Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:70

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201306043/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.12
Wet ruimtelijke ordening 6.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2014/21 met annotatie van J.J. Thoonen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306043/1/R6.

Datum uitspraak: 10 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Haren,

2. [appellant sub 2], wonend te Haren,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), allen wonend te Haren,

4. [appellant sub 4], wonend te Haren,

5. de stichting Stichting Comité Regio Groningen-Haren (hierna: stichting CRGH), gevestigd te Haren,

6. [appellant sub 6], wonend te Haren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Haren, Dilgt Hemmen Essen (Deelgebied 5 en 6)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3], de stichting CRGH en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting CRGH, [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 3], de stichting CRGH, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 6], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door F. Kamminga en R.R. van der Velde, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 400 woningen in een gebied dat is gelegen tussen Groningen en Haren en aan de westzijde is gelegen op de Hondsrug en aan de oostzijde op de flanken van het Hunzedal. De noordrand van het plangebied wordt gevormd door agrarische percelen, de zuidzijde wordt begrensd door bestaande woningbouw, de oostzijde door de spoorlijn Groningen-Haren en het Hunzedal, de westzijde door lintbebouwing en de bijbehorende percelen.

4. [appellant sub 3] heeft ter zitting zijn beroepsgrond over de omstandigheid dat het plan niet voorziet in een geluidscherm, ingetrokken.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] geen belanghebbenden zijn bij het besluit. De afstand van de woningen van [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] tot aan het plangebied bedragen onderscheidenlijk ongeveer 250 m, 570 m, 150 m en ruim 650 m. Deze afstanden zijn volgens de raad te groot om belanghebbendheid te kunnen aannemen.

5.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2, van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5.2. [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] wonen onderscheidenlijk aan de [locatie sub 4], de [locatie sub 2], de [locatie sub 3] en de [locatie sub 6] te Haren. Dit is weliswaar op ruime afstand van het plangebied, maar gelet op het feit dat de Kromme Elleboog en de Molenweg zijn gelegen tussen de voorziene ontsluiting van het plangebied naar zowel de toerit van de A28 als naar het centrum van het dorp, en daartoe vrijwel de enige toegangswegen zijn, en ter zitting onweersproken is gesteld dat het verkeer vanuit het plangebied richting Groningen over de Dilgtweg zal rijden, is niet uitgesloten dat de woningbouw in het plangebied tot een dusdanige verkeerstoename op de Kromme Elleboog, de Molenweg en de Dilgtweg zal leiden dat een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit wordt geraakt.

[appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] hebben een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang en kunnen derhalve worden aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Crisis- en herstelwet

6. [appellant sub 4] stelt dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet van toepassing is op het vaststellingsbesluit, omdat de bevoegdheid om te bepalen of het plan valt binnen de door de Chw gestelde grenzen volgens hem toekomt aan de minister van Infrastructuur en Milieu en niet aan de raad. [appellant sub 6] stelt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de Chw van toepassing is op het vaststellingsbesluit en voert aan dat de raad dit volgens hem alleen kan motiveren aan de hand van informatie die niet openbaar is. [appellant sub 6] voert in dit kader aan dat hij een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur heeft ingediend en dat hij het antwoord daarop nog niet heeft. Hij acht dit in strijd met het procesrecht.

6.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Voor de toepassing van de Chw op het bestreden besluit is, anders dan [appellant sub 4] aanvoert, niet van belang of de minister van Infrastructuur en Milieu de Chw van toepassing heeft verklaard op dit plan, en is anders dan [appellant sub 6] aanvoert, evenmin van belang of de raad in de publicatie van het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat de Chw van toepassing is. Van belang is of het besluit betrekking heeft op een categorie projecten genoemd in bijlage I of een project genoemd in bijlage II van de Chw.

6.2. In categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Het bestreden besluit is vastgesteld krachtens artikel 3.1, eerste lid, van afdeling 3.1 van de Wro en het plan maakt onder meer de bouw van maximaal 400 woningen mogelijk, zodat afdeling 2, van hoofdstuk 1, van de Chw op dit besluit van toepassing is.

Procedureel

7. [appellant sub 1] stelt dat zijn reactie op het voorontwerp ten onrechte niet is betrokken bij het vaststellen van de inspraaknotitie van januari 2013.

7.1. De Afdeling overweegt dat de fase van het voorontwerp van een bestemmingsplan en het bieden van inspraak hierop geen deel uitmaken van de bestemmingsplanprocedure. Reeds hierom kan het al dan niet betrekken van een reactie op het voorontwerp bij de inspraaknotitie geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan zoals vastgesteld.

8. [appellant sub 6] stelt dat de raad ten onrechte niet alle voor de beoordeling van het ontwerpplan benodigde stukken ter inzage heeft gelegd. Hij wijst in dat verband op het stedenbouwkundig plan deelgebied 5 en 6, ‘Haren Noord Groene buurten aan de Grootslaan’, derhalve is onduidelijk of het plan overeenkomstig het stedenbouwkundig plan is vastgesteld.

[appellant sub 4] voert aan dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door de voor de beoordeling van het ontwerpplan benodigde stukken in de vakantietijd ter inzage te leggen.

8.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover thans van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

8.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming is artikel 3:11 van de Awb een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan. Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het plan, zodat zij kunnen beoordelen of zij een zienswijze willen indienen. Volgens de plantoelichting is voor dit plan door HKB stedenbouwkundigen een stedenbouwkundig plan opgesteld, van 12 december 2012. De planregels voor de bestemming "Wonen" zijn volgens de plantoelichting gebaseerd op het stedenbouwkundig plan. Gelet hierop steunt de motivering van het ontwerpplan op het stedenbouwkundig plan. Het betreft evenwel een beleidstuk dat is in te zien via internet en bij de gemeente kan worden opgevraagd. [appellant sub 6] had het stedenbouwkundig plan derhalve kunnen inzien en daarop kunnen reageren. Gelet daarop behoefde dit stuk niet met het ontwerpplan ter inzage te worden gelegd.

8.3. Over het betoog van [appellant sub 4] dat het ontwerpplan ten onrechte in een vakantieperiode ter inzage heeft gelegen, wordt overwogen dat noch de Wro noch de Awb zich tegen die handelwijze verzet.

