Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201401244/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 7 februari 2014, waarbij de kandidaat "[naam kandidaat] (v)" van de kandidatenlijst GROEP HOP is geschrapt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/153

Uitspraak

201401244/1/A2.

Datum uitspraak: 14 februari 2014 AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: J. Hop, wonend te Ermelo, en het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van Lelystad,

verweerder. Openbare zitting gehouden op 14 februari 2014 om 11:30 uur. Tegenwoordig:

Staatsraad mr. H. Troostwijk voorzitter

Staatsraad mr. A.W.M. Bijloos rapporteur

Staatsraad mr. C.J. Borman lid ambtenaar van staat mr. M.R. Poot

jurist mr. M. Rijsdijk griffier Verschenen:

Het centraal stembureau, vertegenwoordigd door A. Klaver, lid van het centraal stembureau.

De Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. J.P. Alspeer, werkzaam aldaar. Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 7 februari 2014, waarbij de kandidaat "[naam kandidaat] (v)" van de kandidatenlijst GROEP HOP is geschrapt. De Afdeling:

verklaart het beroep ongegrond. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende. Ingevolge artikel H 9, eerste lid, van de Kieswet wordt bij de lijst overgelegd een schriftelijke verklaring van iedere daarop voorkomende kandidaat dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op deze lijst voor de kieskring of de kieskringen waarvoor zij is ingeleverd. Ingevolge het derde lid wordt bij de lijst van iedere kandidaat die geen zitting heeft in het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden, tevens een kopie van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht overgelegd. Indien van een dergelijke kandidaat een kopie van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ontbreekt, wordt de verklaring van instemming van de betreffende kandidaat geacht te ontbreken. Ingevolge artikel I 6, eerste lid, aanhef en onder b, schrapt het centraal stembureau van de lijst voor een kieskring de naam van de kandidaat van wie niet is overgelegd de verklaring dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst voor deze kieskring. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1˚, van de Wet op de identificatieplicht worden als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet, aangewezen. Volgens het proces-verbaal van de zitting van het centraal stembureau die overeenkomstig artikel I 4 van de Kieswet op vrijdag 7 februari 2014 om 16:00 uur is gehouden, heeft het centraal stembureau tijdens de zitting als bedoeld in artikel I 1 van de Kieswet op 4 februari 2014 geconstateerd dat met betrekking tot de kandidaat "[naam kandidaat] (v)" de instemmingsverklaring wordt geacht te ontbreken, aangezien geen kopie van een geldig legitimatiebewijs is overgelegd. Omdat het verzuim op 7 februari 2014 ondanks de daartoe geboden gelegenheid niet was hersteld, heeft het centraal stembureau de naam van die kandidaat van de kandidatenlijst geschrapt. Hop betoogt dat het centraal stembureau ten onrechte de naam van de kandidatenlijst heeft geschrapt. Artikel H 9, derde lid, van de Kieswet in samenhang gelezen met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1˚, van de Wet op de identificatieplicht vereist dat iedere kandidaat die geen zitting heeft in het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden, een kopie van een geldig identiteitsbewijs overlegt. Een identiteitsbewijs is alleen dan geldig, wanneer de geldigheidsduur daarvan niet is verstreken. Een kopie van een identiteitskaart, waarvan de geldigheidsduur op 10 oktober 2013 is verlopen, voldoet niet aan het wettelijk vereiste. De stelling van Hop dat met een verlopen identiteitsbewijs wel mag worden gestemd, wat daar ook van zij, betekent niet dat dit wettelijk vereiste niet behoefde te worden nageleefd. [kandidaat] had het verzuim kunnen herstellen door een nieuw identiteitsbewijs met spoed aan te vragen en dit alsnog binnen de verzuimtermijn over te leggen. Zij heeft volstaan met het overleggen van een betalingsbewijs voor een nieuwe identiteitskaart. Hiermee is het verzuim niet hersteld.

Het centraal stembureau heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [kandidaat] geen kopie van een geldig identiteitsbewijs heeft overgelegd, zodat haar instemmingsverklaring geacht wordt te ontbreken. Het centraal stembureau heeft dan ook terecht de naam van deze kandidaat van de kandidatenlijst geschrapt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. w.g. Troostwijk w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat 362-705.