Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:916

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
19-03-2014
Zaaknummer
201210017/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:2224, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2011 heeft de Chef Divisie EXO van de politieregio Limburg-Zuid naar aanleiding van een verzoek van [wederpartij] een aantal documenten openbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/92
NJB 2014/750
FED 2014/48 met annotatie van P. VAN DER WAL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210017/1/A3.

Datum uitspraak: 19 maart 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid (thans: de korpschef van politie),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 september 2012 in zaak nr. 12/812 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

en

de korpsbeheerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2011 heeft de Chef Divisie EXO van de politieregio Limburg-Zuid naar aanleiding van een verzoek van [wederpartij] een aantal documenten openbaar gemaakt.

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft de korpsbeheerder het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpsbeheerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de korpsbeheerder hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de korpsbeheerder het door [wederpartij] tegen het besluit van 25 november 2011 gemaakte bezwaar, voor zover dit was gericht tegen het weglakken van bepaalde gegevens in een aantal openbaar gemaakte documenten, alsnog gegrond verklaard, die gegevens alsnog openbaar gemaakt, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft hierover een zienswijze ingediend.

De korpschef heeft een reactie ingediend.

[wederpartij] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2013, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. I.M. Haagmans, werkzaam bij de politie, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.M.G. Helgers-Crompvoets, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3. Bij brief van 21 oktober 2011 heeft [wederpartij] de politie verzocht om verstrekking van alle documenten die betrekking hebben op een wegens een verkeersovertreding opgelegde boete van 19 september 2011. Hierbij heeft [wederpartij] vermeld dat hij in ieder geval afschriften wenst van onder meer een op ambtseed opgemaakt en op een proces-verbaal gelijkend document, waaruit ondubbelzinnig volgt hoe de vermeende overtreding is waargenomen, het complete ijkrapport van de apparatuur waarmee de vermeende overtreding is geconstateerd en dat op dat moment geldig was, het kenteken en de datum van de algemene periodieke keuring (hierna: APK) van het voertuig van waaruit de meting is verricht en een foto op originele grootte van de overtreding, voorzien van datum en tijdstip.

Bij brief van 21 november 2011 heeft [wederpartij] gesteld dat op zijn verzoek van 21 oktober 2011 nog geen besluit was genomen en de politie in gebreke gesteld.

In het besluit van 25 november 2011 is vermeld dat de brief van 21 oktober 2011, waarnaar [wederpartij] in zijn brief van 21 november 2011 heeft verwezen, niet is ontvangen en dat de brief van 21 november 2011 daarom als een eerste verzoek om verstrekking van documenten wordt beschouwd. Voorts zijn bij dit besluit onder meer verstrekt een verklaring van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Certin B.V. met betrekking tot de camera waarmee de betreffende overtreding is vastgelegd (hierna: NMi-verklaring) en een foto van de overtreding.

Het hiertegen gerichte bezwaarschrift is namens [wederpartij] door mr. F.Y. Gans ingediend. Bij brief van 11 januari 2012 is aan Gans medegedeeld dat zij in de gelegenheid wordt gesteld vóór 8 februari 2012 een schriftelijke machtiging van [wederpartij] over te leggen en dat, indien die niet binnen de gestelde termijn is overgelegd, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Bij het besluit van 20 maart 2012 heeft de korpsbeheerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat Gans geen machtiging heeft overgelegd.

4. De korpschef betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid een schriftelijke machtiging van Gans te verlangen. Volgens hem was het de korpsbeheerder niet bekend dat Gans advocaat is en had evenmin bekend kunnen zijn dat zij als gemachtigde van [wederpartij] optrad.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb de bevoegdheid is neergelegd om van een gemachtigde een schriftelijke machtiging te verlangen en dat, anders dan in artikel 8:24 van die wet, in artikel 2:1 geen uitzondering is gemaakt voor advocaten. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel volgt dat het bestuursorgaan de mogelijkheid is gegeven om na te gaan of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is zonder de uitzondering van advocaten, omdat van bestuursorganen niet kan worden gevergd dat zij steeds weten wie wel en wie geen advocaat is (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3., pp. 49 en 50). Hieruit vloeit voort dat de wetgever ervan uit is gegaan dat wanneer het het bestuur redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de gemachtigde advocaat is, niet om een machtiging zal worden gevraagd. Voorts geldt in beroep ingevolge artikel 8:24, derde lid, van de Awb het uitgangspunt dat van een advocaat geen machtiging wordt verlangd, aangezien van een advocaat mag worden verwacht, mede gelet op de disciplinaire maatregelen die de Advocatenwet mogelijk maakt, dat hij niet voor iemand optreedt zonder daartoe opdracht te hebben gekregen. Als het het bestuur duidelijk is dat de indiener van een bezwaarschrift een advocaat is, heeft dit beginsel ook in de bezwaarfase te gelden.

