Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
201303779/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:2655, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om een waterput op het perceel [locatie] te Gelselaar (hierna: het perceel) aan te wijzen als beschermd rijksmonument afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1991
BR 2014/66 met annotatie van J.W. van Zundert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303779/1/A2.

Datum uitspraak: 19 maart 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Gelselaar, gemeente Berkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2013 in zaak nr. 12/1842 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voorheen de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om een waterput op het perceel [locatie] te Gelselaar (hierna: het perceel) aan te wijzen als beschermd rijksmonument afgewezen.

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2014, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. T. Ruhnke, werkzaam voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder monumenten verstaan:

1. Alle vóór ten minste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde;

2. Terreinen welke van algemeen belang zijn wegens de daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, wordt onder beschermde monumenten onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers verstaan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan de minister, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

Volgens artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009 (hierna: de Beleidsregel 2009) zijn de artikelen 4 tot en met 9 niet van toepassing op een monument ten aanzien waarvan voor 1 januari 2009 een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, zoals dat artikellid op 31 december 2008 luidde, is ingediend.

Volgens het tweede lid is het bepaalde in de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 (hierna: de Tijdelijke beleidsregel) van overeenkomstige toepassing op een monument als bedoeld in het eerste lid.

Volgens artikel 1 van de Tijdelijke beleidsregel heeft deze beleidsregel betrekking op de wijze waarop de minister gebruik maakt van de bevoegdheid tot het aanwijzen van onroerende monumenten als beschermd monument, bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988.

Volgens artikel 2 wijst de minister geen monumenten aan als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de Monumentenwet 1988 die zijn vervaardigd vóór 1940.

Volgens artikel 6, eerste lid, is artikel 2 van toepassing op een monument, ten aanzien waarvan na 23 juli 2004 de aanwijzingsprocedure is gestart.

2. [appellante B] heeft een perceel in eigendom waarop een zogenoemde Bentheimer waterput staat uit 1575.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland hebben de minister geadviseerd positief te beslissen op het verzoek van [appellant] om deze waterput aan te wijzen als beschermd rijksmonument.

De minister heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Raad voor Cultuur (hierna: RvC). In diens advies van 15 maart 2010 stelt de RvC zich op het standpunt dat de put zeer bijzonder is vanwege de zeer vroege datering. Van Bentheimer putten met een zestiende-eeuws jaartal zijn er twee. Geen van beide geniet rijksbescherming. Ondanks het restrictieve aanwijzingsbeleid, adviseert de RvC de minister daarom positief te beslissen op het verzoek om rijksbescherming.

3. De minister heeft aan het bij besluit van 9 mei 2011 gehandhaafde besluit van 17 december 2010 ten grondslag gelegd dat de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing van gebouwde objecten die zijn vervaardigd voor 1940 in beginsel niet mogelijk maakt, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet. Een dergelijk geval kan zich voordoen als de waterput kan worden aangemerkt als bedreigd topmonument. Deze put is evenwel geen topmonument. Hoewel hij onder meer vanwege zijn hoge ouderdom, ongebruikelijke breedte en betrekkelijke gaafheid van monumentale waarde is, heeft hij geen onmisbare ijkwaarde ten opzichte van het overige bouwbestand. Ook wordt de put niet bedreigd, omdat geen sloopaanvraag of wijzigingsverzoek is ingediend.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de RvC weliswaar heeft gesteld de waterput zeer bijzonder te achten en zelfs heeft geadviseerd, in het besef van het restrictieve aanwijzingsbeleid van de minister, het verzoek om rijksbescherming te honoreren, maar dat uit de bewoording van het advies van de RvC tegelijkertijd kan worden afgeleid dat hij zich niet op het standpunt stelt dat de waterput een bedreigd topmonument is. De rechtbank heeft verder overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat het advies van de RvC naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat de minister dit niet of niet zonder meer aan het besluit van 9 mei 2011 ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat [appellant] geen tegenadvies van een deskundige heeft overgelegd. Het vorenstaande heeft haar tot het oordeel gebracht dat de stellingen die [appellant] tegen het besluit van 9 mei 2011 heeft aangevoerd geen doel treffen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd de minister is gevolgd in diens standpunt dat uit het advies van de RvC kan worden afgeleid dat hij zich niet op het standpunt stelt dat de waterput een bedreigd topmonument is. De RvC vindt de waterput zeer bijzonder. Hij adviseert ondanks het restrictieve aanwijzingsbeleid positief te beslissen op het verzoek om rijksbescherming. De stelling van de minister dat het bestendige praktijk is dat de RvC, ingeval hij meent dat een bepaalde zaak als bedreigd topmonument moet worden aangemerkt, dit met zoveel woorden kenbaar maakt en motiveert, is door de minister niet onderbouwd. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte heeft aangerekend dat hij geen deskundigenadvies heeft overgelegd. Volgens [appellant] bestond voor hem geen aanleiding een dergelijk advies te vragen, omdat de RvC bij uitstek deskundig is en hij zich in diens advies kan vinden. De minister heeft dit advies evenwel verkeerd uitgelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

