Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
201304112/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:2647, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304112/1/A2.

Datum uitspraak: 19 maart 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2013 in zaak nr. 12/5454 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door E. van Amerongen, en het college, vertegenwoordigd door P.B.M. Pesch, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellante] is sinds 22 juni 1993 eigenaar van het perceel [locatie] te Ochten, dat grenst aan het perceel Liniestraat 2A.

4. Bij besluit van 2 mei 1991 heeft de gemeenteraad van Echteld, thans Neder-Betuwe, het bestemmingsplan "Dorpskern Ochten" vastgesteld. De gronden waarop het perceel Liniestraat 2A te Ochten is gelegen, zijn in dit plan bestemd als "Openbare en bijzondere doeleinden", bedoeld voor religieuze, sociale, educatieve, charitatieve, culturele, gezondheids- en overheidsinstellingen. Ten dienste hiervan mogen kerken, scholen en gymnastieklokalen, kruisgebouwen, verenigingsgebouwen en hiermee naar de aard en omvang gelijk te stellen gebouwen worden opgericht met de bijbehorende gebouwen zoals bergingen en fietsenstallingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder erfafscheidingen, speeltoestellen, lichtmasten en verwijsborden. Het bestemmingsvlak mag voor maximaal 80 procent worden bebouwd. Voor hoofdgebouwen geldt een maximale goothoogte van 6 meten en een bouwhoogte van niet meer dan 9 meter. Vrijstelling is mogelijk om die goot- en bouwhoogte met maximaal 2 meter te verhogen. Voor bijgebouwen geldt een maximale goothoogte en bouwhoogte van respectievelijk 3 meter en 4,50 meter (na vrijstelling 7 meter) en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag de hoogte van de erfafscheidingen maximaal 2,50 meter zijn, van lichtmasten en verwijsborden 5 meter en van vrijstaande antennemasten 15 meter.

Op het perceel Liniestraat 2A staat een sporthal genaamd "De Linie", dat valt binnen de bestemming.

5. Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college met toepassing van artikel 3.23 Wro een ontheffing van de vigerende bestemming verleend ten behoeve van het uitbreiden van "De Linie" met een gymzaal en kleedruimten. Deze uitbreiding wordt gerealiseerd door middel van het plaatsen van een verdieping boven de reeds bestaande sporthal, waardoor de nokhoogte 9.55 meter bedraagt.

6. [appellante] heeft om een tegemoetkoming in planschade verzocht, omdat zij stelt schade te lijden door de uitbreiding van "De Linie". Zij stelt daartoe dat de nieuwe grijze wand voor landschapsvervuiling zorgt, dat de lichtinval in haar woning is verminderd en dat er verlies aan privacy en een toename van geluidshinder is, hetgeen wordt versterkt door het pad en de parkeerplaatsen die ten behoeve van "De Linie" aan de oostkant van haar perceel zijn aangelegd.

7. Het college heeft advies gevraagd aan de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ).

In het door haar uitgebrachte advies van maart 2012 heeft de SAOZ een planologische vergelijking gemaakt tussen het regime van het bestemmingsplan "Dorpskern Ochten" en de planologische situatie die is ontstaan door de ontheffing. Op basis hiervan heeft de SAOZ geconcludeerd dat er geen verslechtering van de planologische situatie voor [appellante] ten gevolge van het besluit van 27 oktober 2009 heeft plaatsgevonden en dat zij derhalve geen planschade heeft geleden. Hoewel de goothoogte en bouwhoogte van de uitbreiding groter zijn dan het bestemmingsplan toestaat, wordt dit teniet gedaan door de grotere afstand tot het perceel van [appellante] dan die mogelijk is onder het bestemmingsplan. Voorts was onder het bestemmingsplan ook al forse bebouwing op het desbetreffende perceel mogelijk met aantrekkende werking op bezoekers, zodat ook om die reden geen verslechtering heeft plaatsgevonden. Er is volgens de SAOZ evenmin vermindering van lichtinval, omdat de nieuwbouw ten noordoosten van het perceel van [appellante] is gesitueerd.

Het college heeft onder verwijzing naar dit advies de aanvraag van [appellante] afgewezen.

8. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot ontheffing van 27 oktober 2009 onjuist is gebleken. Zij stelt daartoe dat de informatieverstrekking bij de terinzagelegging van het voorgenomen besluit gebrekkig is geweest en dat de relevante bepalingen in het bestemmingsplan onjuist zijn geformuleerd. Voorts betoogt zij dat ten onrechte ontheffing is verleend voor een gebouw met een plat dak, nu het bestemmingsplan een goothoogte voorschrijft en de goothoogte niet op de nokhoogte kan liggen.

8.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze gronden, wat daar verder van zij, niet kunnen leiden tot het oordeel dat het college ten onrechte de aanvraag van [appellante] heeft afgewezen. Het besluit tot ontheffing van 27 oktober 2009 is in rechte onaantastbaar en staat in deze procedure niet ter beoordeling. Indien [appellante] zich niet met dat besluit kan verenigen, had zij daar destijds een rechtsmiddel tegen kunnen aanwenden. Dat in artikel 23, vijfde lid, van het bestemmingsplan "Dorpskern Ochten" een foutieve verwijzing is opgenomen, is voorts niet ter zake.

Het betoog faalt.

9. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat hetzij de SAOZ, hetzij de commissie bezwaarschriften Neder-Betuwe haar op de hoogte had moeten stellen van het gegeven dat reeds in geval van een ontheffing van het bestemmingsplan, een zogenoemde binnenplanse ontheffing, ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met het eerste lid van voornoemde bepaling, van de Wro een tegemoetkoming in planschade kan worden toegekend. Nu geen binnenplanse ontheffing is verleend, is dit niet relevant bij de beoordeling van de aanvraag van [appellante] om planschade.

10. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van de SAOZ niet aan zijn afwijzing van haar verzoek ten grondslag mocht leggen omdat de planologische vergelijking niet juist is.

Zij voert daartoe aan dat de SAOZ bij de maximale invulling van het bestemmingsplan ten onrechte ervan is uitgegaan dat een muur van 9 meter zou kunnen worden gerealiseerd. Vanwege de maximale goothoogte van 6 meter had weliswaar een nokhoogte van 9 meter gerealiseerd kunnen worden bij toepassing van een zogeheten lessenaarsdak, maar een sportzaal had niet met een lessenaarsdak gerealiseerd kunnen worden, omdat een dergelijk sportzaal met aflopend dak niet bruikbaar zou zijn, aldus [appellante].

Verder voert zij aan dat de rechtbank miskent dat de overlast ten gevolge van de extra parkeerplaatsen in de vergelijking had moeten worden meegenomen.

10.1. Gelet op het onder 2. overwogene, heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt bij de beoordeling genomen dat van belang is hetgeen uitgaande van de maximale invulling van het bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Anders dan [appellante] betoogt, was het onder het bestemmingsplan mogelijk om zonder vrijstelling kerken, scholen, kruisgebouwen, verenigingsgebouwen en hiermee naar de aard en omvang gelijk te stellen gebouwen op te richten. Niet valt in te zien dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt uit te sluiten dat dergelijke gebouwen met toepassing van een lessenaarsdak gerealiseerd hadden kunnen worden. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat de extra parkeerplaatsen reeds binnen het bestemmingsplan waren toegestaan en daarom niet voor een planologische verslechtering zorgen.

Het betoog faalt.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014

362-729.