Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:1176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2015
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
201409405/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft (bij brief ingekomen op 24 november 2014) beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "t Goy en omgeving" door de raad.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409405/1/R2.

Datum uitspraak: 15 april 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te 't Goy, gemeente Houten,

appellant,

en

de raad van de gemeente Houten,

verweerder.

Procesverloop

[appellant] heeft (bij brief ingekomen op 24 november 2014) beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "t Goy en omgeving" door de raad.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. A.W. van Ojen, en de raad, vertegenwoordigd door ing. Y.H.S. Monincx en ing. R.D. de Goede, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft de raad bij brief van 6 november 2014 meegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit te nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Vervolgens heeft [appellant] op 20 november 2014 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit omtrent het bestemmingsplan. Hij verzoekt de Afdeling de raad op te dragen om overeenkomstig artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) - in afwijking van de geplande raadsvergaderingen - binnen twee weken na de uitspraak op dit beroep alsnog te besluiten. Voorts verzoekt [appellant] om met toepassing van artikel 8:55d van de Awb aan de uitspraak een dwangsom te verbinden. Tot slot verzoekt [appellant] de raad te veroordelen in de door hem te lijden schade omdat zijn bedrijfsvoering wordt geschaad door het niet tijdig nemen van het besluit.

2. De raad stelt dat het bestemmingsplan niet is vastgesteld binnen de 12 weken termijn omdat de Afdeling bij uitspraak van 10 september 2014, in zaak nr. 201308924/1/R2 een regeling met betrekking tot de spuitzonering in het bestemmingsplan "Laagraven-Oudwulverbroek" heeft vernietigd en in het ontwerp plan een identieke regeling is opgenomen. De raad wenst na herziening van het vernietigde plan tot besluitvorming over de vaststelling van het bestemmingsplan "t Goy en omgeving" over te gaan omdat er afstemming dient plaats te vinden omtrent de op te nemen nieuwe regeling met betrekking tot de spuitzonering. Ten behoeve van deze nieuwe regeling is een ontwerpnota Gewasbescherming & Ruimtelijke Ordening opgesteld, waarbij het streven er op is gericht deze nota nog voor het zomerreces van de raad vast te stellen.

3. De raad verzoekt de Afdeling om gebruik te maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en een andere termijn te bepalen dan ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, is voorgeschreven omdat sprake is van een bijzonder geval. Daarbij wijst de raad erop dat het niet doelmatig is van de raad te verlangen een bestemmingsplan vast te stellen met een regeling met betrekking tot de spuitzonering waarvan reeds nu vast staat dat de Afdeling deze zal vernietigen. Bovendien stelt de raad pas tot een weloverwogen vaststelling van de regeling met betrekking tot de spuitzonering te kunnen overgaan nadat de nota Gewasbescherming & Ruimtelijke Ordening is vastgesteld. Dit is voorzien voor het zomerreces van de raad, zo mogelijk in de raadsvergadering van 9 juni 2015.

4. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met de artikelen 3:11 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerp van een bestemmingsplan voor de duur van zes weken ter inzage gelegd.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro beslist de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge het tweede lid, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter dat, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het tweede lid verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Ingevolge het derde lid kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

5. Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft van 3 juli 2014 tot en met 13 augustus 2014 ter inzage gelege[appellant] heeft tijdig een zienswijze ingediend tegen het ontwerpplan. De raad heeft nog niet beslist omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De termijn als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro eindigde op 5 november 2014 en is derhalve overschreden. Gelet hierop is het beroep gegrond.

De raad dient op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb alsnog een besluit te nemen over de vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling ziet aanleiding om in dit geval toepassing te geven aan artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en te bepalen dat de raad uiterlijk op 16 juni 2015 een nieuw besluit moet hebben genomen en bekendgemaakt. Daartoe overweegt de Afdeling dat zich hier een bijzonder geval voordoet, omdat, zoals de raad heeft toegelicht, vaststelling door de raad van de nota Gewasbescherming & Ruimtelijke Ordening, die als onderlegger dient voor verschillende plannen met daarin een nieuwe regeling over spuitzonering, noodzakelijk is alvorens hij een nieuw besluit over de vaststelling van het plan kan nemen en vaststelling van die nota is voorzien op 9 juni 2015.

De Afdeling bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de raad een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat de raad in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

6. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.

6.1. [appellant] heeft op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb verzocht om de raad te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "t Goy en omgeving". Hij stelt dat indien de raad tijdig een besluit had genomen hij tot 9 december 2014 met een beroep op het overgangsrecht een perceelsgedeelte met een omvang van 289,9 m2 aan de Tuurdijk had kunnen beplanten met 161 fruitbomen en had kunnen bespuiten omdat dan de Beheersverordening Buitengebied en Schonauwenseweg en een door de raad bij besluit van 9 juli 2013 vastgesteld voorbereidingsbesluit waren komen te vervallen. Deze regelingen stonden eraan in de weg dat er voor 9 december 2014 beplanting en bespuiting plaatsvond.

6.2. Dit verzoek moet worden afgewezen. Ook indien de raad het bestemmingsplan tijdig had vastgesteld uiterlijk op 5 november 2014 staat niet vast dat de gestelde schade niet zou zijn geleden. Daarvoor is van belang dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de beheersverordening en het voorbereidingsbesluit voor 9 december 2014 zouden zijn vervallen. Ingevolge artikel 3.7, zesde lid, van de Wro vervalt een voorbereidingsbesluit immers pas op het moment waarop het bestemmingsplan ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen in werking treedt. Bij vaststelling van het plan op 5 november 2014, dat wil zeggen tijdig, zou het plan pas na 9 december 2014 in werking zijn getreden, terwijl [appellant] stelt in de periode voor 9 december 2014 schade te hebben geleden door het niet tijdig vaststellen van het plan. Bovendien was de raad niet gehouden een bestemmingsplan vast te stellen conform het ontwerp. Het plan kon en kan ten opzichte van het ontwerp gewijzigd worden vastgesteld. De raad kon en kan ook besluiten geen bestemmingsplan vast te stellen. Gelet hierop ontbreekt de vereiste causale relatie tussen de gestelde schade door het niet kunnen aanplanten van de bomen en het niet tijdig vaststellen van het plan, zodat het verzoek reeds hierom wordt afgewezen.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "t Goy en omgeving" van de gemeente Houten;

III. draagt de raad van de gemeente Houten op uiterlijk op 16 juni 2015 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. bepaalt dat de raad van de gemeente Houten aan [appellant] een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 (zegge: honderd euro) bedraagt, met een maximum van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro);

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Houten tot vergoeding van bij M. [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Houten aan M. [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Ouwehand

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015

224.