Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
201306711/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:4436, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college geweigerd aan [appellante] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanpassen van de voorgevel van het pand [locatie] te Groningen (hierna: het pand).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/311
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1995
A.G.A. Nijmeijer annotatie in TBR 2014/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306711/1/A1.

Datum uitspraak: 19 maart 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2013 in zaak nr. 13/6 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college geweigerd aan [appellante] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanpassen van de voorgevel van het pand [locatie] te Groningen (hierna: het pand).

Bij besluit van 28 november 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 12 juli 2011 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 14 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door J.J. Boering, bijgestaan door mr. W.J.Th. Bustin, advocaat te Veendam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P. Wemes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het vervangen van een deel van de kozijnen van het pand door aluminium kozijnen.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor het bouwplan geen omgevingsvergunning nodig is. Volgens haar wordt de profilering van de kozijnen met het realiseren van het bouwplan weliswaar gewijzigd, maar blijven de vormgeving en de detaillering gelijk, zodat ingevolge artikel 2, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) geen omgevingsvergunning is vereist. Dat artikel moet volgens [appellante] zo worden uitgelegd dat een omgevingsvergunning niet noodzakelijk is als het een situatie betreft waarbij kozijnen worden vervangen door kozijnen met een gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling.

2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen.

2.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan niet omgevingsvergunningvrij kan worden gerealiseerd, omdat de bestaande kozijnen worden vervangen door kozijnen met een andere profilering. Deze wijziging kan, daargelaten of deze beperkt is, niet worden aangemerkt als gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Anders dan [appellante] betoogt, dient dat artikel gelet op het gebruik van het woord "en" aldus te worden uitgelegd dat er alleen geen omgevingsvergunning nodig is als zowel de detaillering als de profilering als de vormgeving niet wijzigen. Geen grond wordt dan ook gevonden voor het oordeel dat het artikel wel van toepassing is op situaties waarbij kozijnen worden vervangen door kozijnen met een gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Algemene Groninger Criteria in de door de raad bij besluit van 18 juni 2008 vastgestelde Welstandsnota 2008 niet in strijd zijn met artikel 12a van de Woningwet (hierna: de Ww). Volgens haar zijn deze criteria te algemeen en te summier opgesteld en dienen deze daarom onverbindend te worden geacht. In dat verband verwijst zij naar pagina 15 en 16 van de memorie van toelichting bij de wijziging van de Ww (Kamerstukken II 1998-99, 26 734 nr. 3). Daar blijkt volgens haar uit dat de bedoeling van de wetgever is dat welstandscriteria concreet moeten zijn.

3.1. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Ww stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

3.2. De raad van de gemeente Groningen heeft in hoofdstuk 6 van de Welstandsnota 2008 de Algemene Groninger Criteria geformuleerd.

Volgens het eerste criterium moeten bouwwerken een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (en de te verwachten ontwikkeling daarvan).

Volgens het tweede criterium moet de schaal, dan wel de schaal beleving van een bouwwerk passen bij de bouwopgave en de context waarin het gerealiseerd wordt. Bij nieuw- of verbouw binnen een bestaande (monumentale) context bestaat een duidelijk idee over de samenhang tussen de verschillende delen.

Volgens het derde criterium moet het bouwwerk in (architectuur)stijl, vorm, maatverhoudingen, materialisatie en detaillering consequent worden uitgevoerd. Materiaal, textuur, kleur en lichtwerking zijn passend bij en ondersteunen het karakter van het bouwwerk.

3.3. Op pagina 15 van de memorie van toelichting bij de wijziging van de Ww (Kamerstukken II 1998-99, 26 734 nr. 3) staat dat de gemeenteraad burgers vooraf zo concreet mogelijk duidelijk moet maken wat het wettelijke criterium "redelijke eisen van welstand" inhoudt. Met de Welstandsnota 2008 heeft de raad van de gemeente Groningen getracht dat te doen. Daargelaten dat de welstandsnota ook gebiedsgerichte welstandscriteria bevat, die meer specifiek van aard zijn, heeft de rechtbank terecht geconstateerd dat de algemene welstandscriteria weliswaar algemeen zijn geformuleerd, maar zij is terecht van oordeel dat deze welstandscriteria naar hun aard ook algemeen geformuleerd moeten zijn, omdat die criteria voor de gehele gemeente gelden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 mei 2006 zaak nr. 200507951/1) valt in artikel 12a van de Ww geen rechtsregel te lezen dat voor indieners van een bouwaanvraag, vooraf aan de hand van de welstandscriteria duidelijk moet zijn hoe het oordeel van het college over de welstand zal uitvallen. Dat de indiener van een bouwaanvraag uit de welstandcriteria niet direct kan opmaken wat wel en niet is toegestaan, maakt niet dat de criteria te vaag of te algemeen zijn.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de Algemene Groninger Criteria niet in strijd zijn met artikel 12a van de Ww. Ook in verband met het algemeen beginsel van de rechtszekerheid heeft de rechtbank de criteria terecht niet onverbindend geacht.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college gehouden was de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Zij verwijst daartoe naar een tegenadvies van de welstandscommissie Hûs en Hiem waaruit volgt dat het bouwplan wel voldoet aan de Algemene Groninger Criteria.

4.1. Het college heeft aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 juli 2011 een welstandsadvies van de Groningse welstandscommissie Libau ten grondslag gelegd. Deze welstandscommissie concludeert dat de kozijnen in de gevel een uniform karakter hebben en subtiel zijn weergegeven. Het wijzigen van de kozijnen naar een grove profilering, welke niet aansluit op de originele profilering, tast de architectuur van het pand en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving aan, waardoor niet wordt voldaan aan (het eerste criterium van) de Algemene Groninger Criteria, aldus Libau.

Hûs en Hiem komt in een tegenadvies van 19 juni 2012 tot de conclusie dat het bouwplan wel aan de welstandscriteria voldoet, omdat hiermee de samenhang tussen de gevelopeningen van de verschillende verdiepingen wordt versterkt. Daarmee voldoet het plan volgens Hûs en Hiem aan het tweede criterium en levert het tevens een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van het derde criterium overweegt Hûs en Hiem dat de wijziging past in het dynamische karakter van het pand.

Libau heeft bij brief van 17 juli 2012 gereageerd op het tegenadvies van Hûs en Hiem. In die reactie heeft Libau gemotiveerd aangegeven waarom de samenhang tussen de gevelopeningen geen uitgangspunt is voor de beoordeling. Volgens Libau ontbreekt in de bestaande situatie de samenhang in de gevelopeningen, maar vergroot dat juist de rijkdom van de gevel. De gevel had wel eenheid wat betreft de ranke profilering, maar deze eenheid gaat door de voorgestelde wijziging van de kozijnen verloren, aldus Libau.

4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat het advies van Libau onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij komt terecht tot de conclusie dat Libau gemotiveerd heeft aangegeven waarom haar uitgangspunt anders is dan dat van Hûs en Hiem. Het college heeft haar oordeel dan ook, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kunnen baseren op het advies van Libau. Hetgeen [appellante] in haar hogerberoepschrift heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat daarin het advies van Hûs en Hiem grotendeels wordt herhaald en Libau daarop een reactie heeft gegeven. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd wegens strijd met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014

414-776.