Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
201302334/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302334/1/V4.

Datum uitspraak: 28 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [de vreemdeling],

2. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zutphen, van 13 februari 2013 in zaak nr. 12/23472 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling onderscheidenlijk de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling onderscheidenlijk de staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De asielaanvraag

1. Ambtshalve wordt het volgende overwogen.

2. Aan het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bedoelde rechtsgevolgen verbonden.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 volgt dat de vreemdeling geen belang had bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De hoger beroepen, voor zover die betrekking hebben op de asielaanvraag, zijn reeds daarom kennelijk gegrond.

Het inreisverbod

3. Hetgeen onder 2. is overwogen, brengt met zich dat hetgeen in de hogerberoepschriften is aangevoerd over de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van de grieven over het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod.

4. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift aanvoert kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Hetzelfde geldt voor hetgeen de staatssecretaris in grief 1 aanvoert. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

5. In grieven 2, 3 en 5 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) heeft begaan, dat hij daarom een gevaar voor de openbare orde vormt en dat de staatssecretaris om die reden ten onrechte tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris onder meer miskend dat, gelet op de functie van de vreemdeling als een aan de voormalige president Laurent Gbagbo (hierna: Gbagbo) loyale gendarme in het militaire kamp Agban in Abidjan tijdens de Ivoriaanse verkiezingscrisis van eind 2010 tot 11 april 2011, de algemene informatie over de situatie in Ivoorkust in die periode en de eigen verklaringen van de vreemdeling, aannemelijk is dat hij in verband te brengen is met het voorbereiden en uitvoeren van aanvallen op burgers en troepen van de Verenigde Naties (hierna: de VN) en zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Bovendien heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat hij in het besluit heeft toegelicht waarom hij geen geloof hecht aan de verklaringen van de vreemdeling dat hij voormelde misdrijven niet heeft gepleegd.

Daarnaast bestrijdt de staatssecretaris het oordeel van de rechtbank dat hij in het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd of hij de vreemdeling tegenwerpt dat deze misdrijven heeft begaan als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.

5.1. In het besluit en het daarin ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling, volgens zijn verklaringen, in Ivoorkust als gendarme werkzaam was en in november 2010 naar het kamp Agban in Abidjan is gezonden en daar gestationeerd was, totdat Gbagbo op 11 april 2011 werd gearresteerd. De staatssecretaris heeft in dat verband van belang geacht dat uit het Thematisch ambtsbericht politieke ontwikkelingen en veiligheidssituatie in Ivoorkust van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2011 (hierna: het ambtsbericht van september 2011), het rapport "They looked at his identity card and shot him dead" van Amnesty International van mei 2011 en de verklaring van de secretaris-generaal van de VN van 10 april 2011, nr. SG/SM/13503 (www.un.org), blijkt dat de gendarmerie, die tijdens de verkiezingscrisis was gestationeerd in het kamp Agban, militaire steun heeft verleend aan Gbagbo. Verder valt daaruit volgens de staatssecretaris af te leiden dat rondom het kamp met zware wapens is gevochten tegen het in Ivoorkust gestationeerde Franse leger en de VN-troepen, waarbij eveneens slachtoffers zijn gevallen onder de burgerbevolking. Uit voormelde stukken blijkt ook dat de gendarmerie zich in de desbetreffende periode in Abidjan schuldig heeft gemaakt aan repressie van bevolkingsgroepen die ervan werden beschuldigd trouw te zijn aan Alassane Ouattara (hierna: Ouattara), de tegenstander van Gbagbo in de presidentsverkiezingen van 2010. Daarbij zijn zware wapens gebruikt en zijn tussen 13 en 22 maart 2011 zeker veertig personen, waaronder vrouwen, kinderen en ouderen, gedood. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de VN-troepen en het Franse leger op 4 april 2011 zijn overgegaan tot aanvallen op Gbagbo-getrouwe eenheden, waaronder die in het kamp Agban. Mede gelet op deze informatie is de verklaring van de vreemdeling dat hij nooit op VN-troepen dan wel burgers heeft geschoten en dat hij slechts één maal het kamp heeft verlaten om burgers in veiligheid te brengen, ongeloofwaardig, aldus de staatssecretaris.

5.2. Onbestreden is dat de gedragingen waarmee de staatssecretaris de vreemdeling in de periode van november 2010 tot en met 11 april 2011 in verband heeft gebracht, misdrijven zijn als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van de Vluchtelingenverdrag.

5.3. Met de door hem overgelegde stukken, in het bijzonder het ambtsbericht van september 2011, heeft de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat de gendarmerie in het kamp Agban gedurende de verkiezingscrisis betrokken is geweest bij gevechten tegen de gewapende aanhangers van Ouattara alsmede tegen VN-troepen en het Franse leger en dat de gendarmerie zich buiten het kamp bovendien schuldig heeft gemaakt aan geweld tegen burgers. Dat uit de stukken niet zonder meer blijkt dat feitelijk vanuit het kamp is geschoten op onder meer de VN-troepen, is in het licht van voormelde informatie niet van doorslaggevende betekenis. De staatssecretaris heeft in het bijzonder terecht van belang geacht dat het kamp Agban een dermate grote bedreiging vormde voor burgers en

VN-troepen dat de secretaris-generaal van de VN opdracht heeft gegeven om het kamp aan te vallen.