9. [appellant sub 1] stelt dat de raad in de zienswijzennota niet is ingegaan op zijn zienswijze over onder meer de fasering in relatie tot de nieuwe marktomstandigheden, de positie van de landbouw, de koppeling van het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (hierna: GVVP) met het bestemmingsplan en de benutting van de Grootslaan. De wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld is volgens hem in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

[appellant sub 2] en [appellant sub 4] stellen dat ten onrechte niet inhoudelijk op alle naar voren gebrachte zienswijze is ingegaan. [appellant sub 4] stelt dat de raad hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.

9.1. Naar aanleiding van het ontwerpplan zijn zienswijzen ingediend. De raad heeft er niet voor gekozen om elke reactie afzonderlijk te behandelen, maar om de brieven waarin dezelfde of nagenoeg dezelfde opmerkingen zijn gemaakt samen te voegen. In de zienswijzennota zijn de zienswijzen samengevat en per thema gerubriceerd beantwoord.

9.2. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd, of dat de raad niet een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt.

Milieueffectrapportage

10. [appellant sub 2] stelt dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte niet is beoordeeld of een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. De raad heeft volgens hen ten onrechte niet gemotiveerd waarom is afgezien van het volgen van een m.e.r.-procedure.

10.1. De raad stelt dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd en wijst daartoe op paragraaf 4.9 van de plantoelichting.

10.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het vierde lid worden als besluiten als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

Ingevolge het vijfde lid geldt, voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (hierna: de Richtlijn) niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

10.3. In categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is als activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Het bestemmingsplan is in categorie D11.2 zowel aangewezen in kolom 3 als plan als in kolom 4 als besluit. Nu het onderhavige bestemmingsplan de voorgenomen woningbouw bij recht mogelijk maakt en derhalve niet het kader vormt voor een wijzigings- of uitwerkingsplan, is in dit geval de milieueffectrapportage voor besluiten aan de orde.

10.4. Niet in geschil is dat het hier gaat om een stedelijke ontwikkeling en de omvang van het project de grenswaarden die voor deze categorie zijn opgenomen niet overschrijdt. Dit betekent dat niet reeds op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit milieueffectrapportage een verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer bestond. Ter beoordeling staat dan ook slechts of de raad terecht heeft geconcludeerd dat op grond van de selectiecriteria van bijlage III bij de Richtlijn kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en dat toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer daarom achterwege kon blijven.

De criteria van bijlage III bij de Richtlijn hebben onder meer betrekking op de kenmerken van het project - waaronder cumulatie met andere projecten -, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling, die in paragraaf 4.9 van plantoelichting is opgenomen, heeft de raad de voorgenomen activiteiten getoetst aan deze criteria en de activiteiten in hun onderlinge samenhang bezien en heeft op grond hiervan een milieueffectrapport niet noodzakelijk geacht. [appellant sub 2] heeft deze beoordeling inhoudelijk niet bestreden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet had mogen concluderen dat geen milieueffectrapport hoefde te worden gemaakt.

Gemeentelijk beleid

11. [appellant sub 1] en de stichting CRGH stellen dat de woningaantallen in strijd met de uitgangspunten uit het Integraal Ontwikkelingsplan Dilgt Hemmen en Essen (hierna: het Integraal ontwikkelingsplan DHE) en het Landschapsontwikkelingsplan (hierna: LOP) zijn vastgesteld.

11.1. De raad stelt dat de woningaantallen overeenkomstig gemeentelijk beleid, zoals neergelegd in het LOP en het Integraal Ontwikkelingsplan DHE, zijn vastgesteld. Reeds in het LOP heeft de raad vastgesteld dat toekomstige uitbreiding van Haren in het "tussengebied Groningen-Haren" zou moeten plaatsvinden en dat deze uitbreiding dient te voldoen aan de in het LOP weergegeven uitgangspunten. Blijkens het Integraal Ontwikkelingsplan DHE en het LOP bedraagt de gezamenlijke bandbreedte volgens de raad tussen de 275 en 610 woningen en het bestemmingsplan maakt maximaal 400 woningen mogelijk.

11.2. De raad is bij vaststelling van een bestemmingsplan niet aan gemeentelijk en regionaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Op blz. 61 van het LOP is een aantal uitgangspunten weergegeven voor woningbouw in het plangebied. Volgens het LOP bedraagt de bandbreedte van het aantal woningen in het tussengebied minimaal 1000 (10 woningen per ha) tot 1450 (15 woningen per hectare).

Op blz. 117, onderscheidenlijk blz. 121 van het Integraal Ontwikkelingsplan DHE staat dat voor deelgebied 5 een bandbreedte voor het aantal woningen gold van 150 tot 300 en voor deelgebied 6 125 tot 220 woningen.

12. Nu het plan maximaal 400 woningen toestaat heeft de raad zich, gezien het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het LOP en het Ontwikkelingsplan DHE in zoverre niet aan het plan in de weg staan.

13. [appellant sub 1] voert aan dat de raad in strijd handelt met het beleid ‘bouwen vanuit de kern’, waarin het uitgangspunt is geformuleerd dat de gemeente van binnen naar buiten wil bouwen, aansluitend op de bestaande bebouwing. Dit uitgangspunt is volgens hem niet gewaarborgd in het plan.

13.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat aansluitend op de bestaande bebouwing zal worden gebouwd en dat dit ook zo zal worden afgestemd in de exploitatieopzet.

13.2. In het vaststellingsbesluit staat dat de raad heeft besloten het plan vast te stellen onder de voorwaarde dat de uitvoering van het plan wordt gefaseerd door eerst fase 1, zijnde deelgebied B (DHE6) en het meest zuidelijke deel van deelgebied C (DHE5) te ontwikkelen en pas daarna over te gaan tot realisatie van het meest noordelijke deel van deelgebied C (DHE). Voorts is door de raad besloten deze fasering op te nemen in de exploitatieopzet.

Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het beleid ‘bouwen vanuit de kern’.

Woningbehoefte

14. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], de stichting CRGH en [appellant sub 6] voeren aan dat de behoefte aan 400 woningen onvoldoende is aangetoond. Zij stellen dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) ten behoeve van het plan hiernaar onvoldoende onderzoek is verricht en dat de raad ten onrechte niet heeft beschreven dat in de woningbehoefte niet kan worden voorzien door het benutten van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins binnen het bestaand stedelijk gebied in de regio. Voorts heeft de raad volgens hen geen rekening gehouden met de huidige marktomstandigheden en de verkoopbaarheid van de woningen. De raad kon zich volgens [appellant sub 1] bij de vaststelling niet baseren op achterhaalde uitgangspunten uit de Regiovisie, omdat in de "Regionale afspraken woningbouwprogramma" het aantal is verlaagd van 1040 naar 788 te bouwen woningen.