Anders dan de korpschef betoogt, volgt uit het door Gans gebruikte briefpapier dat zij als advocaat bij Helgers Advocaten werkzaam is. Gelet op de door haar gevoerde correspondentie, alsmede het met het advocatenkantoor gevoerde telefoongesprek, had het de korpsbeheerder duidelijk moeten zijn dat Gans advocaat is en als gemachtigde van [wederpartij] optreedt. Dat, naar de korpschef stelt, Gans niet eerder als gemachtigde van [wederpartij] is opgetreden en altijd van iedere gemachtigde een schriftelijke machtiging wordt verlangd, doet hieraan niet af. Gelet hierop acht de Afdeling met de rechtbank het door de korpschef gestelde doel van het verlangen van een schriftelijke machtiging van Gans, namelijk het bepalen van de omvang van de bevoegdheid van de gemachtigde, in dit geval niet begrijpelijk. Daarbij komt dat uit het bezwaarschrift de omvang van de bevoegdheid van Gans volgt, nu daarin is vermeld dat Gans door [wederpartij] is gemachtigd namens hem bezwaar te maken.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid een schriftelijke machtiging van Gans te verlangen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Het besluit van 10 december 2012 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal het op de voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

8. Bij het besluit van 10 december 2012 heeft de korpsbeheerder zich op het standpunt gesteld dat hij alle door [wederpartij] op grond van de Wob gevraagde documenten, die betrekking hebben op de boete van 19 september 2011, heeft verstrekt voor zover deze bij hem berusten.

9. [wederpartij] betoogt allereerst dat de korpsbeheerder in het besluit van 10 december 2012 ten onrechte heeft vermeld dat dat komt te vervallen, indien het ingestelde hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Dit betoog behoeft, gezien hetgeen hiervoor onder 5 is geoordeeld, geen bespreking meer.

10. [wederpartij] betoogt verder dat de korpsbeheerder zijn brief van 21 november 2011 ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek op grond van de Wob, nu deze brief een ingebrekestelling is wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 21 oktober 2011. De korpsbeheerder heeft miskend dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat het verzoek is ontvangen, nu hij twee verzendberichten van faxen heeft overgelegd. Daarbij komt dat hij in de brief van 21 november 2011 uitdrukkelijk heeft verwezen naar dat verzoek. Het had dan ook op de weg van de korpsbeheerder gelegen dat verzoek op te vragen, indien hij daarover niet beschikte. Het besluit van 10 december 2012 is geen besluit op dat verzoek en is hierdoor onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen, althans ondeugdelijk gemotiveerd. Er is nog altijd geen besluit op het verzoek genomen, aldus [wederpartij].

10.1. Dit betoog kan niet leiden tot het ermee beoogde doel.

Daargelaten of het verzoek van 21 oktober 2011 reeds vóór het nemen van het besluit van 25 november 2011 door de korpsbeheerder is ontvangen, staat vast dat op dit verzoek een besluit is genomen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het verzoek van 21 oktober 2011 in de ingebrekestelling van 21 november 2011 is herhaald. Dat daarin de in het verzoek van 21 oktober 2011 opgesomde documenten niet expliciet zijn vermeld, doch uitsluitend is vermeld dat het verzoek ziet op alle op de verkeersovertreding betrekking hebbende stukken, doet hieraan niet af. De in het verzoek van 21 oktober 2011 opgesomde documenten zijn vermeld als voorbeelden van stukken die volgens [wederpartij] onder de reikwijdte van het verzoek moeten worden begrepen. De opsomming in het verzoek van 21 oktober 2011 brengt dan ook niet met zich dat dat verzoek een andere reikwijdte heeft dan het in de ingebrekestelling van 21 november 2011 omschreven verzoek. Dat voorts met het besluit van 25 november 2011 niet alle door [wederpartij] verzochte documenten openbaar zijn gemaakt, brengt evenmin met zich dat niet op het verzoek van 21 oktober 2011 is beslist. Artikel 4:13, eerste lid, van de Awb schrijft voor dat binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een besluit moet worden genomen. Of inderdaad een besluit is genomen, staat los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit.