Gelet op de verklaringen van de vreemdeling dat hij als gendarme in het kamp Agban gedurende de verkiezingscrisis heeft deelgenomen aan de strijd tegen Ouattara, bezien in het licht van voormelde informatie over de gendarmerie en het kamp Agban in die periode, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich als gendarme in het kamp Agban in de periode van november 2010 tot april 2011 schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, bezien in het licht van voormelde informatie, de enkele stelling van de vreemdeling dat hijzelf, ondanks zijn deelname aan de strijd tegen Ouattara, nooit op VN-troepen dan wel burgers heeft geschoten en slechts één maal het kamp heeft verlaten om burgers in veiligheid te stellen, ongeloofwaardig is.

5.4. De staatssecretaris betoogt voorts terecht dat hij in het in het besluit ingelaste voornemen aan de vreemdeling heeft tegengeworpen dat de gedragingen waarmee hij in verband wordt gebracht ook ernstige, niet-politieke misdrijven zijn als bedoeld in aanhef en onder b, van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. Uit het aangevoerde in de zienswijze is af te leiden dat de vreemdeling het besluit aldus heeft begrepen en dat standpunt van de staatssecretaris als zodanig niet heeft bestreden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat onduidelijk is of de staatssecretaris tevens artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag aan de vreemdeling heeft tegengeworpen en het besluit op dit punt ten onrechte ondeugdelijk gemotiveerd geacht.

5.5. Reeds gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en hij daarom ten onrechte krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod tegen de vreemdeling heeft uitgevaardigd.

Grieven 2, 3 en 5 slagen.

6. In grief 4 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de vreemdeling behoort tot de Bété, een etnische groep die wordt beschouwd als aanhanger van Gbagbo, en aan zijn zijde heeft gevochten, niet leidt tot een geslaagd beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De rechtbank heeft miskend, zo betoogt de staatssecretaris, dat de Bété en personen die behoorden tot Gbagbo-milities geen groep zijn die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen als bedoeld in voormeld artikel. De staatssecretaris bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van de vreemdeling over zijn detentie en vrijlating ongeloofwaardig zijn, terwijl de staatssecretaris de overige verklaringen wel geloofwaardig heeft geacht. De staatssecretaris verwijst in dit verband naar hetgeen hij hieromtrent in het in het besluit ingelaste voornemen heeft aangevoerd.

6.1. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken, waaronder het algemeen ambtsbericht inzake Ivoorkust van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2012 (hierna: het ambtsbericht van maart 2012) en de "Interim eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Côte d'Ivoire" van 15 juni 2012 van de United Nations High Commissioner for Refugees is af te leiden dat in de periode na de verkiezingscrisis willekeurige arrestaties en incidentele martelingen van vermeende aanhangers van Gbagbo plaatsvonden, waaronder jongeren van Bété-afkomst, maar dat de situatie zich nadien geleidelijk aan normaliseerde. Verder is uit die stukken af te leiden dat aanhangers van Gbagbo, waaronder de Bété en de personen die behoorden tot Gbagbo-milities, nog altijd worden lastiggevallen door leden van het Ivoriaanse leger dan wel etnische groepen die aanhangers zijn van Ouattara. Uit deze informatie blijkt niet dat aanhangers van Gbagbo, zoals de Bété en de personen die behoorden tot Gbagbo-milities, systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van met artikel 3 van het EVRM strijdige behandelingen. De staatssecretaris heeft zich in het besluit, zoals nader toegelicht in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift, dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet reeds wegens zijn afkomst of het behoren tot Gbagbo-milities, een geslaagd beroep kan doen op artikel 3 van het EVRM.

Daarnaast heeft de staatssecretaris in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat de vreemdeling voor zijn vertrek in de negatieve belangstelling van de huidige machthebbers stond en in detentie is onderworpen aan marteling. In dit verband heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele aanhouding en detentie van een vreemdeling die wordt verdacht van het begaan van strafbare feiten, geen met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling is. Wat betreft de gestelde marteling in detentie heeft de staatssecretaris in redelijkheid van belang kunnen achten dat, indien de huidige machthebbers voornemens waren geweest om de vreemdeling aan een dergelijke behandeling te onderwerpen, niet valt in te zien waarom zij met de aanhouding van de vreemdeling hebben gewacht tot na zijn opname en behandeling in het ziekenhuis. Evenmin valt in te zien waarom leden van het Ivoriaanse leger de vreemdeling vervolgens zouden ondersteunen om Ivoorkust te verlaten.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ivoorkust een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Grief 4 slaagt.

7. Het hoger beroep van de vreemdeling, voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod, is kennelijk ongegrond. Het hoger beroep van de staatssecretaris is in zoverre kennelijk gegrond.

Conclusie

8. Gelet op hetgeen onder 2. en 7. is overwogen, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren en het uitgevaardigde inreisverbod toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

9. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris heeft miskend dat hij in de zienswijze bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding hadden moeten geven tot verkorting van de duur van het inreisverbod.

De beroepsgrond faalt. In de zienswijze heeft de vreemdeling in het kader van het inreisverbod erop gewezen dat hij bij terugkeer een risico loopt op een onmenselijke behandeling en dat het uitvaardigen van een inreisverbod in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Gelet op hetgeen onder 6.1. is overwogen en nu de vreemdeling zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel niet heeft toegelicht, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen aanleiding gezien de duur van het uitgevaardigde inreisverbod te verkorten.

10. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling, voor zover dat betrekking heeft op de asielaanvraag, gegrond en voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod, ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zutphen, van 13 februari 2013 in zaak nr. 12/23472;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, niet-ontvankelijk;

V. verklaart het in die zaak ingestelde beroep tegen het inreisverbod ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Walcott-Oliai, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Walcott-Oliai

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2014

555-781.