[appellant sub 3] stelt dat de raad zich evenmin kon baseren op het rapport ‘Afzetpotentie projectmatige bouw Haren DHE 5 en 6’, omdat de analyse in dit rapport is gemaakt via een extrapolatie van gegevens met betrekking tot kopers van woningen in deelgebied DHE 3. [appellant sub 3] wijst er voorts op dat de raad eerst in het verweerschrift verwijst naar het Woonplan 2013-2023 dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was vastgesteld. Hij voert aan dat hij in zijn beroepschrift niet op deze cijfers heeft kunnen reageren.

[appellant sub 4] voert in dit verband aan dat het wijzigen van het Woonplan kort na vaststelling van het bestemmingsplan in strijd is met het verbod van détournement de pouvoir.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb eraan in de weg staat dat [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] zich kunnen beroepen op aspecten als de verkoopbaarheid van de te bouwen woningen. De rechtsregel dat een bestemmingsplan financieel uitvoerbaar moet zijn strekt volgens de raad niet ter bescherming van individuele burgers.

14.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 18 januari 2012 in zaak nr. 201105439/1/R2 overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter bescherming van hun woon- en leefklimaat zich kunnen beroepen op het voorkomen van woonbebouwing ter plaatse. In het licht van die afweging kunnen zij ook het ontbreken van behoefte aan woningbouw, bezwaren over de verkoopbaarheid van de woningen, de marktomstandigheden en -ontwikkelingen en eventuele marktverstoring naar voren brengen. Er is geen aanleiding hen in dit opzicht het in artikel 8:69a Awb neergelegde relativiteitsvereiste tegen te werpen.

14.3. De raad stelt dat reeds bij de vaststelling van het LOP in 2003 is getoetst aan criteria die later onderdeel zijn geworden van de SER-ladder. Onder verwijzing naar blz.19 van de plantoelichting stelt de raad dat bij de totstandkoming van het plan zorgvuldig is getoetst aan de treden van de SER-Ladder.

Volgens de raad zijn regionale afspraken gemaakt over woningbouw op grond van de Regiovisie Groningen-Assen (RGA). Door veranderingen in de vraag naar woningen zijn de aantallen geplande woningen in het gehele Regiovisiegebied - dus ook in de gemeente Haren - in december 2012 bijgesteld tot 788 woningen. De in het plan voorziene woningbouw is actueel en overeenkomstig deze regionale doelstellingen, aldus de raad.

De raad stelt zich aan de hand van het recent geactualiseerde concept Woonplan Haren 2013-2023 en een onderzoek, uitgevoerd door Berg Vastgoed Advies, op het standpunt dat het aantal van 400 woningen ook overeenkomstig de marktvraag is vastgesteld.

14.4. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties, die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

14.5. In de plantoelichting is de raad ingegaan op de behoefte aan woningen. Het plan maakt de bouw van maximaal 400 woningen mogelijk. en past daarmee binnen het Woonplan Haren, van april 2004 (hierna: het Woonplan), dat richtinggevend is voor het beleid met betrekking tot de bouw van woningen voor de periode tot 2014. Het huidige woningbouwbeleid van de gemeente Haren wordt volgens het Woonplan bepaald door de in regionaal verband gemaakte afspraken (Regiovisie Groningen-Assen 2030), waarbij rekening is gehouden met de oude opgaven en de reeds gerealiseerde sloop en nieuwbouw. De verwachting is dat de komende jaren nog een groei van de bevolking en daarmee van de woningbehoefte zal optreden. Voor de gemeente Haren geldt dat 1040 woningen (uitbreiding 910, vervanging 130) mogen worden gebouwd binnen de periode 2007-2019. Niet in geschil is dat dit aantal in 2012 is bijgesteld naar 788 woningen. Naar het oordeel van de Afdeling past de bouw van 400 woningen binnen de woningbouwtaakstelling die in regionaal verband is gesteld voor de gemeente Haren.

Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6] en stichting CRGH hebben aangevoerd over de huidige marktomstandigheden, dan wel de marktvraag, doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat het plan zich uitstrekt over een periode van in beginsel tien jaar.

14.6. In de plantoelichting heeft de raad beschreven in hoeverre aan de regionale woningbehoefte kan worden voldaan binnen bestaand stedelijk gebied. De inbreidingslocaties binnen de dorpsbebouwing zijn beperkt. Deze zijn niet geschikt om het gewenste aantal woningen te realiseren. Dit is volgens de plantoelichting in overeenstemming met eerdere conclusies in het LOP. Ook voor de herstructureringsmogelijkheden geldt volgens de plantoelichting dat deze onvoldoende ruimte bieden om het gewenste aantal woningen te kunnen realiseren. Voorts gelden de uitgangspunten van het LOP en het Integraal Ontwikkelingsplan DHE nog altijd dat het ruimtebeslag voor een woningbouwprogramma zoals in dit plan is voorzien, dusdanig groot is dat er binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Haren geen ruimte voor beschikbaar is. Ook door middel van intensivering, revitalisering en herstructurering is een dergelijke opgave volgens de plantoelichting niet haalbaar. De enige wijze waarop de voorziene woningbouw kan worden gerealiseerd is door het op een zorgvuldige wijze invullen van een deel van het buitengebied, aldus de plantoelichting.

Gelet hierop heeft de raad beschreven dat realisering van de in het plan voorziene aantal woningen niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke situatie met betrekking tot bestaand stedelijk gebied zodanig is dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het realiseren van de voorziene woningbouw in een deel van het buitengebied.

14.7. Voor zover [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat hij in beroep niet heeft kunnen reageren op het concept Woonplan 2013-2023, overweegt de Afdeling dat de raad zich bij de vaststelling van het plan heeft gebaseerd op het Woonplan Haren dat is vastgesteld in april 2004. Voorts is het concept Woonplan op 29 augustus 2013, derhalve na vaststelling van het plan, vastgesteld. De raad kon zich bij de vaststelling van het plan niet op het concept Woonplan baseren en heeft dit blijkens de plantoelichting ook niet gedaan. Voorts overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] na het ontvangen van het verweerschrift en ter zitting op de in het concept Woonplan 2013-2023 opgenomen cijfers heeft kunnen reageren voor zover dit nodig was.

14.8. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat de raad door het wijzigen van het Woonplan kort na vaststelling van het plan in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir, overweegt de Afdeling dat het Woonplan niet ter beoordeling voor ligt. Dit aspect kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.

