Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:68

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201305681/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonzorgvoorziening Adullam Genemuiden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/985
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305681/1/R1.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,

en

1. de raad van de gemeente Zwartewaterland,

2. het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonzorgvoorziening Adullam Genemuiden" vastgesteld.

Bij besluit van 17 mei 2013 heeft het college aan de stichting Stichting Adullam voor Gehandicaptenzorg (hierna: de Stichting) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woonzorgcentrum aan de Krommesteeg te Genemuiden.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De Stichting heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar de raad en het college, beide vertegenwoordigd door A.J. Boers en M. Pot, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Stichting, vertegenwoordigd door A.J. van Ommeren, als partij gehoord.

Overwegingen

1. De besluiten van 16 mei 2013 en 17 mei 2013 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Het plan

2. Het plan voorziet in een woonzorgcentrum aan de zuidelijke stadsrand van de kern Genemuiden. Het centrum zal ruimte bieden aan 30 wooneenheden en twee bijzondere eenheden met bijbehorende voorzieningen en een dagbesteding voor 25 personen. De totale oppervlakte van het woonzorgcentrum zal ongeveer 3.250 m² bedragen.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Het beroep van [appellant] en anderen is allereerst gericht tegen het bestemmingsplan. Zij voeren aan dat de behoefte aan het woonzorgcentrum onvoldoende is aangetoond en dat ook in het verleden geen concrete plannen aanwezig waren voor de bouw van dit centrum. Volgens hen is sprake geweest van vooringenomenheid bij de raad, nu het enige gemeentelijke belang is te zorgen voor de eigen grondexploitatie.

4.1. In de plantoelichting staat vermeld dat de in het plan voorziene woningen huisvesting zullen bieden aan mensen met een intensieve zorgvraag. De Stichting heeft in haar schriftelijke uiteenzetting gesteld dat zij voor deze doelgroep een landelijke wachtlijst heeft van 66 personen, terwijl op dit moment met 84 zorgplaatsen aan deze doelgroep zorg wordt geboden. In Genemuiden is thans een tijdelijke voorziening in gebruik met zestien plaatsen. Deze bewoners zullen in het plangebied worden ondergebracht. De overige veertien woningen zullen plaats bieden aan personen die op de landelijke wachtlijst staan, aldus de Stichting. Ter zitting is door de Stichting toegelicht dat inmiddels aan dertien personen op de landelijke wachtlijst de toezegging is gedaan tot plaatsing in het voorziene woonzorgcentrum en dat nog zeven concrete verzoeken tot plaatsing in behandeling zijn. Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan het voorziene woonzorgcentrum.

4.2. Ter zitting is door de raad verder verklaard dat de gemeente Zwartewaterland de gronden in het plangebied voor vaststelling van het plan heeft doorverkocht aan de Stichting. De Afdeling is onder verwijzing naar haar uitspraak van 30 maart 2012, zaak nr. 201004275/1/T1/R4, van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de gemeente in het verleden eigenaar was van de gronden in het plangebied, en derhalve mogelijk een financieel belang had bij de verwezenlijking van het plan, niet betekent dat daarom vooringenomenheid moet worden aangenomen.

5. Voorts betogen [appellant] en anderen dat de bouw van een woonzorgcentrum in strijd is met de uitgangspunten van de op 7 juli 2005 door de raad vastgestelde structuurvisie "Structuurvisie Zicht op Zwartewaterland 2005-2020" (hierna: de Structuurvisie) en de in december 2011 door het college vastgestelde visie "Stadsrandvisie Genemuiden" (hierna: de Stadsrandvisie), nu in beide visies wordt uitgegaan van woningbouw in het plangebied. Voorts heeft de raad niet gemotiveerd op welke wijze het woonzorgcentrum past binnen de gewenste toekomstige ontwikkeling van het gebied ‘Binnenlanden’.

5.1. De Afdeling stelt vast dat in de Stadsrandvisie wordt uitgegaan van de bouw van een woonzorgcentrum op de desbetreffende locatie, zodat het beroep van [appellant] en anderen in zoverre feitelijke grondslag mist.

