Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
201311489/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2013, kenmerk R-VER/2013/7704, heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2008, De Breid 2, 2a en 4 te Maashees, Boxmeer" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311489/2/R3.

Datum uitspraak: 28 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Maashees, gemeente Boxmeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2013, kenmerk R-VER/2013/7704, heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2008, De Breid 2, 2a en 4 te Maashees, Boxmeer" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 10 december 2013, kenmerk R-VER/2013/11051, heeft het college het besluit van 29 oktober 2013 gewijzigd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 februari 2014, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van de Velden, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], bijgestaan door ing. R.J.M.B. Derks, en P.J.A.M. Kersten, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge het vierde lid is artikel 6:19 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

3. Met het wijzigingsplan, zoals gewijzigd bij besluit van 10 december 2013, wordt beoogd de omschakeling van bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie] naar de productie van champignonbroed mogelijk te maken door het toekennen van de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" aan dit perceel.

4. [verzoeker] betoogt dat het college ten onrechte het wijzigingsplan heeft vastgesteld en beoogt met het verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Daartoe voert hij aan dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden in de planregels voor omschakeling is voldaan. Volgens [verzoeker] is het bedrijf van [belanghebbenden], dat zich op het perceel [locatie] wil vestigen, geen overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels, maar een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Hij stelt dat de productie van champignonbroed geen agrarische activiteit is, omdat het niet om de teelt, maar om de voorbewerking van een gewas gaat. In dit verband stelt hij dat het bedrijf van [belanghebbenden] bedrijfsactiviteiten zal verrichten ten dienste van andere bedrijven.

Voorts voert [verzoeker] aan dat de toekenning van de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" aan het perceel [locatie] geen omschakeling mogelijk maakt, omdat op dit perceel geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Ook stelt hij dat de bedrijfseconomische noodzaak voor omschakeling niet aannemelijk is gemaakt.

Verder voert [verzoeker] aan dat het college heeft nagelaten te onderzoeken of de aanwezigheid van een dassenburcht in de nabijheid van het perceel [locatie] in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. Ook heeft het college nagelaten onderzoek te doen naar de economische uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.

Tot slot voert [verzoeker] aan dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de toename van het verkeer als gevolg van de omschakeling.

4.1. Onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) van 21 maart 2013 met betrekking tot de vestiging van het bedrijf van [belanghebbenden] op het perceel [locatie], stelt het college zich op het standpunt dat dit bedrijf een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is en dat de productie van champignonbroed is aan te merken als de teelt van een gewas. Voorts is het college van mening dat aan de voorwaarden voor omschakeling wordt voldaan. Verder stelt het college dat de toename van het verkeer op De Breid en de Bredeweg niet tot problemen zal leiden en dat het plan uitvoerbaar is.

4.2. Ingevolge artikel 0.3 van de planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" wordt in deze regels verstaan onder:

agrarisch bedrijf: een bedrijf in hoofdzaak gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het fokken of anderszins houden van vee of andere dieren, waarbij in geval van paarden dat uitsluitend het voortbrengen van (producten van) paarden betreft, zoals bij fokken, hengstenhouderij of paardenmelkerij; niet zelfstandige (aan het agrarisch bedrijf gekoppelde) biomassa(co)-vergisting wordt in dit verband aangemerkt als onderdeel van een agrarisch (veehouderij)bedrijf;

agrarisch-technisch hulpbedrijf: een bedrijf in hoofdzaak gericht op werkzaamheden ten dienste van agrarische bedrijven of agrarische bodemexploitatie door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, uitgezonderd: paardenhouderijen, mestbewerking anders dan rechtstreeks verband houdend met andere toegelaten activiteiten (zoals mestopslag of

-transport) en mestverwerking;

hieronder worden in ieder geval verstaan: grootveedierenklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven (exclusief mestbewerking), agrarisch-loonwerkbedrijven, verhuur- en/of reparatiebedrijven van landbouwwerktuigen, vee-overslag, veetransport- en/of veehandelsbedrijven, opslag-, overslag-, voorbewerkings- en/of groothandelsbedrijven in akker- en tuinbouwgewassen.