Verkeer

15. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat de uitwerking van de verkeersmaatregelen in het plangebied, die zijn gebaseerd op het door Grontmij Nederland B.V. opgestelde Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2012-2017, vastgesteld op 28 januari 2013 (hierna: GVVP), onzorgvuldig is.

Voorts voeren [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar te verwachten verkeersontwikkelingen en dat de ontwikkelingen in het plan tot grote verkeersdruk zal leiden op de Oosterweg. [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] voeren aan dat in de plantoelichting ten onrechte geen verkeersparagraaf is opgenomen. [appellant sub 3] stelt, onder verwijzing naar het onderzoek Bestemmingsplan ‘Haren-Dilgt, Hemmen en Essen (deelgebied 5 en 6)’, beoordeling aspect verkeer, van Bureau DB (hierna: deskundigenonderzoek), dat in het GVVP de effecten van het betrokken plangebied ten onrechte niet specifiek zijn beoordeeld

Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 4] aan dat de Grootslaan ongeschikt is als ontsluiting van het plangebied. [appellant sub 3] stelt dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro ten onrechte niet voorziet in een adequate ontsluiting van het plangebied. In het GVVP is volgens hem geadviseerd een mogelijke verbinding parallel aan de Molenweg voor ontsluiting van het plangebied naar de Rijksstraatweg te onderzoeken, terwijl in het plan daarover niets is opgenomen.

[appellant sub 2] voert aan dat in het plan weliswaar een extra weg is opgenomen tussen de Oosterweg en de Kerklaan, maar dat deze ten onrechte niet wordt doorgetrokken naar de Rijksstraatweg, zodat dit tot een verkeerstoename op de Molenweg zal leiden.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de deelgebieden 5 en 6 bewust niet afzonderlijk zijn beoordeeld, maar dat ervoor is gekozen om in het GVVP een relatie te leggen tussen het verkeer van en naar het plangebied in het kader van het gehele verkeersbeeld in Haren.

De raad stelt, onder verwijzing naar de CROW-normen, dat de ontwikkelingen in het plan op de Oosterweg naar verwachting zullen leiden tot een toename van tussen de 2000 en 2500 motorvoertuigen per etmaal en dat de Oosterweg geschikt is voor het afwikkelen daarvan.

In het GVVP is weergegeven welke maatregelen nodig zijn bij de ontwikkeling van Haren Noord. Voor de deelgebieden 5 en 6 wordt volgens het GVVP een nieuwe verbinding van de Oosterweg naar de Kerklaan wenselijk geacht, maar die verbinding wordt pas bij de verdere ontwikkeling van Haren-Noord (deelgebieden 1 en 2) en het Raadhuisplein-Haderaplan noodzakelijk, aldus de raad.

Voorts stelt de raad op blz. 15 van het verweerschrift, onder verwijzing naar bijlage 21, dat de brandweer van de regio Groningen in het kader van het vooroverleg heeft vastgesteld dat het plangebied ook voor hulpdiensten voldoende snel en in voldoende mate bereikbaar is, mits de Rummerinkhof wordt verbonden met de Grootslaan. Dat laatste zal volgens de raad ook gebeuren.

De raad erkent dat het verkeer op een aantal wegen rond het plangebied zal toenemen, maar die toename is volgens de raad niet dusdanig dat dit tot onaanvaardbare gevolgen voor omwonenden zal leiden.

De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied passend is ontsloten onder meer door de nabijheid van het NS-station Haren, door goede fietsverbindingen met Haren en Groningen en door de niet-noodzakelijke, maar wel gewenste aanleg van een nieuwe autoverbinding tussen de Oosterweg en de Kerklaan. Deze nieuwe verbinding is weliswaar niet in dit plan opgenomen, maar zal volgens de raad wel worden gerealiseerd, omdat daartoe een motie is aangenomen en er geld voor is gereserveerd. Desgevraagd heeft de raad toegezegd dat de ontsluiting Oosterweg-Kerklaan gerealiseerd wordt wanneer de woningen in het betrokken plangebied zullen worden gerealiseerd.

15.2. Het plan voorziet niet in een ontsluiting tussen de Oosterweg en de Kerklaan. In zoverre mist het beroep van [appellant sub 2] feitelijke grondslag.

15.3. In het GVVP is niet alleen het betrokken plangebied, maar zijn ook de deelgebieden 1, 2 en 3 beoordeeld en is het totale toekomstige verkeersbeeld in de gemeente Haren beschreven en geprognosticeerd. Op blz. 64 van het GVVP is per deelgebied de verkeersproductie weergegeven en voorts is ingegaan op de ontsluiting van de deelgebieden 5 en 6. In zoverre is er geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeersontwikkelingen in de deelgebieden 5 en 6 niet zijn bezien in het GVVP.

15.4. Op grond van de gehanteerde uitgangspunten in het GVVP zal het betrokken plangebied - uitgaande van 400 woningen - een verkeersproductie genereren van 2.800 ritten per etmaal. In de huidige situatie zijn er volgens de plantoelichting 900 verkeersbewegingen per dag op de Oosterweg. Volgens het GVVP en de plantoelichting kan het verkeer via de Grootslaan op de Oosterweg worden ontsloten. Voor de afwikkeling van het verkeer kan worden volstaan met één centrale aansluiting en in aanvulling hierop dient een tweede toegang voor hulpdiensten/calamiteiten beschikbaar te zijn. In aanvulling op de ontsluiting voor het autoverkeer is een fietsroute door de gebieden 5 en 6 parallel aan de Oosterweg geprojecteerd. Deze potentiële fietsroute mondt uit op de Oosterweg nabij de Bolhuissteeg. In de plantoelichting is de raad op deze maatregelen ingegaan.

Voorts is in het GVVP ingegaan op de verkeersdruk die in de toekomst zal optreden op de Kerklaan, de Oosterweg, de Dilgtweg, de Molenweg en de Vondellaan. Volgens het GVVP is voor een robuuste verkeersstructuur een toevoeging van een oost-westverbinding ten noorden van de Molenweg in dit stadium wenselijk en op termijn noodzakelijk. Een oost-west verbinding tussen de Oosterweg en de Rijksstraatweg zal tot een zodanige ontlasting van de Molenweg, de Kerklaan en de Oosterweg leiden dat de toekomstige verkeersintensiteit op deze wegen beperkt zal stijgen ten opzichte van de huidige situatie, aldus het GVVP.