5.2. In de Structuurvisie staat dat het gebied ‘Binnenveld’, waarbinnen het plangebied ligt, is aangewezen voor woningbouw. De Afdeling overweegt dat het realiseren van het woonzorgcentrum ter plaatse hier niet mee in overeenstemming is. Van de zijde van de raad is uiteengezet dat de woningbouwambities voor het gebied ‘Binnenveld’ de komende jaren niet gerealiseerd kunnen worden vanwege de gevolgen van de economische crisis. Om die reden is volgens de raad gekozen voor een stedenbouwkundige opzet die voor de huidige situatie passend is, maar ook in de toekomstige situatie als het gebied ‘Binnenveld’ verder wordt bebouwd. In de plantoelichting wordt verder ingegaan op de stedenbouwkundige inpassing van woonzorgcentrum in de omgeving in zowel de situatie dat het gebied ‘Binnenveld’ wordt ontwikkeld als dat het gebied voorlopig niet wordt ontwikkeld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad vorenbedoelde argumenten in redelijkheid kunnen betrekken bij de vraag of aanleiding bestond van de Structuurvisie af te wijken. In het hiernavolgende zal de Afdeling bezien of de raad in redelijkheid van de Structuurvisie heeft kunnen afwijken.

6. [appellant] en anderen betogen voorts dat alternatieve locaties aanwezig zijn waar het woonzorgcentrum kan worden gerealiseerd, maar dat hier onvoldoende onderzoek naar is gedaan. Zij wijzen hierbij op het perceel Krommesteeg 1, de hoek van de Krommesteeg / Randweg, de andere kant van de bestaande groenstrook / wandelroute en het opschuiven van het bouwperceel door verlegging van de gasleiding. Volgens hen lag reeds in 2011 vast dat het woonzorgcentrum in het plangebied gerealiseerd zou worden, nu tussen de gemeente en de Stichting een principeovereenkomst was gesloten.

6.1. Uit de plantoelichting volgt dat ten behoeve van de locatiekeuze door de raad en de Stichting een aantal randvoorwaarden is opgesteld. Op grond van deze randvoorwaarden zijn verschillende locaties verder onderzocht. Uit de plantoelichting volgt dat is gekozen voor het plangebied, omdat deze locatie het beste voldoet aan de opgestelde randvoorwaarden. Uit stedenbouwkundig oogpunt is de onderhavige locatie het meest geschikt en daarnaast is een goede integratie mogelijk met de nabijgelegen woonwijk en het woonservicegebied, zo staat in de plantoelichting vermeld.

6.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid niet voor één van de vier door [appellant] en anderen aangedragen alternatieve locaties voor het woonzorgcentrum hoeven te kiezen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het rapport "Stedenbouwkundig plan Woonzorgvoorziening Adullam" dat op 12 januari 2012 door de raad is vastgesteld (hierna: het alternatievenonderzoek) deze alternatieve locaties zijn bekeken en beoordeeld. Uit dit onderzoek volgt dat de locatie in de boerderij op het perceel Krommesteeg 1 onder meer te dicht in de buurt ligt van de drukke Randweg, die veel verkeerslawaai veroorzaakt, terwijl bewoners van het woonzorgcentrum volgens de Stichting juist in een prikkelarme omgeving moeten leven. De locatie op de hoek Krommesteeg / Randweg ligt volgens het alternatievenonderzoek eveneens te dicht bij de Randweg, zodat dit eveneens geen prikkelarme omgeving betreft, en ligt te ver van bestaande bebouwing. Ook het verleggen van het woonzorgcentrum richting de andere kant van de bestaande groenstrook / wandelroute voorziet in bebouwing te ver weg van bestaande bebouwing en beperkt de mogelijkheden voor een verdere verkaveling van het gebied. Ten slotte zal het verleggen van de gasleiding te kostbaar zijn, aldus het alternatievenonderzoek.

Gelet op het voorgaande heeft de raad de voor- en nadelen van de door de [appellant] en anderen voorgestelde alternatieven in zijn afweging meegenomen, zodat de Afdeling van oordeel is dat voldoende onderzoek naar alternatieve locaties heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat in 2011 tussen de gemeente en de Stichting een principeovereenkomst is gesloten over het realiseren van het woonzorgcentrum in het plangebied maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat het alternatievenonderzoek niet meer van belang is geweest in de planprocedure. Daarbij is van belang dat de koopovereenkomst van de gronden in het plangebied pas in 2013 is ondertekend en het alternatievenonderzoek in 2012 is opgesteld.

