Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2015
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
201407927/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5685, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem en zijn minderjarig kind het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2015/184
JV 2015/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407927/1/V6.

Datum uitspraak: 22 april 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], mede voor zijn minderjarig kind, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 augustus 2014 in zaak nr. 13/4159 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem en zijn minderjarig kind het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, komt, voor zover thans van belang, voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

In de Handleiding voor de toepassing van de RWN is in de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, vermeld dat bij de beoordeling of ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker centraal staan. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

2. De staatssecretaris heeft aan de handhaving van de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat [appellant] als onvoldoende ingeburgerd moet worden beschouwd in de Nederlandse samenleving in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN en dat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, alsmede dat twijfel bestaat over de identiteit van [appellant] in de zin van artikel 7 van de RWN. Aan deze standpunten heeft hij een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 18 januari 2013 met kenmerk 4937991/01 (hierna: het ambtsbericht) ten grondslag gelegd, dat als volgt luidt:

"In het kader van zijn wettelijke taakuitvoering beschikt de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) over betrouwbare informatie met betrekking tot [appellant], volgens de GBA geboren op [geboortedatum] te Mogadishu (Somalië) en ingeschreven op het adres [locatie] te Bergen op Zoom.

[appellant] is, in ieder geval in de periode van begin 2010 tot en met eind 2011, vanuit Nederland actief geweest bij de ondersteuning van de terroristische organisatie Al Shabaab. Al Shabaab voert al enkele jaren een jihadistische strijd in Somalië en heeft zich recentelijk gelieerd aan het gedachtegoed en de wereldwijde strijd van Al Qaida. Betrokkene heeft in bovengenoemde periode als schakel gefungeerd tussen een hoge geestelijk leider van Al Shabaab in Somalië, [naam leider], en individuen in de Somalische diaspora in Nederland. Betrokkene wil naar eigen zeggen de preken van [naam leider] gebruiken om de mensen te hersenspoelen. Deze preken bevatten onder meer uitspraken tegen niet-moslims. Op 30 november 2012 heeft [naam leider], in een toespraak, alle westerlingen bedreigd waarbij ook specifiek Nederland is genoemd. Als aanleiding noemt [naam leider] het voorstel in het Nederlandse parlement om het verbod op godslastering op te heffen. Begin 2010 organiseert betrokkene contact tussen een andere prediker in Somalië en de Somalische diaspora in Nederland. In dit contact preekt deze prediker over de verheerlijking van de gewelddadige jihad.

Tevens beschikt de AIVD over informatie dat betrokkene zich negatief opstelt ten opzichte van het Westen. Zo verkondigt betrokkene in juni en juli 2010 dat het doden van een niet-islamieten een terechte doding is en uit hij zijn sympathie voor Al Qaida.

Voorts is gebleken dat [vrouw], volgens de GBA geboren op 1 januari 1973, sinds 2011 de nieuwe bruid is van betrokkene.

Tevens beschikt de AIVD over een indicatie dat betrokkene ook bekend is onder de naam [naam 1] of [naam 2]."

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris van de juistheid van het ambtsbericht heeft mogen uitgaan. Hij voert aan dat het ambtsbericht onvoldoende concreet en actueel is en dat hij de conclusies van het ambtsbericht heeft bestreden met stukken, zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn stellingen had moeten staven. [appellant] wijst in dit verband op de door hem overgelegde verklaring van de Stichting Somalische Community te Bergen op Zoom (hierna: de verklaring van de Stichting), die vermeldt dat hij geen banden met Al Shabaab heeft en dat de in het ambtsbericht genoemde namen slechts zijn bijnamen zijn. Verder wijst hij erop dat hij volgens zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) met één vrouw gehuwd is. Gelet op deze stukken bestond voor de staatssecretaris aanleiding zich te vergewissen van de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht en de onderliggende stukken te raadplegen, aldus [appellant]. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 in zaak nr. 201000881/1/V6 volgt dat, indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in dat ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, voor de staatssecretaris geen aanleiding bestaat om de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht. Uit die uitspraak volgt voorts dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat door de AIVD verricht onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat vermelding van de aan een ambtsbericht van de AIVD ten grondslag liggende bron, dan wel bronnen, achterwege mag blijven wegens de vertrouwelijkheid ervan.

3.2. Het ambtsbericht biedt op voormelde wijze inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie dragen dat er ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van Nederland vormt.

De inhoud van het ambtsbericht is op dit punt dusdanig concreet dat [appellant] daaruit zonder meer heeft moeten kunnen afleiden welke verdenkingen tegen hem bestaan, zodat kenbaar is welke verdenkingen hij gemotiveerd heeft moeten weerspreken. Met de verklaring van de Stichting heeft [appellant] geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. Hoewel in de verklaring van de Stichting is vermeld dat [appellant] geen band heeft met Al Shabaab en dat hij het gedachtegoed daarvan verwerpt, heeft hij met deze enkele verklaring niet aannemelijk gemaakt dat hij zich daadwerkelijk en duurzaam heeft afgekeerd van het gedachtegoed dat uit het ambtsbericht naar voren komt en dat hij geen contacten meer heeft met de geestelijke leiders van Al Shabaab. De verklaring van de Stichting doet derhalve geen afbreuk aan de inhoud van het ambtsbericht. Daarbij is van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant] tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren heeft gebracht dat hij sympathie heeft gehad voor het gedachtegoed van Al Shabaab en dat hij contacten had met de geestelijk leider [naam leider].

Voorts is, anders dan [appellant] betoogt, het ambtsbericht actueel, aangezien [appellant] op 4 mei 2011 het verzoek heeft ingediend en het ambtsbericht over de periode van begin 2010 tot en met eind 2011 rapporteert.

De in het ambtsbericht vermelde feiten en omstandigheden vormen derhalve, mede gelet op hetgeen [appellant] tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, een deugdelijke motivering voor de aan het besluit van 22 juli 2013 ten grondslag gelegde afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Onder die omstandigheden was de staatssecretaris niet verplicht om kennis te nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht.

Reeds gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris het verzoek terecht heeft afgewezen. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2015

164-766.