De raad heeft bewust ervoor gekozen om de oost-westverbinding tussen de Kerklaan en de Oosterweg niet in dit plangebied op te nemen, omdat deze voor de ontwikkelingen in dit plan niet noodzakelijk is. Met hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke verkeersituatie zodanig is dat de raad dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen.

15.5. Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de te verwachten verkeersontwikkelingen als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied.

Voorts zijn er in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de verkeersdruk zodanig zal toenemen dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een adequate ontsluiting van het plangebied.

16. Gelet op hetgeen in het vorengaande onder rechtsoverweging 14 en 15 is overwogen over de regionale woningbouwbehoefte, in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien en de ontsluiting van het plangebied, heeft de raad zich, gelet op hetgeen in beroep naar voren is gebracht, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er een regionale behoefte bestaat met betrekking tot de in het plan voorziene woningaantallen, dat realisering van deze woningen niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied en dat het plan, mede gelet op de nabijheid van een station en de aanwezige fietsverbindingen, voorziet in een adequate ontsluiting. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen onderzoek is verricht naar de actuele (regionale) woningbehoefte, in hoeverre realisering van de woningen mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied en in hoeverre wordt voorzien in een passende ontsluiting, en dat in zoverre niet is voldaan aan de eisen van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegezegd dat ten tijde van het realiseren van de in het plan voorziene woningen de nieuwe ontsluiting van de Oosterweg naar de Kerklaan zal worden gerealiseerd.

Bebouwingsdichtheid en fasering

17. [appellant sub 1] stelt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast door de, met name in deelgebied 5, toegestane bebouwingsdichtheid. Hij voert aan dat met betrekking tot de toegestane bebouwingsdichtheid ten onrechte niet de uitgangspunten, zoals weergegeven in het Integraal Ontwikkelingsplan DHE en het LOP zijn gehanteerd.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de norm "het aantal woningen per hectare" strekt ter bescherming van de belangen van bewoners van het plangebied. Nu [appellant sub 1] niet in het plangebied woont, strekt deze norm niet ter bescherming van hem. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb staat volgens de raad in de weg aan vernietiging op deze rechtsgrond.

Onder verwijzing naar "Haren Noord, Groene Buurten aan de Grootslaan, vergelijkingsonderzoek dichtheden woonbuurten Haren", van 16 januari 2013 stelt de raad dat de aantallen woningen per hectare niet afwijken van bebouwingsdichtheden van vergelijkbare Harense woonbuurten. Voorts stelt de raad dat de bebouwingsdichtheden in het LOP niet specifiek zien op de deelgebieden 5 en 6, maar dat het gaat om een gemiddelde dichtheid voor alle woningbouw in het zogenoemde tussengebied in Haren-noord. De in het plan toegestane bebouwingsdichtheden zijn volgens de raad vooral gebaseerd op het Integraal ontwikkelingsplan DHE.

17.2. Anders dan de raad betoogt overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter bescherming van zijn woon- en leefklimaat ook de toegestane bebouwingsdichtheid van de in het plangebied voorziene woningen naar voren kunnen brengen. Ook in zoverre bestaat geen aanleiding hem het relativiteitsvereiste tegen te werpen.

17.3. Aan de in de nabijheid van [appellant sub 1] gelegen gronden zijn de bestemmingen "Wonen-1", "Wonen-7" en "Wonen-8" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder a, b, f, g en i , van de planregels, zijn de voor de bestemming "Wonen-1" aangewezen gronden bestemd voor - samengevat weergegeven - vrijstaande woningen, waardevolle bomen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, onder a, e, f en h, en artikel 17, lid 17.1, onder a, e, f, en h zijn de voor "Wonen-7" en "Wonen-8" aangewezen gronden bestemd voor - samengevat weergegeven - halfvrijstaande woningen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, tuinen, erven en terreinen.

17.4. Volgens blz. 3 van de notitie zienswijzen en het vergelijkingsonderzoek dichtheden bedraagt de bebouwingsdichtheid van deelgebied 5 ongeveer 21 woningen per hectare en van deelgebied 6 ongeveer 11 woningen per hectare. Het gehele plangebied heeft daardoor een dichtheid van ongeveer 16 woningen per hectare.

Blijkens blz. 5 van het vergelijkingsonderzoek dichtheden bedraagt de bebouwingsdichtheid van de in de nabijheid van het plangebied gelegen buurten Harener Holt, Mikkelhorst, Schoutelaan en Stationsgebied onderscheidenlijk 27, 17, 20 en 22 woningen per hectare. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bebouwingsdichtheden in het plangebied niet afwijken van vergelijkbare en nabijgelegen Harense woonbuurten.

In het Integraal ontwikkelingsplan DHE staat beschreven dat verschillende buurten worden ontwikkeld, met verschillen in sfeer. De verschillen in bebouwingsdichtheid zullen bijdragen aan die sfeer. Voorts staat in het Integraal ontwikkelingsplan DHE dat het uitgangspunt is dat op de Hondsrug in relatief zwaardere massa’s wordt gebouwd, overgaand naar een minder massaal karakter op de flanken.

Gezien het voorgaande en gezien de omvang en situering van de bouwvlakken op de verbeelding, in samenhang bezien met de planregels, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bebouwingsdichtheid niet zodanig is dat voor hem geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat mogelijk is.

Geluidhinder

18. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de geluidhinder vanwege de verkeerstoename ten gevolge van de in het plan voorziene woningbouw. [appellant sub 1] voert onder verwijzing naar het deskundigenonderzoek aan dat zijn woning aan de Oosterweg 113 onvoldoende is betrokken in het akoestisch onderzoek.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat onderzoek is verricht naar de akoestische gevolgen van de in het plan voorziene ontwikkelingen, waarbij diverse aspecten - zoals de toename van verkeer - zijn onderzocht. Het wegverkeersgeluid is daarbij, zowel in het kader van de Wet geluidhinder als in het kader van een goede ruimtelijke ordening, beoordeeld. De raad stelt zich aan de hand van dit onderzoek op het standpunt dat de toename van verkeer niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

18.2. Ten behoeve van het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door DHV, dat is weergegeven in het rapport ‘Akoestisch onderzoek deelgebieden 5&6 Nieuwbouw DHE Haren Noord’, van oktober 2012 (hierna: geluidrapport). In paragraaf 4.1 van het geluidrapport staat dat op de Oosterweg de snelheid wordt verlaagd naar 30 km per uur. Door de verkeersaantrekkende werking van de nieuwbouw zal de geluidbelasting ten gevolge van de Oosterweg volgens het geluidrapport toenemen. Derhalve is de Oosterweg, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, betrokken bij de beoordeling van de geluidhinder.