7. [appellant] en anderen voeren verder aan dat het plan hun woon- en leefklimaat aantast. In dit verband wijzen zij op de negatieve gevolgen die het plan zal hebben voor de bezonningssituatie ter plaatse van hun woningen en de inkijk in hun woningen waardoor hun privacy ernstig zal worden aangetast. Verder vrezen zij voor een waardevermindering van hun woningen. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat de negatieve gevolgen van het plan op hun woongenot zouden kunnen worden beperkt door enkele stedenbouwkundige aanpassingen, zoals het verschuiven van de bebouwing naar het zuiden of het verplaatsen van de bebouwing richting de Krommesteeg.

7.1. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden in het plangebied de bestemming "Maatschappelijk - Zorginstelling" met de aanduidingen "maximale bouwhoogte 7 m" en "maximale bouwhoogte 13 m" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Zorginstelling" bestemd voor onder meer woon-zorgvoorzieningen, met al dan niet zelfstandige huisvesting en/of verzorging van zorgbehoevenden, bijzondere woonvormen, maatschappelijke voorzieningen en met bijbehorende voorzieningen op het gebied van zorg en verpleging.

Ingevolge lid 4.2.2 geldt voor het bouwen van gebouwen dat de hoogte van de gebouwen maximaal de ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" aangegeven bouwhoogte mag zijn.

Blijkens de verbeelding in samenhang gelezen met lid 4.2.2, onder d, zijn de maximale bouwhoogtes van de voorziene gebouwen 7 en 13 m.

7.2. De woningen van [appellant] en anderen bevinden zich op de [9 percelen]. De afstand tussen het bouwvlak van het plandeel "Maatschappelijk - Zorginstelling" met de aanduiding "maximale bouwhoogte 7 m" en de dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen bedraagt blijkens de verbeelding ongeveer 50 m. De afstand tussen het bouwvlak van het plandeel "Maatschappelijk - Zorginstelling" met de aanduiding "maximale bouwhoogte 13 m" en de dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen bedraagt blijkens de verbeelding ongeveer 65 m.

7.3. Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op stedenbouwkundige aanpassingen, zoals het verschuiven van de bebouwing naar het zuiden of het verplaatsen van de bebouwing richting de Krommesteeg, waardoor de gestelde negatieve gevolgen van het plan op hun woongenot zouden worden beperkt, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is door de raad toegelicht dat verplaatsing van de gebouwen naar het zuiden niet mogelijk is vanwege de aanwezigheid van een gasleiding en dat een verschuiving van de gebouwen richting de Krommesteeg zorgt voor een onpraktische indeling van het perceel en tot gevolg heeft dat andere bewoners van de Prins Clausstraat geconfronteerd worden met extra bebouwing. Gelet hierop heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen de door [appellant] en anderen voorgestelde stedenbouwkundige aanpassingen niet over te nemen.

7.4. De Afdeling overweegt voorts dat enige aantasting van de privacy van [appellant] en anderen, gelet op het feit dat de gronden in het plangebied thans geheel onbebouwd zijn, niet uit te sluiten is. In dit verband wordt echter van belang geacht dat de woningen van [appellant] en anderen op een afstand van minimaal 50 m staan ten opzichte van het dichtstbijzijnde voorziene dagbestedingsgebouw.

Verder volgt uit het door de gemeente opgestelde rapport "Bezonningsstudie Adullam Genemuiden" van 4 april 2013 dat het plan uitsluitend in de maanden november, december en januari voor een aantal woningen aan de Prins Clausstraat in het begin van de ochtend en aan het einde van de middag enige schaduwwerking zal veroorzaken, maar dat in de overige periodes van het jaar realisering van het plan geen schaduwwerking tot gevolg heeft voor de woningen van [appellant] en anderen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige aantasting van de bezonningssituatie van de woningen van [appellant] en anderen.

7.5. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

8. Voorts is volgens [appellant] en anderen onvoldoende onderzoek verricht naar de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan en de parkeersituatie.

