toentertijd illegaal op het perceel aanwezig metaalconstructiebedrijf. In 2006 is deze loods zonder bouwvergunning verlengd, waarna deze als afmetingen 90 bij 22 m had. In 2009 is, naast de verlengde loods, zonder bouwvergunning een tweede loods met dezelfde afmetingen geplaatst. De uitbreiding uit 2006 vond deels plaats buiten het bouwvlak en die uit 2009 geheel buiten het bouwvlak, aldus het deskundigenbericht.

Teneinde de illegale bouwwerken op zijn perceel te legaliseren, heeft [appellant sub 20] in 2010 verzocht om bouwvlakvergroting, en bij brief van 19 juli 2011 om een verandering van het bouwvlak zonder vergroting. Uit het deskundigenbericht is gebleken dat hierover tot eind 2011 enige correspondentie heeft plaatsgevonden, maar dat het verzoek niet verder is behandeld omdat het voorliggende plan in voorbereiding was. Op 19 januari 2012 heeft [appellant sub 20] een aanvraag ingediend voor een eerste fase omgevingsvergunning voor het deelaspect milieu voor onder meer het in gebruik nemen van de twee loodsen als legkippenstal, ten behoeve van 15.000 legkippen. [appellant sub 20] heeft vervolgens op 17 april 2012 een inspraakreactie ingediend, waarbij - blijkens de reactienota - is verzocht om een uitbreiding van het bouwvlak in overeenstemming met de aanvraag om omgevingsvergunning. Omdat de raad van mening was dat het verzoek van grote omvang was, heeft hij het in het ontwerpplan niet ingewilligd. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad gemeend dat onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het verzoek te beoordelen.

Na het indienen van zijn beroepschrift heeft [appellant sub 20] de loodsen, voor zover illegaal, verwijderd om te voldoen aan een opgelegde last onder dwangsom. Verder heeft hij op 29 januari 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de resterende stal uit 2001 te gaan gebruiken voor het houden van zoogkoeien. Voor het uitbreiden van een veehouderij is vervolgens op 30 juni 2014 een omgevingsvergunning verleend.

66.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende een ruimtelijke ontwikkeling, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Naar het oordeel van de Afdeling dient een aanvraag voor een eerste fase omgevingsvergunning voor het deelaspect milieu voor onder meer het in gebruik nemen van de twee bestaande loodsen als legkippenstal als een concreet initiatief worden aangemerkt. Dit initiatief is tijdig kenbaar gemaakt bij de raad, nu dit reeds voorafgaand aan het ontwerp van het bestemmingsplan bij de raad bekend was. Voorts heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat het initiatief op belemmeringen stuit. Zijn verwijzing in zoverre naar zijn voornemen om de op 19 januari 2012 gevraagde vergunning te weigeren, is hiertoe onvoldoende. Weliswaar was een ontwerp van het weigeringsbesluit daartoe gepubliceerd op 16 augustus 2012 en ter inzage gelegd. Uit dit ontwerpbesluit volgen - anders dan een niet dragende verwijzing naar het handhavingstraject in het kader van een hoedliggersbedrijf - evenwel geen ruimtelijke bezwaren waarom het bouwvlak in dit geval niet kan worden veranderd wat betreft vorm. Bovendien is van belang dat de raad ter zitting heeft gesteld dat op deze locatie wel degelijk mogelijkheden bestaan voor een agrarisch bedrijf.

Onder deze omstandigheden heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen concreet initiatief bestond, dan wel dat onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het verzoek te beoordelen. De raad heeft in zoverre zijn besluit om niet te voorzien in een vormverandering van het bouwvlak, onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.

66.5. Het beroep van [appellant sub 20] is gegrond. De conclusie is dat het besluit, voor zover de raad niet heeft voorzien in verandering van het bouwblok zodat de toenmalige loodsen binnen het bouwblok zouden vallen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het plandeel met de bestemming "Agrarisch", alsmede de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ ter plaatse van het perceel [locatie 29] te Kootwijkerbroek, dient gelet hierop te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande behoeft het betoog ten aanzien van de door [appellant sub 20] gemaakte vergelijking met de percelen [locatie 30] te Kootwijkerbroek en het perceel [locatie 28] te Barneveld, geen bespreking meer.