Voorts wordt overwogen dat, al zou de korpsbeheerder het verzoek van 21 oktober 2011 hebben ontvangen, daarop overeenkomstig artikel 4:17, derde lid, van de Awb binnen twee weken na indiening van de ingebrekestelling alsnog een besluit is genomen.

11. Ter zitting heeft [wederpartij] het betoog dat een op ambtseed opgemaakt en op een proces-verbaal gelijkend document ten onrechte niet is verstrekt, ingetrokken.

12. Voorts betoogt [wederpartij] dat de korpsbeheerder bij het besluit van 10 december 2012 ten onrechte heeft geweigerd andere documenten openbaar te maken.

Daartoe voert hij aan dat de korpsbeheerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom hij een foto op originele grootte van de overtreding niet heeft verstrekt.

Daarnaast voert hij aan dat de korpsbeheerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehouden is om de gevraagde documenten betreffende het kenteken en de datum van de APK op grond van de Wob te verstrekken, nu hij in de brief van 21 november 2011 hierom niet specifiek heeft gevraagd en deze informatie als zodanig geen betrekking heeft op de boete van 19 september 2011. In het verzoek van 21 oktober 2011 heeft hij hierom wel specifiek verzocht. Daarbij komt dat de korpsbeheerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van het kenteken het gebruik van het betreffende voertuig voor recherchedoeleinden zal bemoeilijken. In dit kader heeft geen belangenafweging plaatsgevonden. Voorts ziet zijn verzoek niet alleen op verstrekking van een document betreffende de datum van de APK, maar ook betreffende de overige APK-gegevens. De korpsbeheerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom verstrekking geweigerd is van een document betreffende die gegevens, welke blijkens het besluit van 10 december 2012 in een bestand zijn vastgelegd.

Verder voert [wederpartij] aan dat het hem onaannemelijk voorkomt dat de korpsbeheerder niet meer beschikte over het complete ijkrapport, nu bij handhaving van de verkeersveiligheid gebruik wordt gemaakt van geijkte apparatuur en de politie zich er steeds van zal moeten vergewissen of die apparatuur op de juiste wijze is geijkt. Voor zover de korpsbeheerder niet beschikte over het complete ijkrapport, was hij op grond van artikel 4 van de Wob gehouden zijn verzoek in zoverre aan het bestuursorgaan dat daarover wel beschikt, door te zenden. Dit heeft de korpsbeheerder echter nagelaten, aldus [wederpartij].

12.1. Bij het besluit van 25 november 2011 is een foto verstrekt van de verkeersovertreding. Volgens de korpschef is dit de enige foto die daarvan bestaat. In het tegen het besluit gerichte bezwaar heeft [wederpartij] niet aangevoerd dat de door hem gevraagde foto niet is verstrekt. In de bezwaargronden heeft hij uitsluitend andere documenten vermeld, die niet aan hem zijn verstrekt. Gelet hierop heeft de korpsbeheerder in het in bezwaar aangevoerde geen aanleiding hoeven zien bij het besluit van 10 december 2012 op de gevraagde foto in te gaan.

12.2. Voorts is in het besluit van 10 december 2012 vermeld dat de datum van de APK is vastgelegd in een dynamisch bestand, waarin deze datum steeds wordt aangepast wanneer herkeuring heeft plaatsgevonden. In het besluit is voorts vermeld dat ten tijde van het verzoek van [wederpartij] deze datum 14 maart 2012 was. De korpsbeheerder beschikt niet meer over documenten waarin deze datum is vermeld, aldus het besluit.

[wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door de korpsbeheerder aldus gestelde onjuist is. De in het dynamisch bestand vermelde gegevens zijn van na de boete van 19 september 2011, en hebben geen betrekking op die boete. Gelet hierop valt dit bestand niet onder de reikwijdte van het verzoek van [wederpartij], dat immers ziet op alle op de boete van 19 september 2011 betrekking hebbende stukken.

12.3. In het besluit van 10 december 2012 is verder vermeld dat het belang van opsporing en vervolging zich verzet tegen openbaarmaking van het kenteken, aangezien het betreffende voertuig voor recherchedoeleinden wordt gebruikt. Door openbaarmaking van het kenteken zou gebruik van het voertuig in zoverre worden bemoeilijkt of onmogelijk worden gemaakt, aldus de korpsbeheerder.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van het document betreffende het kenteken. De korpsbeheerder heeft, gelet op de door hem gestelde gevolgen van het algemeen bekend worden van het kenteken, in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten dan aan dat bij openbaarmaking van het kenteken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob ook betrekking heeft op de bescherming van de opsporingsstrategie van de politie in het algemeen, waaronder de middelen waarmee die strategie wordt uitgevoerd dienen te worden verstaan. Gelet hierop heeft de korpsbeheerder verstrekking van het document betreffende het kenteken terecht geweigerd. Om deze reden kan in het midden blijven of verstrekking van dit document onder de reikwijdte van het verzoek van [wederpartij] valt.