8.1. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de gevolgen voor het verkeer en de parkeersituatie. Uit de plantoelichting volgt dat het plan ongeveer 130 motorvoertuigen per etmaal tot gevolg zal hebben. De verkeersbewegingen zullen grotendeels langs de Randweg en de Krommesteeg worden afgewikkeld. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat over de Randweg 4500 tot 6000 gemotoriseerde verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden en over de Krommesteeg 3000. Niet is gebleken dat de Randweg of de Krommesteeg niet de capaciteit hebben om de toename van verkeersbewegingen als gevolg van het voorziene woonzorgcentrum te verwerken. Ter zitting heeft de raad voorts toegelicht dat het plangebied aan de zuidkant is ontsloten om de overlast voor omwonenden zo veel mogelijk te beperken en dat het derhalve niet voor de hand ligt dat er verkeer zal zijn dat een route zoekt door de Prins Clausstraat. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen negatieve gevolgen zal hebben voor de verkeerssituatie ter plaatse en dat hier geen verder onderzoek naar behoefde plaats te vinden.

8.2. In de plantoelichting staat verder vermeld dat binnen het plangebied 35 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Volgens de CROW-normen zijn per zorgwoning 0,7 parkeerplaatsen nodig, zodat ten behoeve van het bestemmingsplan waarmee wordt voorzien in 30 zorgwoningen, 21 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Hierbij is het uitgangspunt dat de bewoners een dermate beperking hebben dat zij niet over een auto beschikken en dat de parkeerplaatsen bedoeld zijn voor bezoekers en personeel. Voor de overige voorzieningen in het woonzorgcentrum zijn veertien parkeerplaatsen beschikbaar. De raad heeft uiteengezet dat de personen die gebruik maken van deze voorzieningen eveneens niet zelf per auto naar het centrum kunnen komen en dat deze parkeerplaatsen ook voornamelijk door personeel en bezoekers zullen worden gebruikt. Door de Stichting is verder uiteengezet dat op piekmomenten ongeveer 28 tot 30 personeelsleden aanwezig zijn. Wat betreft bezoekers worden tijdens kantoortijden, winkeltijden en in de avonden maximaal drie tot vijf auto’s op hetzelfde tijdstip verwacht.

Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan voorziet in onvoldoende parkeervoorzieningen ten behoeve van het woonzorgcentrum.

9. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat ten onrechte geen onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit heeft plaatsgevonden. Volgens hen behoren de functies die zijn toegestaan op grond van de bestemming "Maatschappelijk - Zorginstelling" niet tot de categorieën van gevallen zoals opgenomen in de Regeling niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) (hierna: Regeling NIBM).

9.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.

Ingevolge het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit NIBM) draagt, met ingang van het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide (NO2) niet de 3%-grens overschrijdt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit NIBM kunnen bij ministeriële regeling categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt.

9.2. Krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 4 van het Besluit NIBM zijn in bijlage 3A van de Regeling NIBM categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Als categorieën van gevallen zijn onder meer aangewezen:

- kantoorlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een brutovloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 omvat;

- woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat.

9.3. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het woonzorgcentrum bestaat uit een mix van wonen en dienstverlenende functies en dat dit centrum gelijk kan worden gesteld met de categorieën woningbouw en kantoren uit de Regeling NIBM. De Afdeling acht dit niet onjuist. Nu het bestemmingsplan slechts 30 woningen mogelijk maakt en maximaal enkele duizenden vierkante meters zorgfuncties toestaat, overweegt de Afdeling dat dit plan ruimschoots binnen de grenzen blijft van maximaal 1500 woningen of 100.000 m2 kantoren als genoemd in de Regeling NIBM. Verder heeft de raad een berekening overgelegd die is gemaakt met de NIBM-tool. Deze rekentool is door het toenmalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in samenwerking met InfoMil ontwikkeld voor kleine ruimtelijke plannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit om te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Uit de door de raad overgelegde berekening volgt dat de concentratie stikstofdioxide (NO2) als gevolg van de toename van 130 verkeersbewegingen met 0,11 µg/m³ toeneemt. De concentratie zwevende deeltjes (PM10) neemt met 0,03 µg/m³ toe. Beide toenamen zijn minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en heeft de raad geen aanleiding hoeven zien voor een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit.

10. Verder kunnen [appellant] en anderen zich niet verenigen met de mogelijkheid in het plangebied evenementen te organiseren, nu naar de gevolgen van deze evenementen voor de omwonenden volgens hen ten onrechte geen onderzoek is gedaan. Volgens hen zijn evenementen bij recht toegestaan en kunnen deze worden gehouden zonder dat daarvoor een vergunning is vereist.

