Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201306576/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/173 met annotatie van mr. drs. J.H. van Breda

Uitspraak

201306576/1/V1.

Datum uitspraak: 18 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/17661 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 27 oktober 2009 (hierna: het BMA-advies), aangevuld bij nota's van 9 maart 2010, 7 december 2011 en 19 januari 2012, nu niet inzichtelijk is dat het uitvoeren van resistentietesten geen wezenlijk onderdeel is van de vereiste medische behandeling van de vreemdeling. De staatssecretaris voert daartoe aan, onder verwijzing naar de bijlage bij de interne richtlijn HIV en aids van het BMA van oktober 2007 (hierna: de bijlage) en de nadere reactie van het BMA van 5 december 2012 (hierna: de nadere reactie), dat het niet in alle fasen van de behandeling van HIV-patiënten noodzakelijk is deze testen uit te voeren. Voorts is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat het BMA is uitgegaan van de specifieke situatie van de vreemdeling en heeft moeten bezien of het uitblijven van behandeling binnen drie maanden tot een medische noodsituatie leidt. De staatssecretaris voert verder aan dat over de noodzaak van het uitvoeren van resistentiestesten in de medische wereld geen consensus bestaat, dat die testen - anders dan de zogeheten CD4- en viral load-bepaling - uitsluitend op indicatie worden uitgevoerd en dat die indicatie in dit geval ontbreekt.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1, strekt, indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2. Het BMA-advies vermeldt dat de vreemdeling voor zijn HIV-infectie onder behandeling staat van een internist, waarbij CD4- en viral load-bepaling plaatsvindt. Over het al dan niet uitvoeren van resistentietesten en de noodzaak daarvan vermeldt het BMA-advies niets. Gelet op de beschikbare informatie over de therapiemogelijkheden in Nigeria is behandeling aldaar, in medisch-technische zin, van de klachten van de vreemdeling aanwezig. Voorts vermeldt het BMA-advies dat het uitblijven van behandeling van de vreemdeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De door de rechtbank benoemde deskundige (hierna: de deskundige) heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het uitvoeren van resistentietesten een wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van HIV-patiënten en dat dit even belangrijk is als CD4- en viral load-bepaling, waarmee wordt vastgesteld of de gebruikte medicijnen werken. Met het uitvoeren van een resistentietest wordt bepaald op welke combinatie van medicijnen de desbetreffende HIV-patiënt moet overstappen, indien blijkt dat de huidige medicijnen niet werken. Indien deze overstapt op andere medicijnen, zonder dat bekend is voor welke medicijnen hij resistent is, kan dat volgens de deskundige leiden tot verdere ontwikkeling van het virus en tot kruisresistentie, hetgeen betekent dat een groep medicijnen niet meer bruikbaar is. Wanneer resistentie optreedt, is onvoorspelbaar en afhankelijk van verschillende factoren. Zo luistert de inname van medicijnen bij HIV-patiënten heel nauw. Indien zij gedurende enkele dagen geen medicijnen slikken of deze niet kunnen binnenhouden, kan resistentie optreden, aldus de deskundige. De bijlage vermeldt, onder verwijzing naar onder meer het "Clinical Protocol for the WHO European Region", dat de meeste HIV-patiënten goed zijn ingesteld op hun medicatie, hetgeen betekent dat wijziging daarin en het uitvoeren van resistentietesten in die gevallen niet noodzakelijk is. In de nadere reactie heeft het BMA dit standpunt, onder verwijzing naar voormeld stuk, het "WHO HIV drug resistance fact sheet" en informatie van de Hiv Vereniging Nederland, nader toegelicht.

2.3. De rechtbank heeft de staatssecretaris niet gevolgd in zijn betoog dat het niet in alle fasen van de behandeling van HIV-patiënten noodzakelijk is resistentietesten uit te voeren, omdat dit niet valt te rijmen met het standpunt van het BMA dat CD4- en viral load-bepaling wél in alle gevallen noodzakelijk is. De rechtbank heeft hierbij het door het BMA onderschreven standpunt van de deskundige in aanmerking genomen dat onvoorspelbaar is wanneer resistentie optreedt.

2.4. Hoewel het uitvoeren van resistentietesten volgens de deskundige een wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van HIV-patiënten, betoogt de staatssecretaris terecht, onder verwijzing naar de onder 2.2 vermelde stukken, dat hierover in de medische wereld geen consensus bestaat. Daarnaast betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat het BMA is uitgegaan van de specifieke situatie van de vreemdeling en een beperkte periode van drie maanden in ogenschouw heeft genomen. Dit klemt temeer nu de aanvullende nota van 19 januari 2012 vermeldt dat de vreemdeling sinds begin 2009 succesvol wordt behandeld en de aanvullende nota van 9 maart 2010 vermeldt dat er geen aanwijzingen zijn dat de huidige medicijnen van de vreemdeling niet werken, alsmede dat niet valt te voorspellen of resistentie in de toekomst zal optreden. De rechtbank heeft de onder 2.3 bedoelde standpunten van het BMA ongerijmd geacht omdat zowel CD4- en viral load-bepaling als het uitvoeren van een resistentietest plaatsvindt indien de gebruikte medicatie op enig moment niet meer aanslaat. Deze enkele overeenkomst is echter onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris erop heeft gewezen dat CD4- en viral load-bepaling verschillende keren per jaar plaatsvindt, terwijl een resistentietest slechts wordt uitgevoerd indien dat is geïndiceerd. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat, nu niet inzichtelijk is dat het uitvoeren van resistentietesten geen wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van de vreemdeling, de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het BMA-advies. De grief slaagt.