Volgens hoofdstuk 5 van het geluidrapport blijkt uit de berekeningen voor het wegverkeer op de Oosterweg dat, indien de Wgh van toepassing zou zijn, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij drie bestaande woningen zou worden overschreden met maximaal 2 dB. Om de toename te beperken kan het bevoegd gezag volgens het geluidrapport overwegen om een stillere wegdekverharding toe te passen. In de plantoelichting staat op blz. 25 dat bij de uitwerking van het plan gekeken moet worden of er geluidreducerende maatregelen genomen kunnen worden, zoals stillere wegdekverhardingen.

In zoverre is in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de geluidhinder op de woningen aan de Oosterweg als gevolg van de verkeerstoename vanwege de in het plan voorziene ontwikkelingen. De geluidbelasting vanwege de voorziene ontwikkelingen in het plangebied neemt op een drietal woningen aan de Oosterweg weliswaar toe, maar die toename is dusdanig dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning van [appellant sub 1]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad buiten het plangebied maatregelen zal treffen, zoals het verlagen van de snelheid op de Oosterweg. Voorts heeft de raad toegezegd dat in het kader van de ontwikkeling van deelgebied 3 de mogelijkheid van geluidwerend asfalt op de Oosterweg wordt onderzocht.

19. [appellant sub 1] stelt dat intensief recreatief gebruik van het gebied ten oosten van de spoorlijn ten onrechte ten koste zal gaan van de landbouw. Dit verdraagt zich niet met de landbouwfunctie die aan dat gebied is toegekend.

De Afdeling overweegt dat dit een gevolg is van de keuze van de raad voor dit plan. Na afweging van alle betrokken belangen heeft de raad in redelijkheid de ontwikkelingen in dit plan zwaarwegender kunnen achten dan het behoud van de landbouwfunctie van het gebied ten oosten van de spoorlijn. Het betoogt faalt. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan het bespreken van de vraag of artikel 8:69a van de Awb gedeeltelijk aan de vernietiging van het besluit in de weg staat.

Geluidscherm

20. [appellant sub 1] stelt dat het voorziene geluidscherm langs de spoorlijn Groningen-Assen de openheid van het landschap aantast. Dit is volgens hem in strijd met het LOP en het Integraal Ontwikkelingsplan DHE.

20.1. Ingevolge artikel 28, lid 28.2, van de planregels geldt voor de gronden met de aanduiding "overige-geluidscherm" dat:

a. de ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overig - geluidscherm" aangewezen gronden zijn bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidbelasting vanwege spoorweglawaai op geluidgevoelige objecten;

b. het verboden is om de gronden en bouwwerken in gebruik te nemen zonder realisatie en instandhouding van een geluidscherm ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overig- geluidscherm", waarbij de volgende voorwaarde geldt:

1. De geluidbelasting vanwege spoorweglawaai op geluidgevoelige objecten bedraagt maximaal 55 dB.

20.2. Het plan voorziet derhalve in een regeling voor het oprichten van een geluidscherm binnen het plangebied.

20.3. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met dit plan niet is beoogd om in dit plangebied een geluidscherm op te richten, maar dat dit in een ander plan is voorzien. Het geluidscherm langs het spoor valt volgens de raad dan ook buiten de begrenzing van het plangebied en kan in het kader van dit plan niet aan de orde komen.

20.4. Nu het plan ten onrechte voorziet in een regeling met betrekking tot het oprichten van een geluidscherm, is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. De conclusie is dat de aanduiding "overige-geluidscherm" in samenhang met artikel 28, lid 28.2, onder a en b, van de planregels in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

Landschappelijke waarden en groenvoorzieningen

21. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de in het plan voorziene ontwikkelingen het karakter van het open landschap en de karakteristieke zichtlijnen vanaf de Hondsrug naar het Hunzedal aantasten. [appellant sub 3] stelt dat het behoud van groen en het behoud van recreatieve, openbare ruimte onvoldoende in het plan is gewaarborgd.

21.1. In de plantoelichting is de raad ingegaan op de landschappelijke waarden van het plangebied en de groenvoorzieningen. Het gebied tussen Groningen en Haren is te kenmerken als kleinschalig agrarisch landschap met veel verschillende kenmerken en waardevolle groenstructuren. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is een groenstructuurplan opgesteld. In dat groenstructuurplan is een overzicht gegeven van de belangrijkste elementen van het te behouden groen. Aan de hand daarvan is een onderscheid gemaakt tussen te handhaven groen in zijn huidige vorm, versterking van het groen, een eventueel toe te voegen nieuw element en te verwijderen elementen. Bij een beoogde woningbouwontwikkeling dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de kaders van het groenstructuurplan.

Volgens de plantoelichting is het de ambitie van het stedenbouwkundig plan om een groen woongebied te realiseren. Zo wordt de woonbebouwing in de Esserbuurt op een dorpse kleinschalige wijze gegroepeerd aan korte straten rond groene hofjes, maakt het toepassen van brede groenstructuren de uitstraling van de wijk nog vriendelijker en zorgt dit tevens voor doorzichten naar het open landschap. Om de natuurlijke waarden in het gebied te behouden en te versterken, worden volgens de plantoelichting de groenstructuren zo veel mogelijk gehandhaafd. Ter plaatse van het te handhaven groen, de bestaande houtwallen en de nieuwe groenstructuren zijn in het plan groenbestemmingen toegekend. Voorts is aan waardevolle landschappelijke elementen - onder meer de in de provinciale Omgevingsverordening aangewezen ‘Houtsingels Gorecht’ - de dubbelbestemming "Waarde-Landschap" toegekend. De hiervoor aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de vorm van besloten gebied met houtsingelstructuur. In zoverre volgt hieruit dat de raad het belang bij het handhaven van de aanwezige groenvoorziening, de aanleg van nieuwe groenstructuren en het behoud van landschappelijke waarden in zijn afweging heeft betrokken. Er zijn naar het oordeel van de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het behoud van groen, dan wel de aanleg van nieuwe groenstructuren voldoende in het plan is gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het belang van de in het plan voorziene ontwikkelingen in redelijkheid niet zwaarwegender heeft kunnen achten dan het belang dat is gediend bij het behoud van het open landschap, de zichtlijnen, dan wel het behoud van groen en recreatieve openbare ruimte.