10.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder a, van de planregels wordt onder een strijdig gebruik van de bestemming niet verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend.

10.2. Ter zitting is door de Stichting toegelicht dat het de bedoeling is dat tweemaal per jaar een zogenoemde fair wordt gehouden op het terrein van het woonzorgcentrum. Deze fairs worden georganiseerd door comités van de Stichting en de opbrengst hiervan komt ten goede aan de zorg voor de bewoners. Nu ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder a, van de planregels alleen kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties mogen worden gehouden en het plangebied beperkt van omvang is, wijkt naar het oordeel van de Afdeling het gebruik van het plangebied voor dergelijke kleinschalige evenementen niet dermate af van het normale gebruik dat de raad nader onderzoek naar de gevolgen van deze specifieke vorm van gebruik had moeten te doen.

Voor zover [appellant] en anderen vrezen dat zonder vergunning evenementen kunnen worden gehouden, overweegt de Afdeling dat uit artikel 7, lid 7.2, onder a, van de planregels volgt dat, indien op grond van een wettelijk voorschrift een vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is voor het houden van evenementen, deze moet zijn verleend voordat de evenementen mogen plaatsvinden.

11. Ten slotte betogen [appellant] en anderen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd, nu uit de eerste aanbesteding is gebleken dat de bouwkosten van het woonzorgcentrum hoger uitvallen dan de Stichting heeft begroot.

11.1. De raad heeft verklaard dat de eerste aanbesteding van het project hoger is uitgevallen dan de bouwbegroting en om deze reden is gestaakt. Na nader onderzoek is geconstateerd dat onder meer meervoudige interpretabele omschrijvingen in het bestek hebben geleid tot substantiële dubbele kostenberekeningen. Inmiddels is het bouwplan herzien binnen de kaders van het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunning en is het bouwplan opnieuw aan bouwpartijen ter prijsvorming voorgelegd. De raad heeft verder te kennen gegeven dat is gebleken dat nog steeds een tekort aanwezig is, maar dat dit tekort wordt gedekt door een door de Stichting getroffen voorziening. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat hiervoor onvoldoende financiële middelen voorhanden zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gewaarborgd.

12. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afwijken van de Structuurvisie en kunnen kiezen voor het realiseren van een woonzorgcentrum ter plaatse.

13. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, is ongegrond.

De omgevingsvergunning

14. Het bouwplan voorziet in de realisatie van het woonzorgcentrum met 30 zorgwoningen en bijbehorende voorzieningen.

15. Het beroep van [appellant] en anderen is eveneens gericht tegen de verleende omgevingsvergunning. Zij kunnen zich niet verenigen met het bouwplan. Zij betogen dat het advies van de welstandscommissie niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Volgens hen heeft de welstandscommissie ten onrechte getoetst aan de criteria die in de welstandsnota van de gemeente Zwartewaterland zijn opgenomen voor het deelgebied "Naoorlogse wijken", terwijl het plangebied niet in dit deelgebied is gelegen.

15.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 oktober 2012, zaak nr. 201202738/1/A1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

15.2. De welstandscommissie Het Oversticht heeft op 8 juni 2012 een positief advies uitgebracht over het bouwplan. [appellant] en anderen hebben geen tegenadvies van een ander deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. Door [appellant] en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. In het aangevoerde ziet de Afdeling evenmin aanleiding om te oordelen dat het welstandsadvies in strijd is met de welstandsnota. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de gedetailleerde kaart behorende bij de welstandsnota volgt dat - anders dan [appellant] en anderen stellen - het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het deelgebied "Naoorlogse woonwijken", zodat het bouwplan door de welstandscommissie terecht is getoetst aan de criteria die in de welstandsnota zijn opgenomen voor dit deelgebied.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat aan het advies van de welstandscommissie dusdanige gebreken kleven dat het college het advies niet aan de besluitvorming ten grondslag kon leggen.

16. Voor zover [appellant] en anderen ten slotte aanvoeren dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot precedentwerking, overweegt de Afdeling dit geen reden is voor weigering van de vergunning.

17. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning, is ongegrond.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

634.