Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201306914/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwkavel Robbenhaarsweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1066

Uitspraak

201306914/1/R1.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Almelo,

en

de raad van de gemeente Almelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwkavel Robbenhaarsweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bouwkavel Robbenhaarsweg" opnieuw ongewijzigd vastgesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2014, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door I.M. Scharenborg-Lesker en M.M. Weerink, beiden werkzaam voor de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door drs. M. Hesselink, werkzaam bij Ad Fontem juridisch bouwadvies, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2.1. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 14 januari 2014 aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu dit besluit voorziet in het herstel van een gebrek in het besluit van 11 juni 2013 en betrekking heeft op dezelfde planologische ontwikkeling waarop ook het besluit van 11 juni 2013 ziet en waartegen het beroep gericht is.

3. Het plan voorziet in de mogelijkheid om een woning te bouwen op het perceel Robbenhaarsweg, kadastraal bekend Ambt Almelo, sectie […], nummer […]. [belanghebbende] is eigenaar van dit perceel. [appellant] woont op het perceel [locatie 1], ten noordwesten van het plangebied.

Aan het perceel is onder meer de bestemming "Wonen - Stadsrand" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - Stadsrand" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 4.2.1 mogen binnen deze bestemming hoofdgebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de hoofdgebouwen hebben een inhoud van maximaal 750 m3;

b. binnen het bestemmingsvlak mag maximaal één hoofdgebouw worden opgericht;

c. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;

d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m.

Niet in geschil is dat onder het vorige planologische regime het niet mogelijk was om op het perceel een woning te bouwen.

4. In de plantoelichting staat dat Hondenkennel [belanghebbende] was gevestigd aan de Nijreesweg, het gebied dat nu ontwikkeld wordt als woningbouwlocatie Nijrees Noord. Begin 2003 zijn de eerste gesprekken gevoerd om deze kennel te verplaatsen naar het perceel aan de Robbenhaarsweg, kadastraal bekend Ambt Almelo, sectie D, nummer 1720. De kennel diende verplaatst te worden om zo de woningbouw mogelijk te maken. Vanwege de ontwikkeling van Noord-Oost en de beperking die een kennel op deze ontwikkeling met zich bracht, heeft [belanghebbende] afgezien van de oprichting van een kennel aan de Robbenhaarsweg, zodat uitsluitend een woning wordt opgericht.

5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] omtrent de houding van de raad tijdens de inspraakprocedure overweegt de Afdeling als volgt. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Bezwaren tegen de houding van de raad tijdens de inspraakprocedure kunnen daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan hebben.

6. [appellant] betoogt dat voor de raad geen noodzaak meer bestaat om medewerking te verlenen aan het voorzien van een woning op het in geding zijnde perceel omdat de hondenkennel, die de reden was voor verplaatsing vanaf de Nijreesweg, is gestaakt. Daarmee is de inspanningsverplichting van de raad om de kennel, en de daarbij behorende woning, te verplaatsen komen te vervallen.

6.1. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat de gemeente een inspanningsverplichting op zich heeft genomen om, als [belanghebbende] bereid was het perceel [locatie 2] te verlaten, planologisch te voorzien in een woning en het gebruik voor kennelactiviteiten op haar perceel aan de Robbenhaarsweg. Gelet op de door de wetgever in artikel 3.1 van de Wro aan de raad toegekende bevoegdheid om, in het belang van een goede ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen vast te stellen na het volgen van de daartoe in deze wet dwingend voorgeschreven en met waarborgen omklede procedure, kan niet worden aanvaard dat de raad bij het leggen van bestemmingen zonder meer gebonden is aan een overeenkomst als de onderhavige. Wel is deze inspanningsverplichting een omstandigheid die de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in zijn overwegingen dient te betrekken. De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat [belanghebbende] thans geen kennelactiviteiten meer ontplooit, geen aanleiding is voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid rekening heeft hoeven houden met de op hem rustende inspanningsverplichting.

7. [appellant] betoogt dat bij hem het vertrouwen was gewekt dat onder meer het in geding zijnde perceel in de nabije toekomst niet zou worden bebouwd. In dit verband wijst hij erop dat dit hem door ambtenaren van de gemeente is medegedeeld en dat hij, gebaseerd op die informatie, zijn woning op korte afstand van het thans in geding zijnde plan heeft laten bouwen.

7.1. Over het betoog van [appellant] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de raad. De raad heeft het plan derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

8. [appellant] betoogt dat het plan zal leiden tot aan aantasting van zijn woongenot in de vorm van vermindering van uitzicht en privacy. In dit verband wijst hij erop dat hij thans een vrij uitzicht heeft en dat zijn woning aan de straatzijde een grote glazen pui heeft waardoor inkijk vanuit het plangebied mogelijk is.

8.1. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat in het algemeen kunnen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Evenmin bestaat recht op een blijvend vrij uitzicht. Ter zitting is gebleken dat de afstand tussen het perceel van [appellant] en het plangebied ongeveer 63 m bedraagt en dat tussen het perceel van [appellant] en het plangebied een houtsingel staat. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op deze afstand en de houtsingel, de vermindering van uitzicht en privacy van [appellant] beperkt te achten is.

9. Ten slotte betoogt [appellant] dat het plan onduidelijk is omdat de onderzoeken bij het plan niet alleen zien op het perceel kadastraal bekend Ambt Almelo, sectie […], nummer […], maar ook op het naastgelegen perceel kadastraal bekend Ambt Almelo, sectie […], nummer […], dat [belanghebbende] ook in eigendom heeft.

Hieromtrent overweegt de Afdeling dat wat verder ook zij van het betoog van [appellant], het plan alleen betrekking heeft op het perceel kadastraal bekend Ambt Almelo, sectie […], nummer […]. Het plan is in zoverre derhalve niet rechtsonzeker.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 14 januari 2014 ongegrond. Nu dit besluit in stand blijft, is er geen belang meer bij het beoordelen van het beroep tegen het besluit van 11 juni 2013. Het daartegen ingestelde beroep moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

11. Nu [appellant] tegen het besluit van 11 juni 2013 heeft aangevoerd dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op zijn zienswijze, de raad dit heeft erkend en bij besluit van 14 januari 2014 alsnog gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van [appellant], ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant].

Onder de eerdergenoemde omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant] te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 juni 2013 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 14 januari 2014 ongegrond.

III. veroordeelt de raad van de gemeente Almelo tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 50,74 (zegge: vijftig euro en vierenzeventig cent);

IV. gelast dat de raad van de gemeente Almelo aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

533.