Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201309263/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309263/1/V1.

Datum uitspraak: 18 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 september 2013 in zaak nr. 13/17182 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 19 maart 2013 (hierna: het BMA-advies), nu niet inzichtelijk is dat het uitvoeren van resistentietesten geen wezenlijk onderdeel is van de vereiste medische behandeling van de vreemdeling. De staatssecretaris voert daartoe aan, onder verwijzing naar zijn hogerberoepschrift in zaak nr. 201306475/1/V1, de in die zaak uitgebrachte nadere reactie van het BMA van 5 december 2012 (hierna: de nadere reactie) en de bijlage bij de interne richtlijn HIV en aids van het BMA van oktober 2007 (hierna: de bijlage), dat het niet in alle fasen van de behandeling van HIV-patiënten noodzakelijk is deze testen uit te voeren. Voorts is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat het BMA is uitgegaan van de specifieke situatie van de vreemdeling en heeft moeten bezien of het uitblijven van behandeling binnen drie maanden tot een medische noodsituatie leidt. De staatssecretaris voert verder aan dat over de noodzaak van het uitvoeren van resistentietesten in de medische wereld geen consensus bestaat, dat die testen - anders dan de zogeheten CD4- en viral load bepaling - uitsluitend op indicatie worden uitgevoerd en dat die indicatie in dit geval ontbreekt.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

1.2. Het BMA-advies vermeldt dat de vreemdeling voor haar HIV-infectie onder behandeling staat van een internist, waarbij CD4- en viral load-bepaling plaatsvindt. Over het al dan niet uitvoeren van resistentietesten en de noodzaak daarvan vermeldt het BMA-advies niets. Gelet op de beschikbare informatie over de therapiemogelijkheden in Nigeria is behandeling aldaar, in medisch-technische zin, van de klachten van de vreemdeling aanwezig. Voorts vermeldt het BMA-advies dat niet is uit te sluiten dat het uitblijven van behandeling van de vreemdeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Bij de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hetgeen de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, hierover heeft overwogen in de uitspraak van 20 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4994. De in die zaak door voormelde rechtbank en zittingsplaats benoemde deskundige (hierna: de deskundige) heeft verklaard dat het uitvoeren van resistentietesten een wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van HIV-patiënten en dat dit even belangrijk is als CD4- en viral load-bepaling, waarmee wordt vastgesteld of de gebruikte medicijnen werken. Met het uitvoeren van een resistentietest wordt bepaald op welke combinatie van medicijnen de desbetreffende HIV-patiënt moet overstappen, indien blijkt dat de huidige medicijnen niet werken. Indien deze overstapt op andere medicijnen, zonder dat bekend is voor welke medicijnen hij resistent is, kan dat volgens de deskundige leiden tot verdere ontwikkeling van het virus en tot kruisresistentie, hetgeen betekent dat een groep medicijnen niet meer bruikbaar is. Wanneer resistentie optreedt, is onvoorspelbaar en afhankelijk van verschillende factoren. Zo luistert de inname van medicijnen bij HIV-patiënten heel nauw. Indien zij gedurende enkele dagen geen medicijnen slikken of deze niet kunnen binnenhouden, kan resistentie optreden, aldus de deskundige. De bijlage vermeldt, onder verwijzing naar onder meer het "Clinical Protocol for the WHO European Region", dat de meeste HIV-patiënten goed zijn ingesteld op hun medicatie, hetgeen betekent dat wijziging daarin en het uitvoeren van resistentietesten in die gevallen niet noodzakelijk is. In de nadere reactie heeft het BMA dit standpunt, onder verwijzing naar voormeld stuk, het "WHO HIV drug resistance fact sheet" en informatie van de Hiv Vereniging Nederland, nader toegelicht.

1.3. De rechtbank heeft de staatssecretaris niet gevolgd in zijn betoog dat het niet in alle fasen van de behandeling van HIV-patiënten noodzakelijk is resistentietesten uit te voeren, omdat dit niet valt te rijmen met het standpunt van het BMA dat CD4- en viral load-bepaling wél in alle gevallen noodzakelijk is. De rechtbank heeft hierbij het door het BMA onderschreven standpunt van de deskundige in aanmerking genomen dat onvoorspelbaar is wanneer resistentie optreedt. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de staatssecretaris het standpunt van de deskundige over de noodzaak van het uitvoeren van resistentietesten niet gemotiveerd heeft betwist, dat uit een brief van de behandelend arts van de vreemdeling van 8 april 2013 (hierna: de brief van 8 april 2013) volgt dat het uitvoeren van resistentiestesten onderdeel is van haar behandeling en dat het BMA-advies hierover niets vermeldt.

