Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201307267/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Sportveld Sint Jansklooster" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1067

Uitspraak

201307267/1/R1.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Sint Jansklooster, gemeente Steenwijkerland,

2. [appellant sub 2], wonend te Sint Jansklooster, gemeente Steenwijkerland,

en

de raad van de gemeente Steenwijkerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Sportveld Sint Jansklooster" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door ing. L. Visscher, en de raad, vertegenwoordigd door drs. E.S. Fijma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de vereniging Sportvereniging V.H.K., vertegenwoordigd door A. Mooiweer en H. Rook, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de realisering van een derde wedstrijdveld in aansluiting op de bestaande sportvelden van Sportvereniging V.H.K.

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat een derde sportveld noodzakelijk is.

3.1. De raad stelt dat de aanleg van een derde sportveld nodig is om het sportcomplex van Sportvereniging V.H.K. aan de NOC*NSF normen te laten voldoen. Hij stelt verder dat Sportvereniging V.H.K. - mede in verband met de toenemende belangstelling voor damesvoetbal - een groeiende vereniging is. Het bestaande tekort aan velden zal daarom volgens hem binnen afzienbare tijd verder toenemen. Sportvereniging V.H.K. heeft dit ter zitting bevestigd. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding deze toelichting voor onjuist te houden. Het betoog dat onvoldoende is gemotiveerd dat een derde sportveld noodzakelijk is, faalt.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat een alternatieve locatie voor het sportveld had kunnen worden gekozen. In dit verband heeft [appellant sub 1] in zijn zienswijze op drie mogelijkheden gewezen die verder van zijn veehouderij zijn gelegen.

4.1. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In dit geval geeft hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de voorgestelde alternatieven heeft kunnen afwijzen. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat bij twee van de door [appellant sub 1] aangedragen alternatieven gronden zijn betrokken ten noorden van de huidige velden. De raad stelt dat die gronden niet in aanmerking komen omdat daarop een volkstuinencomplex is gelegen dat hij wil behouden. Voorts is de gemeente geen eigenaar van gronden ten noorden van de sportvelden en wil de huidige eigenaar niet meewerken aan verkoop aan de gemeente. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Wat betreft het door [appellant sub 1] aangedragen alternatief dat een verschuiving behelst van het nieuwe veld verder van de melkveehouderij van [appellant sub 1] af, waarbij het veld wordt gedraaid, heeft de raad van belang kunnen achten dat dit alternatief ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van de bewoners aan de Reestraat. Hij heeft voorts van belang kunnen achten dat op die gronden een trainingsveld aanwezig is dat hij wil behouden.

5. [appellant sub 1] vreest een onaanvaardbaar leefklimaat voor zijn koeien als gevolg van de aanleg van het derde veld. Geluidstress kan nadelige gevolgen hebben voor de koeien zoals onrust in de groep, wat kan leiden tot glijpartijen met gebroken poten als gevolg, en vroeggeboorten. Er kan zich een geluidspiek van 71 dB(A) bij de stal en 61 dB(A) in de stal voordoen. Ten onrechte is bij de voorbereiding van het plan aan die gevolgen voorbij gegaan.

5.1. De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met de geluidseffecten die het bedrijf van [appellant sub 1] kan ondervinden. Een veestapel in een stal is geen geluidsgevoelige bestemming die op grond van de milieuregelgeving bescherming geniet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting van de stal als gevolg van het nieuwe sportveld wel meegenomen in het voor het plan uitgevoerde geluidsonderzoek. Daaruit blijkt dat per saldo de veestapel als gevolg van het nieuwe sportveld niet zal worden blootgesteld aan geluidsniveaus die voor mensen niet acceptabel of wenselijk zijn. Niet aannemelijk is gemaakt en door [appellant sub 1] is ook niet onderbouwd, dat voor vee strengere geluidswaarden moeten worden aangehouden dan voor mensen. Dit betoog faalt.

6. [appellant sub 2] betoogt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving van het nieuwe sportveld onevenredig wordt aangetast. Wat de geluidsbelasting betreft is ten onrechte aansluiting gezocht bij de Wet milieubeheer. Ook geeft het akoestisch onderzoek geen juist beeld van de te verwachten geluidsbelasting als gevolg van het derde sportveld. Het onderzoek ziet alleen op gebruik als trainingsveld en niet op het beoogde gebruik als wedstrijdveld, waardoor geen rekening is gehouden met het geluid van het publiek en met fluitende scheidsrechters. Voorts is geen rekening gehouden met de geluidsbelasting vanwege de twee al bestaande sportvelden.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is aangesloten bij de afstanden die in de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) zijn opgenomen en dat aan de minimale afstand van 50 m tussen woningen en een sportveld wordt voldaan. De Afdeling acht dit standpunt juist. Ter aanvulling heeft de raad een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het stemgeluid ook meegenomen in het onderzoek. Voorts zijn de bestaande sportvelden meegenomen, alsook het aanwezige publiek en fluitende scheidsrechters. Uit het geactualiseerde akoestische onderzoek blijkt dat de totale geluidsbelasting van de sportvelden, na realisering van het derde sportveld, bij de woning van [appellant sub 2] 32 dB(A) bedraagt. Nu de geluidsbelasting hiermee ruim onder de grenswaarde van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast. Het betoog faalt.

6.2. Voor zover [appellant sub 2] vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van een vermindering van zicht en een aantasting van zijn privacy wordt als volgt overwogen. Vaststaat dat tussen het sportveld en de woning van [appellant sub 2] een open agrarische bufferzone blijft bestaan, waarbij geen bebouwing in de vorm van gebouwen mogelijk is. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de privacy en het uitzicht. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat moet worden gevreesd voor een verslechtering van de verkeers- en parkeerdruk, heeft de raad toegelicht dat het verkeer van en naar de sportvelden geen gebruik maakt van het deel van de Reestraat waaraan de woning van [appellant sub 2] is gelegen. Hij heeft voorts toegelicht dat voldoende ruimte aanwezig is om de parkeerdruk als gevolg van het derde sportveld op te vangen. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Het betoog faalt.

7. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan het voorgenomen gebruik, een sportveld voor de zaterdag, niet voldoende is gewaarborgd. De planregels leggen geen beperkingen op aan het gebruik. Andere activiteiten worden niet expliciet uitgesloten.

7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.11, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het uitoefenen van sportactiviteiten;

met daaraan ondergeschikt:

1. wegen en paden;

2. groenvoorzieningen;

3. parkeervoorzieningen;

4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.

Ingevolge lid 3.2.2, onder c, mogen lichtmasten niet worden gebouwd.

7.2. De raad stelt terecht dat gelet op de planregels uitsluitend het gebruik voor sportactiviteiten is toegelaten. Voorts is in de planregels neergelegd dat het plaatsen van lichtmasten is verboden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op deze wijze voldoende is verzekerd dat het sportveld met name geschikt is voor het gebruik als trainingsveld overdag. Hij heeft derhalve geen aanleiding hoeven zien op dit punt een nadere regeling op te nemen. De raad stelt verder dat hij het gebruik voor sportactiviteiten niet heeft beperkt tot de zaterdag, omdat hij het aanvaardbaar acht dat het sportveld incidenteel ook op een andere dag voor sportbeoefening wordt gebruikt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Priem

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

646.