12.4. Wat het gevraagde ijkrapport betreft, wordt het volgende overwogen.

In het besluit van 10 december 2012 is vermeld dat de korpsbeheerder niet beschikt over het door [wederpartij] gevraagde complete ijkrapport. De Afdeling komt dit niet ongeloofwaardig voor. Met hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de korpschef wel over een compleet ijkrapport beschikt. Wel beschikt de korpschef over een NMi-verklaring, die aan [wederpartij] is verstrekt. Voorshands is niet uitgesloten dat NMi Certin, een bestuursorgaan, beschikt over het complete ijkrapport, nu NMi Certin vorenbedoelde verklaring, gezien de inhoud daarvan, naar aanleiding van de resultaten van een ijking heeft afgegeven.

Gelet op artikel 4 van de Wob had de korpsbeheerder het verzoek van [wederpartij], voor zover dat ziet op verstrekking van het complete ijkrapport, aan NMi Certin moeten doorzenden. Nu de korpsbeheerder dit heeft nagelaten, is het besluit van 10 december 2012 in zoverre genomen in strijd met artikel 4 van de Wob en komt dit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

12.5. Het betoog slaagt voor zover dat ziet op het niet-doorzenden van het verzoek om openbaarmaking in zoverre dat het complete ijkrapport betreft. Voor het overige faalt het betoog.

13. [wederpartij] betoogt tenslotte dat de korpsbeheerder heeft miskend dat hij in aanmerking dient te komen voor een proceskostenvergoeding, nu hij zich heeft laten vertegenwoordigen door een advocaat. Volgens hem doet hieraan niet af dat die advocaat een kantoorgenoot is.

13.1. Het betoog slaagt. Anders dan in eerdere uitspraken is overwogen en anders dan waarvan de korpsbeheerder in het besluit van 10 december 2012 is uitgegaan, ziet de Afdeling aanleiding te oordelen dat door een kantoorgenoot, zijnde een advocaat, verleende rechtsbijstand in beginsel kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voor door een dergelijke kantoorgenoot verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten komen om deze reden in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Een kantoorgenoot heeft niet zonder meer een persoonlijk belang bij de zaak waarin hij als advocaat optreedt. Dat voorts een advocaat een kantoorgenoot is, laat onverlet dat hij zich beroepsmatig bezighoudt met het voeren van juridische procedures.

De korpschef heeft geen omstandigheden aangevoerd die maken dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken.

14. Het beroep tegen het besluit van 10 december 2012 is gegrond. De Afdeling zal dat besluit vernietigen, voor zover daarbij is nagelaten het verzoek van [wederpartij], voor zover dat het complete ijkrapport betreft, aan NMi Certin door te zenden en voor zover daarbij is nagelaten een proceskostenvergoeding toe te kennen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door de korpschef op te dragen het verzoek van [wederpartij], voor zover dat het complete ijkrapport betreft, alsnog door te zenden aan NMi Certin en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 10 december 2012, voor zover dat wordt vernietigd. Voorts zal de Afdeling de korpschef op na te melden wijze in de proceskosten van het bezwaar veroordelen.

15. De korpschef dient voorts op na te melden wijze in de proceskosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid van 10 december 2012, kenmerk 12LZB00378, gegrond;

III. vernietigt dat besluit, voor zover daarbij is nagelaten het verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de verkeersboete met CJIB-nummer [...], voor zover dat ziet op het complete ijkrapport van de apparatuur waarmee de betrokken verkeersovertreding is geconstateerd, door te zenden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Certin B.V. en voor zover daarbij is nagelaten de door [wederpartij] voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten te vergoeden;

IV. draagt de korpschef van politie op het onder III. bedoelde verzoek, voor zover dat op het onder III. bedoelde ijkrapport ziet, alsnog door te zenden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NMi Certin B.V.;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder II. vermelde besluit, voor zover dat is vernietigd;

VI. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. bepaalt dat van de korpschef van politie een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014

582-741.