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde/open grond in de directe omgeving van het bedrijf;

hieronder worden in ieder geval verstaan: intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven, champignonkwekerijen, witlofkwekerijen, andere plantenteelt- of kwekerijbedrijven waarbij de teelt plaatsvindt in gebouwen, sommige vis- en wormenkwekerijen.

overig niet grondgebonden agrarisch bedrijf: een

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, anders dan een intensieve veehouderij of een glastuinbouwbedrijf.

Ingevolge artikel 2.1 zijn de op plankaart 2 voor "Agrarische bedrijven" aangewezen gronden bestemd voor:

1. agrarische doeleinden voor niet meer dan één agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak/bouwblok waarbij, als bedrijfsvorm (al of niet met een combinatie van meerdere bedrijfstakken), is toegestaan:

[…]

- uitsluitend op bouwblokken met de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf", (tevens) een overig niet-grondgebonden agrarisch(e) bedrijf(stak).

Ingevolge artikel 3.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, volgens navolgend schema 3.3.0 de daarin genoemde onderdelen van het plan te wijzigen voor de omschreven ontwikkelingen of veranderingen, met inachtneming van:

- de betreffende voorwaarden onder 3.3.1 tot en met 3.3.12 waarnaar verwezen wordt in het schema;

- de procedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit schema 3.3.0 volgt dat het college bevoegd is het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van een omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge onderdeel 3.3.5, sub 3.3.5.B is het wijzigen voor omschakeling op bedrijfsniveau naar een overig niet-grondgebonden bedrijfs(tak) binnen een agrarisch bouwblok c.q. de detailbestemming "Agrarische bedrijven", zonder de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf", toegestaan onder de in dit artikelonderdeel vermelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 3.4, onder 3.4.1, moet een initiatief waarvoor ontheffing wordt verleend of de bestemming wordt gewijzigd redelijkerwijs uitvoerbaar en aanvaardbaar zijn, mede gelet op ‘buitenplanse’ ruimtelijke randvoorwaarden vanuit andere wet- of regelgeving en bindend beleid op het terrein van bodem, water, natuur, landschap, milieu en veiligheid.

Uit plankaart 2 bij het bestemmingsplan volgt dat aan perceel [locatie] de detailbestemming "Agrarische bedrijven" is toegekend.

4.3. Uit de plankaart bij het wijzigingsplan dat bij besluit van 29 oktober 2013 is vastgesteld volgt dat aan de percelen De Breid 2, 2a en 4 de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" is toegekend. Bij besluit van 10 december 2013 heeft het college het besluit van 29 oktober 2013 gewijzigd. Door deze wijziging heeft het perceel De Breid 2 en 2a niet meer voormelde aanduiding en heeft het perceel [locatie] een eigen bouwvlak.

4.4. De vraag of het bedrijf van [belanghebbenden] is aan te merken als een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 0.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure nader onderzocht moeten worden.

De voorzitter is op voorhand niet overtuigd van de juistheid van het standpunt van het college dat het bedrijf van [belanghebbenden] dient te worden aangemerkt als een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, omdat dit bedrijf zich toelegt op de productie van champignonbroed en deze productie aangemerkt dient te worden als de teelt van een gewas. Daartoe overweegt de voorzitter dat volgens het advies van de AAB van 21 maart 2013 de bedrijfsactiviteiten bestaan uit het laten doorgroeien van geënte graankorrels met schimmeldraden uit sporen van champignons en dat dit product hoofdzakelijk wordt afgezet aan tunnelbedrijven voor de productie van doorgroeide compost ten behoeve van champignonteeltbedrijven. Gelet hierop is het de vraag of het bedrijf van [belanghebbenden] gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of dat het veeleer moet worden aangemerkt als een agrarisch-technisch hulpbedrijf als bedoeld in artikel 0.3 van de planregels, omdat het werkzaamheden verricht ten dienste van agrarische bedrijven. In het advies van de AAB is ook op dit laatste aspect gewezen.

Onder deze omstandigheden is niet uitgesloten dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat niet aan de voorwaarden voor omschakeling is voldaan. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter reeds hierom, ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen en gelet op de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van:

a. 29 oktober 2013, kenmerk R-VER/2013/7704, tot vaststelling van het wijzigingsplan "Buitengebied 2008, De Breid 2, 2a en 4 te Maashees, Boxmeer";

b. 10 december 2013, kenmerk R-VER/2013/11051, waarbij het wijzigingsplan is gewijzigd ;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2014

429-629.