1.4. Hoewel het uitvoeren van resistentietesten volgens de deskundige een wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van HIV-patiënten, betoogt de staatssecretaris terecht, onder verwijzing naar de onder 1.2 vermelde stukken, dat hierover in de medische wereld geen consensus bestaat. Daarnaast betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat het BMA is uitgegaan van de specifieke situatie van de vreemdeling en een beperkte periode van drie maanden in ogenschouw heeft genomen. Dit klemt temeer nu uit het BMA-advies niet blijkt dat in de rede ligt dat de vreemdeling binnen de door het BMA in aanmerking genomen periode een resistentietest moet ondergaan en - anders dan de rechtbank heeft overwogen - uit de brief van 8 april 2013 niet volgt dat het uitvoeren van resistentietesten thans onderdeel is van de behandeling van de vreemdeling. De rechtbank heeft de onder 1.3 bedoelde standpunten van het BMA ongerijmd geacht omdat zowel CD4- en viral load-bepaling als het uitvoeren van een resistentietest plaatsvindt indien de gebruikte medicatie op enig moment niet meer aanslaat. Deze enkele overeenkomst is echter onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris erop heeft gewezen dat CD4- en viral load-bepaling verschillende keren per jaar plaatsvindt, terwijl een resistentietest slechts wordt uitgevoerd indien dat is geïndiceerd. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat, nu niet inzichtelijk is dat het uitvoeren van resistentietesten geen wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van de vreemdeling, de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het BMA-advies. De grief slaagt.

2. De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet inzichtelijk is dat schriftelijke overdracht van de medische gegevens van de vreemdeling of fysieke overdracht aan een behandelaar of medische instelling in Nigeria niet noodzakelijk is. Dat een eerder ten aanzien van de vreemdeling uitgebracht BMA-advies van 24 maart 2010 (hierna: het advies van 24 maart 2010) op dit punt anders luidt, betekent volgens de staatssecretaris niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van het BMA-advies, te minder nu de vreemdeling geen medische gegevens heeft overgelegd ter staving van haar stelling dat haar medische situatie is verslechterd na de totstandkoming van het eerdere BMA-advies. Voorts voert de staatssecretaris aan dat het BMA elke zaak beoordeelt op zijn eigen merites en dat zich in de zaken waarnaar de vreemdeling in beroep heeft verwezen, bijzondere medische omstandigheden voordeden die noopten tot fysieke overdracht.

2.1. Het BMA-advies vermeldt in antwoord op de vraag of de vreemdeling kan reizen en of vooraf, tijdens en/of direct na de reis medische voorwaarden gelden, dat deze in staat is te reizen met gangbare vervoermiddelen, maar dat zij tijdens de reis wel haar medicijnen moet kunnen innemen. Verder vermeldt het BMA-advies dat reizen is af te raden in de periode van zes weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum tot zes weken na de daadwerkelijke bevallingsdatum. Het BMA heeft in het advies van 24 maart 2010 geadviseerd dat na de reis van de vreemdeling naar Nigeria schriftelijke overdracht van de medische gegevens plaatsvindt. De rechtbank heeft, naast laatstvermeld advies, in aanmerking genomen dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, in de in 1.2 vermelde uitspraak van 20 juni 2013 heeft overwogen dat de door haar geraadpleegde artsen geen medisch relevante verschillen hebben gevonden tussen die zaak en de zaken waarnaar de desbetreffende vreemdeling heeft verwezen.

2.2. De rechtbank heeft in de enkele omstandigheid dat het BMA in het advies van 24 maart 2010 en in andere zaken het hier bedoelde reisvereiste heeft gesteld, ten onrechte grond gevonden voor het in de grief bestreden oordeel. De staatssecretaris wijst er in dit verband terecht op dat het BMA elke zaak beoordeelt op zijn eigen merites - hetgeen in dit geval gelet op de inhoud van het BMA-advies ook is gebeurd - en dat de vreemdeling niet met het overleggen van medische gegevens heeft gestaafd dat schriftelijke overdracht van haar medische gegevens of fysieke overdracht noodzakelijk is. Daar komt bij dat het BMA in de nadere reactie heeft toegelicht dat een van de door de vreemdeling bedoelde zaken berust op een kennelijke misslag en wat de mogelijke oorzaken zijn van verschillen in de advisering. De grief slaagt.

3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen klaagt de staatssecretaris in zijn derde grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door de vreemdeling tegen het besluit van 2 mei 2013 gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond is en hij dus terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het inleidend beroep ongegrond verklaard. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 26 juni 2013 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 september 2013 in zaak nr. 13/17182;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014

670.