Natuurwaarden, flora en fauna

22. Stichting CRGH en [appellant sub 1] stellen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met aanwezige natuurwaarden. [appellant sub 1] stelt dat in het plangebied beschermde dieren voorkomen zoals, vleermuizen, steenmarters en uilen en dat ten noorden van de Grootslaan een diverse vogelpopulatie voorkomt, van ooievaar tot grutto en patrijs. Ook wordt volgen hem de leefomgeving van wild, zoals de vos, de haas en de ree verder teruggedrongen. Volgens de stichting CRGH maakt het gebied onderdeel uit van een leefgebied van dassen.

[appellant sub 1] stelt dat de raad zich ten onrechte alleen beperkt tot het aanvragen van ontheffingen ingevolge de Flora en faunawet (hierna: Ffw).

22.1. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met de aanwezige natuurwaarden. Aan de hand van de conclusies uit ecologische onderzoeken stelt de raad zich op het standpunt dat het plan met de benodigde ontheffingen ingevolge de Ffw en de geadviseerd mitigerende maatregelen, uitvoerbaar is.

22.2. De bescherming van diersoorten is geregeld in de Ffw. In het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan kan dit aspect uitsluitend een rol spelen in verband met de uitvoerbaarheid van het plan. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Ten behoeve van het plan is ecologisch onderzoek, Flora en faunatoets Dilgt, Hemmen en Essen deelgebied 5&6, uitgevoerd dat is weergegeven in het ecologisch rapport van DHV, van oktober 2011 (hierna: ecologisch rapport DHV) en het rapport "Aanvullende ecologische toetsing Haren Noord deelgebied 5&6", van Royal Haskoning DHV, van 16 december 2012 (hierna: aanvullende ecologische toets). Dit onderzoek is als bijlage 2.1 bij de plantoelichting gevoegd.

In de aanvullende ecologisch toets is onderzoek gedaan naar vleermuizen. In deelgebied 5 zijn geen vleermuizen waargenomen en in deelgebied 6 zijn de Gewone dwergvleermuis, de Laatvlieger en de Rosse vleermuis waargenomen. Er zijn aanbevelingen gedaan om de functie als foerageergebied en verblijfplaats voor vleermuizen te behouden. In de plantoelichting zijn deze aanbevelingen overgenomen. Zo zullen de groenstructuren zoveel mogelijk behouden blijven om de functie als foerageergebied te waarborgen en kan het mogelijke verlies van het foerageergebied in het zuidelijke deel van deelgebied 6 gemitigeerd worden door in het noordelijke deel van deelgebied 6 en in deelgebied 5 nieuw foerageergebied te realiseren. Voorts zal een nieuwe verblijfplaats worden gerealiseerd in de vorm van een vleermuistoren ten behoeve van het wegvallen van de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Het strekt tot aanbeveling om voor het uitvoeren van de werkzaamheden een ontheffing aan te vragen in het kader van de Ffw om daarmee te toetsen of de maatregelen afdoende zijn. Voor het verlies van de verblijfplaats in de Lusthoeve is een ontheffing in het kader van de Ffw noodzakelijk, aldus de plantoelichting.

Voorts is onderzoek verricht naar (broed)vogels. In deelgebied 6 zijn sporen van een kerkuil gevonden en een aantal broedvogels. Voor de kerkuil wordt aanbevolen om muizenrijke groenstroken langs de randen van het gebied te realiseren en voor de overige vogels geldt dat geen verstoring mag plaatsvinden tijdens het broedseizoen, dat de werkzaamheden gefaseerd dienen te worden uitgevoerd, dat nachtelijke activiteiten dienen te worden beperkt en lichtmasten naar beneden moeten zijn gericht en dat vooraf potentieel nieuw leefgebied wordt gecreëerd door het gefaseerd uitvoeren van de ontwikkeling. De raad is in de plantoelichting op deze aanbevelingen ingegaan.

Volgens paragraaf 5.4 van de aanvullende ecologische toets worden er op basis van beschikbare onderzoeksgegevens en het veldbezoek geen "zwaar beschermde grondgebonden zoogdieren" verwacht in het plangebied. Wel zullen er "algemene grondgebonden zoogdieren" voorkomen in het plangebied en zal de steenmarter gebruik kunnen maken van het plangebied om te foerageren. Sporen van een verblijfplaats van deze soort zijn in deelgebied 5 uitgesloten, omdat het geen gebouwen of grote bomen omvat en in deelgebied 6 zijn sporen van verblijfplaatsen niet waargenomen.

De stichting CRGH heeft geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse dassen bevinden. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld dassen waarneemt, acht de Afdeling in dit verband onvoldoende.

22.3. [appellant sub 1] en stichting CRGH hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verrichte ecologische onderzoeken zodanige gebreken of leemten vertonen dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren.

In hetgeen [appellant sub 1] en stichting CRGH hebben aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad zich op basis van het verrichte ecologisch onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt

Duurzame ontwikkeling

23. [appellant sub 1] stelt dat het plan onvoldoende voorziet in een duurzame ontwikkeling en dat in het plan ten onrechte geen invulling wordt gegeven aan de nota Klimaatbeleid 2009-2015, zodat geen garantie in het plan is opgenomen met betrekking tot een duurzame ontwikkeling.

23.1. Het bestemmingsplan laat volgens de raad weinig ruimte voor het voorschrijven van duurzame bebouwings- of gebruiksregels. De Wro biedt daarvoor volgens de raad geen ruimte. Het plan is ook niet in strijd met beleid of beleidsnota’s van de gemeente Haren, waarin zou staan dat in bestemmingsplannen klimaatneutrale maatregelen of planregels worden opgenomen.

23.2. Op blz. 14 van de plantoelichting staat beschreven op welke manier in dit plan rekening is gehouden met duurzaamheid. Zo is waar mogelijk rekening gehouden met zongericht verkavelen. Het plan is grotendeels in oost-westelijke richting opgezet. De voor- of achterzijden van de woningen zijn daardoor op het zuiden gericht. Daarnaast is zoveel mogelijk rekening gehouden met de schaduwwerking van bestaande bomen. Door hier rekening mee te houden, kan energiebesparing worden behaald door het toepassen van een groot oppervlak aan glas of door het aanbrengen van zonnepanelen. In zoverre mist het beroep van [appellant sub 1] feitelijke grondslag.

24. [appellant sub 1] stelt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een goede oplossing voor de Landelijke rijvereniging ‘De Blauwe Ruiters’ waar hij lid van is.