De beroepen van [appellant sub 21] en [appellant sub 22]

67. De beroepen van [appellant sub 21] en [appellant sub 22], wonend aan respectievelijk [locatie 31] en [locatie 32], richten zich beide tegen de vergroting van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 33] en [locatie 34] te Kootwijkerbroek. [appellant sub 21] en [appellant sub 22] kunnen zich er niet mee verenigen dat het plan in de mogelijkheid voorziet om op de gronden gelegen aan de noordzijde van de Kleine Valksche Beek een tweede kalverenstal te realiseren. Zij stellen dat voor deze tweede kalverenstal weliswaar een omgevingsvergunning is verleend, maar dat de raad - nu deze nog niet onherroepelijk is - deze niet als zodanig in het plan had moeten opnemen. Aan de voorwaarden voor de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 7, derde lid, onder 6, van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" wordt volgens hen namelijk niet voldaan. [appellant sub 21] voert in zoverre onder meer aan dat onvoldoende afstand tot zijn perceel wordt aangehouden. [appellant sub 22] voert voorts aan dat de gekozen vorm van het bouwvlak nu ten onrechte ook de eerste kalverenstal binnen het bouwvlak brengt. Deze stal is niet overeenkomstig de verleende vergunning gerealiseerd en het gemeentebestuur had hiertegen handhavend moeten optreden. [appellant sub 21] en [appellant sub 22] wijzen erop dat op het perceel voorts illegale gebouwen aanwezig zijn en trekken de integriteit van het gemeentebestuur in twijfel.

67.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij keuzevrijheid heeft bij het bepalen van de vorm en de omvang van het bouwvlak. Hij heeft als uitgangspunt genomen om verleende omgevingsvergunningen in het bestemmingsplan te vertalen. Hij acht het niet noodzakelijk dat zo’n vergunning onherroepelijk en gerealiseerd is. Overigens is de raad van mening dat de vergunning voor de tweede varkensstal door de rechtbank Gelderland, waar de vergunning voorligt, in stand zal worden gelaten. De stelling van [appellant sub 22] dat de eerste varkensstal feitelijk op een andere locatie staat dan op de bouwtekening is weergegeven, acht de raad onjuist. Ten aanzien van de illegale gebouwen op het perceel, stelt de raad dat het bestemmingplan niet tot gevolg heeft dat deze gebouwen zullen worden gelegaliseerd.

67.2. In de verbeelding van het voorliggende plan is het perceel aan de noordzijde van de Kleine Valksche Beek aangewezen voor "Agrarisch" en heeft dit de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Voorts rust er een bouwvlak op het perceel, dat door middel van een ‘relatie’ in de verbeelding is verbonden met het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel aan de zuidzijde van de Kleine Valksche Beek.

67.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" rustte op de plankaart, ter plaatse van de gronden aan de noordzijde van de Kleine Valksche Beek, de bestemming "Agrarisch gebied I" en de aanduiding ‘bouwperceel’.

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder 6, van de planvoorschriften van dat plan was het college van burgemeester en wethouders bevoegd om vrijstelling te verlenen voor het overschrijden van het bouwvlak, mits:

a. het oppervlak van het bouwvlak na overschrijding maximaal 1,1 ha bedraagt;

b. de overschrijding noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;

c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen en natuur- en landschapswaarden van omliggende percelen;

d. een compacte bouwperceelsvorm wordt nagestreefd.

67.4. In het deskundigenbericht staat dat voor de thans aan de noordzijde van de Kleine Valksche Beek aanwezige kalverenstal op 7 september 2000 een bouwvergunning is verleend. Bij besluit van 1 november 2011 is ten behoeve van het oprichten van de tweede kalverenstal een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

67.5. De omgevingsvergunning van 1 november 2011 was ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet onherroepelijk. Een niet onherroepelijke omgevingsvergunning vormt evenwel een zwaarwegend belang dat de raad moet betrekken bij zijn besluitvorming. Gelet hierop acht de Afdeling het in beginsel niet onredelijk dat de raad in de verlening aanleiding heeft gezien om de verleende omgevingsvergunning in het plan in te passen. Voor zover wordt betoogd dat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 7, derde lid, onder 6, van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" overweegt de Afdeling dat dit betoog is gericht tegen de verlening van de omgevingsvergunning. In de onderhavige procedure tegen de bestemmingsplan kan dit betoog niet aan de orde komen.

Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 22] dat ten onrechte ook de eerste kalverenstal binnen het bouwvlak wordt gebracht, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht staat dat de stal niet in overeenstemming met de bouwvergunning lijkt te zijn gerealiseerd, omdat deze, gelet op de bouwtekening die bij de bouwvergunning van 7 september 2000 hoort, in samenhang bezien met een bij het deskundigenbericht gevoegde luchtfoto, tot op de westelijke perceelsgrens lijkt te zijn gebouwd. In zijn reactie op het deskundigenbericht heeft de raad dit beaamd en heeft hij gesteld dat hij de bestaande feitelijke situatie ruimtelijk acceptabel acht. Hij acht het daarom passend om de vorm en grootte van het bouwvlak af te stemmen op de feitelijke situatie. Het vorenstaande acht de Afdeling in beginsel niet onredelijk. Voorts hebben [appellant sub 21] noch [appellant sub 22] ruimtelijke bezwaren aangevoerd die tot een ander oordeel nopen. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bouwvlak niet naar aanleiding van de feitelijke situatie heeft mogen aanpassen ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000".

Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat op de gronden aan de noordzijde van de Valksche Beek een noodwoning staat. Ten tijde van het onderzoek van de deskundige was de werktuigberging niet meer aanwezig, zo staat in het deskundigenbericht. De raad heeft met het vergroten van het bouwvlak niet voorzien in de legalisatie van deze illegale bouwwerken, aangezien de desbetreffende gronden buiten het bouwvlak zijn gelegen. In zoverre valt niet in te zien waarom de raad niet integer zou hebben gehandeld.

In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 33] en [locatie 34] te Kootwijkerbroek heeft vergroot.

68. De beroepen van [appellant sub 21] en [appellant sub 22] zijn ongegrond.

Proceskosten

69. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 20] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B] tegen het besluit van 23 april 2013, waarbij de raad de aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen waarin de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te Garderen als zodanig wordt bestemd heeft afgewezen, ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 10] tegen het besluit van 23 april 2013, waarbij de raad haar bezwaar tegen zijn besluit van 28 juni 2011 om geen medewerking te verlenen aan het verzoek om op het perceel [locatie 2] te Kootwijkerbroek door middel van een herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" te voorzien in een bedrijfswoning, ongegrond heeft verklaard, ongegrond;

III. verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet-ontvankelijk, ten aanzien van:

a. het beroep van [appellant sub 6]: het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zover gelegen ter plaatse van de tuin aan de zuidzijde van zijn woning aan de [locatie 12] te Voorthuizen;

b. het beroep van [appellant sub 11]: artikel 4, lid 4.5.2, van de planregels;

c. het beroep van [appellante sub 18] en anderen: voor zover ingesteld door [appellante sub 18A] en [appellante sub 18B];

IV. verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" van [appellant sub 7] en [appellant sub 20], geheel, en van [appellant sub 6], voor het overige, gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch" ter plaatse van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 12] te Voorthuizen;

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de stacaravan op het perceel [locatie 13] te Kootwijkerbroek;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch", alsmede de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ ter plaatse van het perceel [locatie 29] te Kootwijkerbroek;

VI. draagt de raad van de gemeente Barneveld op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel V. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 28 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B], [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], [appellante sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B], [appellant sub 15], [appellante sub 16A] en [appellant sub 16B], [appellant sub 17], [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B], [appellant sub 21] en [appellant sub 22], geheel, en de beroepen van [appellant sub 11] en [appellante sub 18] en anderen, voor het overige, ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. ten aanzien van [appellant sub 6] tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. ten aanzien van [appellant sub 7] tot een bedrag van € 1022,74 (zegge: duizendtweeëntwintig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. ten aanzien van [appellant sub 20] tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 20] ieder het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2015

612-647.