3. De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de door het BMA bij de beoordeling betrokken periode direct na de reis van de vreemdeling naar Nigeria, twee weken bedraagt. De staatssecretaris voert daartoe aan dat het BMA heeft moeten beoordelen op welke wijze de reis moet plaatsvinden om die vanuit medisch oogpunt bezien zorgvuldig te laten verlopen, hetgeen mede de beoordeling omvat van de duur van de direct op de reis volgende periode die in het advies wordt meegenomen. De staatssecretaris wijst in dit verband op de brief van het BMA van 6 juli 2011 (hierna: de brief), waarin het heeft toegelicht dat het vaststellen van reisvereisten afhankelijk is van de omstandigheden van het individuele geval.

3.1. Het BMA-advies vermeldt in antwoord op de vraag of de vreemdeling kan reizen en of vooraf, tijdens en/of direct na de reis medische voorwaarden gelden, dat deze in staat is te reizen met gangbare vervoermiddelen. Wel moet de vreemdeling voorafgaand aan de reis in het bezit worden gesteld van een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens, tijdens de reis de gelegenheid hebben zich te vertreden en direct na de reis de beschikking hebben over een voorraad medicijnen. De brief vermeldt dat het BMA in veel zaken die HIV-patiënten betreffen kan volstaan met het stellen van de reisvereisten dat de desbetreffende vreemdeling voor enkele weken medicijnen meeneemt en dat schriftelijke overdracht van medische gegevens plaatsvindt. Er zijn volgens het BMA echter ook bijzondere gevallen denkbaar, waarin het gelet op de medische feiten en omstandigheden van het geval inschat dat een verhoogd risico bestaat dat medisch ingrijpen enkele dagen na de reis noodzakelijk is, hetgeen van invloed kan zijn op de te stellen reisvereisten.

3.2. Dat de staatssecretaris in voorkomende gevallen voor de beoordeling van een aanvraag als deze, mede de direct op de reis aansluitende periode van belang acht, laat onverlet dat uit 3.1 volgt dat het vaststellen van de duur van die periode onderdeel is van de door het BMA te verrichten beoordeling of - en zo ja, welke - medische vereisten vooraf, tijdens en/of direct na de reis van de desbetreffende vreemdeling naar zijn land van herkomst gelden. De staatssecretaris betoogt dan ook terecht dat het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet aan hem was nader te motiveren waarom deze periode in dit geval twee weken bedraagt. Ook op dit punt is het hiervoor onder 2.1 weergegeven toetsingskader van toepassing. De grief slaagt.

4. De staatssecretaris klaagt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet inzichtelijk is dat schriftelijke overdracht van de medische gegevens van de vreemdeling of fysieke overdracht aan een behandelaar of medische instelling in Nigeria niet noodzakelijk is. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat het BMA elke zaak beoordeelt op zijn eigen merites en dat onbestreden is dat de vreemdeling geen gecompliceerde voorgeschiedenis heeft. Voorts voert de staatssecretaris aan dat het BMA in de nadere reactie heeft toegelicht waarom het in andere zaken op dit punt anders heeft geadviseerd en dat het in een van de zaken waarnaar de vreemdeling in beroep heeft verwezen, een verdergaand reisvereiste heeft gesteld dan noodzakelijk was.

4.1. In aanvulling op hetgeen het BMA-advies vermeldt over de reisvereisten en onder 3.1 is weergegeven, vermeldt de aanvullende nota van 19 januari 2012 dat fysieke overdracht van de vreemdeling niet is geïndiceerd, nu onmiddellijk medisch handelen na aankomst in Nigeria niet noodzakelijk is. Over een van de zaken waarnaar de vreemdeling in beroep heeft verwezen, vermeldt de nadere reactie dat het desbetreffende advies van het BMA berust op een kennelijke misslag, nu fysieke overdracht in die zaak niet noodzakelijk was. De rechtbank heeft aan haar in de grief bestreden oordeel ten grondslag gelegd dat de deskundige geen medisch relevante verschillen heeft gevonden tussen deze zaak en de zaken waarnaar de vreemdeling in beroep heeft verwezen.

4.2. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbijgegaan dat het BMA heeft geadviseerd dat schriftelijke overdracht van de medische gegevens van de vreemdeling plaatsvindt. Voorts heeft zij in de enkele omstandigheid dat het BMA in andere zaken heeft geadviseerd dat na de reis van de desbetreffende vreemdelingen naar hun land van herkomst fysieke overdracht plaatsvindt, ten onrechte grond gevonden voor het in de grief bestreden oordeel. De staatssecretaris wijst er in dit verband terecht op dat het BMA elke zaak beoordeelt op zijn eigen merites, hetgeen in dit geval gelet op de inhoud van het BMA-advies en de aanvullende nota van 19 januari 2012 ook is gebeurd. Daar komt bij dat het BMA in de nadere reactie heeft toegelicht dat een van de door de vreemdeling bedoelde zaken berust op een kennelijke misslag en wat de mogelijke oorzaken zijn van verschillen in de advisering. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het inleidend beroep ongegrond verklaard. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 29 mei 2012 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/17661;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014

670.