5.1. Hoewel de RvC dit in zijn advies niet heeft geëxpliciteerd, kan uit de zinsnede "De Raad is zich bewust van het restrictieve aanwijzingsbeleid" worden afgeleid dat de waterput volgens hem als beschermd rijksmonument moet worden aangewezen. Dat de RvC ingeval naar zijn oordeel sprake is van een topmonument dit altijd met zoveel woorden kenbaar maakt in zijn advies, zoals de minister stelt, is door de minister niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank kan dan ook niet worden gevolgd in haar oordeel dat de minister het advies van de RvC aan het besluit van 9 mei 2011 ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank heeft [appellant] ten onrechte aangerekend dat hij geen tegenadvies heeft ingebracht, nu er drie voor hem positieve adviezen aan de minister waren uitgebracht.

Het betoog kan, gelet op het hierna overwogene, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6. Uit de toelichting op de aan de Tijdelijke beleidsregel 2007 voorafgaande Tijdelijke beleidsregel 2006 volgt, dat monumenten gebouwd vóór 1940 niet worden aangewezen als beschermd monument, maar dat daarvan in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer een bedreigd topmonument in het geding is. Een topmonument is blijkens deze toelichting een monument dat vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde kan worden aangemerkt als een nationaal of internationaal erkend kenmerkend monument van de Nederlandse architectuur, stedenbouw, landinrichting of ruimtegebonden kunst. Het betreffende monument moet een onmisbare ijkwaarde hebben ten opzichte van het overige bouwbestand. Het moet verder toonaangevend zijn voor de belangrijkste stromingen in de architectuur, stedenbouw, landinrichting of ruimtegebonden kunst. Volgens de toelichting moet hieronder in ieder geval een monument worden begrepen dat reeds een nationaal of internationaal erkende positie in de vakliteratuur heeft verworven.

Hoewel het in de toelichting op de Tijdelijke beleidsregel 2006 opgenomen beoordelingscriterium niet is overgenomen in de toelichting op de Tijdelijke beleidsregel, is dit beoordelingscriterium volgens de minister ongewijzigd voortgezet. Dit wordt door [appellant] niet betwist. Uit het vorenstaande volgt dat er twee criteria zijn waaraan moet zijn voldaan, wil de waterput in aanmerking komen voor aanwijzing als beschermd rijksmonument. In de eerste plaats moet de waterput een topmonument zijn en in de tweede plaats moet de put worden bedreigd.

7. De minister heeft ter zitting zijn in het besluit van 9 mei 2011 ingenomen standpunt dat de put geen onmisbare ijkwaarde ten opzichte van het bestaande bouwbestand heeft en daarom geen topmonument is, nader toegelicht. Er worden reeds Bentheimer waterputten beschermd. Om die reden heeft de waterput geen onmisbare ijkwaarde ten opzichte van het overige bouwbestand en is de waterput om die reden niet te beschouwen als topmonument.

8. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het door hem gevoerde restrictieve beleid bij het aanwijzen van monumenten van vóór 1940, op het hierboven onder 7 weergegeven standpunt kunnen stellen. De enkele omstandigheid dat de waterput de oudst bekende Bentheimer waterput is, heeft de minister daarbij niet van doorslaggevend belang hoeven achten. De minister mocht daarbij afwijken van het advies van de RvC, reeds omdat de RvC niet heeft getoetst aan de criteria die de minister blijkens het onder 6 overwogene hanteert bij de beoordeling van monumenten van voor 1940.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het verzoek van [appellant] om de waterput als beschermd rijksmonument aan te wijzen mocht afwijzen.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014

362-735.