Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
201309818/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 augustus 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309818/1/V4.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 september 2013 in zaak nr. 13/22556, 13/22559, 13/22562, 13/22558, 13/22560 en 13/22563 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 augustus 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris zich nader uitgelaten. De vreemdelingen hebben hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2014, waar de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.J. Paffen, advocaat te Dordrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen. De zaak is ter zitting tegelijkertijd behandeld met zaken nrs. 201310669/1/V4 en 201310166/1/V4.

Overwegingen

In het hoger beroep voor zover ingesteld door vreemdelingen 2 en 3

1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2. Bij faxbericht van 10 december 2013 heeft de staatssecretaris een ondertekende vertrekverklaring overgelegd waaruit blijkt dat vreemdelingen 2 en 3 op 29 november 2013 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vrijwillig vanuit Nederland vertrokken zijn naar hun land van herkomst, Armenië. Onder deze omstandigheden hebben die vreemdelingen geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 september 2013.

3. Het hoger beroep voor zover ingesteld door vreemdelingen 2 en 3 is niet-ontvankelijk.

In het hoger beroep voor zover ingesteld door vreemdeling 1

4. De vreemdeling heeft op 24 mei 2013 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Italië op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 050; hierna: de Dublinverordening), verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

5. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, nu de staatssecretaris volgens het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, nr. 30696/09 (www.echr.coe.int; hierna: de zaak M.S.S.) gehouden is een toegespitst standpunt te geven over de door de vreemdeling ingeroepen rapporten, en de staatssecretaris een dergelijk standpunt reeds in zijn besluit had moeten innemen. Volgens de vreemdeling heeft de voorzieningenrechter daarnaast miskend dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië niet kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat overdracht aan dat land strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en, in aanmerking genomen het arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2011 in de gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10 (www.curia.europa.eu), omdat Italië zich niet houdt aan Europese richtlijnen, waaronder Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB 2003 L 31). Daartoe voert hij aan dat hij in Italië onder erbarmelijke omstandigheden zal moeten leven, geen bescherming zal krijgen van de autoriteiten en geen effectieve rechtsmiddelen tot zijn beschikking zal hebben. De vreemdeling verwijst in dit verband naar de volgende stukken:

1. het rapport "Report by Nils Muižnieks - Commissioner for Human Rights of the Council of Europe, Following his visit to Italy from 3 to 6 July 2012", van 18 september 2012;

2. het rapport "Dublin II Regulation - Lives on hold" van o.a. het Hongaarse Helsinki Comité en het European Council on Refugees and Exiles, van februari 2013;

3. het rapport "Annual Report 2013 - Italy" van Amnesty International, van 23 mei 2013;

4. het rapport "Report by the Special Rapporteur on the human rights of migrants, François Crépeau - Mission to Italy (29 September - 8 October 2012)" van de United Nations General Assembly - Human Rights Council, van 30 april 2013; en

5. het rapport "2012 Country Reports on Human Rights Practices - Italy" van United States Department of State, van 19 april 2013.

5.1. Bij uitspraken van 14 juli 2011 in zaken nrs. 201002796/1/V3, 201007479/1/V3 en 201009278/1/V3, heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat uit de zaak M.S.S. voortvloeit dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn betoog dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

5.2. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem ingeroepen rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zodat hij kan worden overgedragen aan Italië. Daartoe heeft de staatssecretaris betoogd dat, samengevat weergegeven, in Italië geen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waar het gaat om opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. Voorts heeft hij betoogd dat de door de vreemdeling ingeroepen rapporten, voor zover deze relevant zijn, reeds door het EHRM zijn beoordeeld of een actualisering zijn van eerdere rapporten en dat uit die actualisering niet blijkt dat in Italië de situatie van asielzoekers is verslechterd. In dat verband heeft de staatssecretaris gewezen op een aantal recente beslissingen van het EHRM, waaruit hij afleidt dat het EHRM van oordeel is dat een vreemdeling die wordt overgedragen aan Italië geen risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

