Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
201310669/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310669/1/V4.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 november 2013 in zaken nrs. 13/26973 en 13/26976 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 november 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris zich nader uitgelaten. De vreemdeling heeft hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2014, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen. De zaak is ter zitting tegelijkertijd behandeld met zaken nrs. 201310166/1/V4 en 201309818/1/V4.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 11 oktober 2013 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Italië op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 050), verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

2. In zijn grieven klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië niet kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat overdracht aan dat land strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe voert hij aan dat hij in Italië leefde onder omstandigheden die niet aan de minimale levensstandaard voldoen en dat hij er geen toekomst had, zodat niet van hem kon worden verlangd dat hij in Italië zou blijven. De vreemdeling verwijst ter staving van zijn betoog dat overdracht aan Italië strijdig is met artikel 3 van het EVRM naar de volgende stukken:

1. uitspraken van het Verwaltungsgericht Braunschweig, het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz, het Oberverwaltungsgericht Nordrhein-Westfalen en het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main;

2. het rapport "Gutachten zum Beweisbeschluss des VG Braunschweig vom 28.09.2009" van de vluchtelingenorganisatie Borderline-Europe van december 2012;

3. het rapport "Turned Away - Summary Returns of Unaccompanied Migrant Children and Adult Asylum Seekers from Italy to Greece" van Human Rights Watch, van 22 januari 2013;

4. het rapport "Recommendations on important aspects of refugee protection in Italy" van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR), van juli 2013; en

5. het rapport "National Country Report - Italy" van Asylum Information Database, van mei 2013.

2.1. Bij uitspraken van 14 juli 2011 in zaken nrs. 201002796/1/V3, 201007479/1/V3 en 201009278/1/V3, heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat uit het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, nr. 30696/09 (www.echr.coe.int; hierna: de zaak M.S.S.) voortvloeit dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn betoog dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

2.2. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem afgelegde verklaringen, bezien in het licht van de door hem ingeroepen stukken, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zodat hij kan worden overgedragen aan Italië. Daartoe heeft de staatssecretaris betoogd dat, samengevat weergegeven, in Italië geen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waar het gaat om opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. Voorts heeft hij betoogd dat de door de vreemdeling ingeroepen rapporten, voor zover deze relevant zijn, een actualisering zijn van eerdere rapporten en dat uit die actualisering niet blijkt dat in Italië de situatie van asielzoekers is verslechterd. In dat verband heeft de staatssecretaris gewezen op een aantal recente beslissingen van het EHRM, waaruit hij afleidt dat het EHRM van oordeel is dat een vreemdeling die wordt overgedragen aan Italië geen risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

2.3. De Afdeling heeft eerder bij voormelde uitspraken van 14 juli 2011 overwogen geen grond te zien voor het oordeel dat de minister van Justitie (thans: de staatssecretaris) zich niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen dat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

2.4. In de beslissing van 2 april 2013 in de zaak S. Mohammed Hussein e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 27725/10 (www.echr.coe.int; hierna: de zaak Mohammed Hussein), heeft het EHRM in paragraaf 78 overwogen:

"[…] the Court considers that, while the general situation and living conditions in Italy of asylum seekers, accepted refugees and aliens who have been granted a residence permit for international protection or humanitarian purposes may disclose some shortcomings […], it has not been shown to disclose a systemic failure to provide support or facilities catering for asylum seekers as members of a particularly vulnerable group of people, as was the case in M.S.S. v. Belgium and Greece […]. The reports drawn up by the UNHCR ["UNHCR Recommendations on important aspects of refugee protection in Italy" van juli 2012] and the Commissioner for Human Rights ["Report by Nils Muižnieks - Commissioner for Human Rights of the Council of Europe, Following his visit to Italy from 3 to 6 July 2012" van 18 september 2012] refer to recent improvements intended to remedy some of the failings and all reports are unanimous in depicting a detailed structure of facilities and care to provide for the needs of asylum seekers."

2.5. Zoals volgt uit het onder 2.4. overwogene alsmede uit de beslissingen van 18 juni 2013 in de zaak N. Halimi tegen Oostenrijk en Italië, nr. 53852/11, van 27 augustus 2013 in de zaak N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 40524/10, en van 10 september 2013 in de zaak N. Hussein Diirshi e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 2314/10 (www.echr.coe.int), waarin het EHRM naar voormelde paragraaf in de beslissing in de zaak Mohammed Hussein heeft verwezen, zijn er volgens het EHRM in Italië geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waar het gaat om opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers, zoals aan de orde in de zaak M.S.S., zodat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Hoewel in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, biedt het door de vreemdeling aangevoerde, waaronder de onder 2. vermelde uitspraken en rapporten, geen grond voor het oordeel dat de situatie van asielzoekers ten tijde van belang wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie in de periode die in voormelde uitspraken van de Afdeling en beslissingen van het EHRM aan de orde was, of dat zich aan het systeem gerelateerde tekortkomingen voordoen.

Voorts geeft het persoonlijk relaas van de vreemdeling, bezien in het licht van de rapporten, er geen blijk van dat de vreemdeling niet in staat zal worden gesteld om eventuele problemen die hij ondervindt voor te leggen aan de Italiaanse autoriteiten.

De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat door overdracht een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en de staatssecretaris zich om die reden niet mocht beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De grieven falen.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

w.g. Können  ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

301-759.