24.1. De raad stelt dat de huur van de betreffende locatie waar de rijvereniging was gevestigd, zonder dat dit discussie heeft opgeleverd met de rijvereniging, rechtmatig is opgezegd. Dit is door [appellant sub 1] niet weersproken.

In zoverre heeft [appellant sub 1] geen belang meer bij een bespreking van deze beroepsgrond.

25. [appellant sub 1] stelt dat de publieke belangen ondergeschikt zijn gemaakt aan economische belangen van de GEM, omdat de gemeente met betrekking tot de inrichting van het plangebied een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan met private partijen. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren in dit kader aan dat de ruimtelijke keuzes zijn ingegeven door financiële overwegingen en niet zijn gemaakt op grond van een goede ruimtelijke ordening.

[appellant sub 6] voert aan dat het niet duidelijk is of het plan economisch uitvoerbaar is. Hij wijst erop dat de stukken onvoldoende inzicht geven in de kosten, het bouwprogramma, de grondexploitieovereenkomst en of diverse partijen nog aan contractuele verplichtingen kunnen voldoen. Om deze redenen is onvoldoende inzicht geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan, aldus [appellant sub 6].

25.1. Een publiek-privaat partnerschap is in Nederland volgens de raad normaal als het gaat om de ontwikkeling en inrichting van bijvoorbeeld woningbouwlocaties. Het enkele feit dat een samenwerkingsovereenkomst is gesloten, betekent dan ook niet dat daarom sprake zou zijn van strijd met een goede ruimtelijke ordening. In de samenwerkingsovereenkomst is expliciet de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente vastgelegd. Voorts houdt de raad, blijkens het raadsbesluit van 18 december 2006, de regie op de ruimtelijke beleidskaders, aldus de raad.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het plan economisch uitvoerbaar is.

25.2. De raad heeft samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de GEM, met Heijmans Vastgoed en met Geveke Ontwikkeling. In deze overeenkomsten is onder meer vastgelegd dat de gemeente, Geveke en Heijmans gronden aan de GEM verkopen en welke prijs hiervoor moet worden betaald. Voorts is daarin vastgelegd dat derden-ontwikkelaars zoveel mogelijk een zelfde financiële bijdrage leveren aan de voorzieningen binnen het exploitatiegebied. Het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst brengt met zich dat het kostenverhaal van de grondexploitatie is verzekerd. In zoverre heeft de raad het kostenverhaal inzichtelijk gemaakt. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd is naar het oordeel van de Afdeling in zoverre geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat de raad onvoldoende inzicht heeft geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan, dan wel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

Voorts staat in artikel 32.1 van de samenwerkingsovereenkomst met de GEM nadrukkelijk dat het in deze overeenkomst bepaalde de publiekrechtelijke positie, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de gemeente onverlet laat, onverminderd het in de samenwerkingsovereenkomst bepaalde met betrekking tot publiekrechtelijke medewerking van de gemeente. Hoewel de raad geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat de overeenkomst strijd met de Wro oplevert, heeft hij zekerheidshalve een bepaling opgenomen om te waarborgen dat hij zichzelf rekenschap geeft van zijn publiekrechtelijke positie.

In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 6] hebben aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de ruimtelijke keuzes van de raad zijn ingegeven door financiële overwegingen en niet zijn gemaakt op grond van een goede ruimtelijke ordening.

26. [appellant sub 4] heeft zich in zijn beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van alle overige beroepschriften. Gelet op de algemene strekking van zijn beroepschrift op dit punt overweegt de Afdeling dat het beroep in zoverre zo moet worden gelezen dat dit als een adhesiebetuiging dient te worden aangemerkt.

Besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

27. [appellant sub 3] stelt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld, omdat bij het besluit tot vaststelling van het plan alsnog is voorzien in een fasering van de uitvoering. Daarnaast is bepaald dat de fasering kan worden aangepast door tussenkomst van het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) en is het onduidelijk welke maatstaven daarvoor gelden, terwijl het plan zelf geen regeling bevat voor de fasering. Nu het onzeker is of de GEM bereid is in de exploitatieopzet alsnog een fasering op te nemen, is een gefaseerde uitvoering volgens [appellant sub 3] niet verzekerd.

27.1. De raad stelt dat hij bij de vaststelling van het plan heeft uitgesproken dat een soort van fasering zou moeten plaatsvinden. De uitvoering van die faseringsregeling is opgedragen aan de GEM en het college. Deze regeling moet worden opgenomen in de exploitatieopzet en aanpassing van de fasering is mogelijk door tussenkomst van het college. De raad stelt dat hij door ongewijzigde vaststelling van het plan en het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een afdwingbare faseringsregeling als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 5°, van de Wro. De toezegging van het college om via de exploitatieopzet van de GEM zorg te dragen voor de door de gemeenteraad gewenste fasering, acht de raad voldoende.

27.2. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de raad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorzien.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan de raad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien:

a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en:

c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

27.3. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de keuze om een fasering te bepalen of eisen en regels te stellen, zeker wanneer niet is gebleken dat een exploitatieplan uit een oogpunt van kostenverhaal noodzakelijk is, beleidsvrijheid toekomt.

27.4. Blijkens het vaststellingsbesluit heeft de raad besloten om het bestemmingsplan vast te stellen onder de voorwaarde dat de uitvoering van het bestemmingsplan wordt gefaseerd, deze fasering op te nemen in de exploitatieopzet van de GEM en dat eventuele aanpassing van de fasering geschiedt door tussenkomst van het college.

27.5. De raad heeft evenwel niet inzichtelijk gemaakt dat een gefaseerde uitvoering is verzekerd. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele toezegging van het college om door middel van de exploitatieopzet van de GEM zorg te dragen voor de door de raad gewenste fasering volstaat nu met deze toezegging een gefaseerde uitvoering onvoldoende is gewaarborgd.

Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de in het vaststellingsbesluit opgenomen voorwaarde dat uitvoering van het bestemmingsplan wordt gefaseerd en het niet waarborgen van die voorwaarde is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Bestuurlijke lus

28. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen zestien weken het onder 27.5 genoemde gebrek in het bestreden besluit te herstellen, zodat in dit geval, gelet op de belangen van [appellant sub 3], de gefaseerde uitvoering wordt opgenomen in een exploitatieplan en daarmee de door de raad gewenste gefaseerde uitvoering is gewaarborgd.

29. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Haren op om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak:

1. met inachtneming van overweging 28 het in overweging 27.5 geconstateerde gebrek te herstellen;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, ambtenaar van staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

w.g. Heinen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2014

632.