5.3. De Afdeling heeft eerder bij voormelde uitspraken van 14 juli 2011 overwogen geen grond te zien voor het oordeel dat de minister van Justitie (thans: de staatssecretaris) zich niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen dat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

5.4. In de beslissing van 2 april 2013 in de zaak S. Mohammed Hussein e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 27725/10 (www.echr.coe.int; hierna: de zaak Mohammed Hussein), heeft het EHRM in paragraaf 78 overwogen:

"[…] the Court considers that, while the general situation and living conditions in Italy of asylum seekers, accepted refugees and aliens who have been granted a residence permit for international protection or humanitarian purposes may disclose some shortcomings […], it has not been shown to disclose a systemic failure to provide support or facilities catering for asylum seekers as members of a particularly vulnerable group of people, as was the case in M.S.S. v. Belgium and Greece […]. The reports drawn up by the UNHCR ["UNHCR Recommendations on important aspects of refugee protection in Italy" van juli 2012] and the Commissioner for Human Rights ["Report by Nils Muižnieks - Commissioner for Human Rights of the Council of Europe, Following his visit to Italy from 3 to 6 July 2012" van 18 september 2012] refer to recent improvements intended to remedy some of the failings and all reports are unanimous in depicting a detailed structure of facilities and care to provide for the needs of asylum seekers."

5.5. Zoals volgt uit het onder 5.4. overwogene alsmede uit de beslissingen van 18 juni 2013 in de zaak N. Halimi tegen Oostenrijk en Italië, nr. 53852/11, van 27 augustus 2013 in de zaak N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 40524/10, en van 10 september 2013 in de zaak N. Hussein Diirshi e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 2314/10 (www.echr.coe.int), waarin het EHRM naar voormelde paragraaf in de beslissing in de zaak Mohammed Hussein heeft verwezen, zijn er volgens het EHRM in Italië geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waar het gaat om opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers, zoals aan de orde in de zaak M.S.S., zodat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Hoewel in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, biedt het door de vreemdeling aangevoerde, waaronder de hiervoor onder 5. vermelde rapporten, geen grond voor het oordeel dat de situatie van asielzoekers ten tijde van belang wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie in de periode die in voormelde uitspraken van de Afdeling en beslissingen van het EHRM aan de orde was, of dat zich aan het systeem gerelateerde tekortkomingen voordoen.

5.6. Het betoog van de vreemdeling dat Italië artikel 4 van het Handvest schendt, faalt, reeds omdat uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2011 in zaak nr. 201009278/1/V3 volgt dat dit artikel ten opzichte van artikel 3 van het EVRM geen additioneel recht omvat.

5.7. De Afdeling heeft eerder bij uitspraak van 3 februari 2012 in zaak nr. 201108688/1/V4 overwogen dat uit het onder 5. vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt dat eventuele schendingen van het Unierecht in het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen niet tot het oordeel leiden dat een lidstaat vanwege dergelijke schendingen de behandeling van een asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken, indien die schendingen buiten het kader van de door het EHRM in de zaak M.S.S. bij de beoordeling betrokken aspecten vallen en derhalve niet leiden tot de conclusie dat bij overdracht aan een andere lidstaat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop, bezien in het licht van het onder 5.5. overwogene, dient de vreemdeling eventuele problemen die hij ondervindt ten gevolge van schending van Europese richtlijnen voor te leggen aan de Italiaanse autoriteiten.

5.8. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat door overdracht een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en de staatssecretaris zich om die reden niet mocht beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gelet hierop mocht de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op de aanvraag van vreemdeling 1 in stand laten. De grief faalt.

6. Het hoger beroep voor zover ingesteld door vreemdeling 1 is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep voor zover ingesteld door vreemdelingen 2 en 3 niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op het door vreemdeling 1 ingestelde beroep.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

w.g. Können   ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

301-759.