Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201306565/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kalksheuvel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1064

Uitspraak

201306565/1/R3.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Boxtel,

en

de raad van de gemeente Boxtel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kalksheuvel" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein en P.A.M. Olijslagers, en de raad, vertegenwoordigd door R. Poort, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het beroep van [appellante] is gericht tegen de begrenzing van het plangebied. Zij betoogt dat de raad bij het vaststellen van de plangrens ten onrechte haar perceel, [locatie], buiten het plangebied heeft gelaten. Hiertoe voert zij aan dat haar voor dit perceel bij besluit van 1 augustus 2012 met vrijstelling een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een vrijstaande woning met een garage en dat de raad deze ontwikkeling ten onrechte niet in het plan heeft opgenomen.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel van [appellante] buiten het plangebied is gelaten, omdat ervoor is gekozen om toekomstige ontwikkelingen niet in het plan op te nemen. De raad wijst erop dat tegen de met vrijstelling verleende bouwvergunning door een omwonende beroep bij de rechtbank is ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de partijen in die zaak in de gelegenheid te stellen voor dit perceel een planologische invulling te ontwerpen die voor de betrokken partijen aanvaardbaar is. De raad heeft besloten om in afwachting van de uitkomst daarvan het perceel van [appellante] niet in het plan op te nemen.

2.2. In het ontwerpplan was het perceel van [appellante] opgenomen in het plangebied. Aan het perceel was de bestemming "Wonen" toegekend. In het vastgestelde plan valt dit perceel buiten het plangebied.

2.3. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Vaststaat dat [appellante] ten tijde van de planvaststelling voor haar perceel beschikte over een met vrijstelling verleende bouwvergunning voor de bouw van een vrijstaande woning met een garage. Niet is gebleken dat de raad deze ontwikkeling ten tijde van de planvaststelling ruimtelijk ongewenst heeft geacht. Voorts staat vast dat het perceel van [appellante], voorzien van een woonbestemming, in het ontwerpplan was opgenomen en dat het perceel in het vastgestelde plan vervolgens buiten het plangebied is gelaten.

De Afdeling overweegt dat de door de raad gegeven motivering voor de rondom het perceel van [appellante] vastgestelde plangrens, waardoor dat perceel buiten het plangebied is gehouden, geen ruimtelijke onderbouwing bevat. De raad heeft niet gemotiveerd uiteengezet waarom het in het plangebied opnemen van het perceel van [appellante] vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is.

Gelet op het vorenoverwogene berust het bestreden besluit wat dit punt betreft niet op een deugdelijke motivering.

3. Over het betoog van [appellante] over de maximaal toegestane bouwhoogte op haar perceel, overweegt de Afdeling dat dit niet kan leiden tot vernietiging van het voorliggende bestemmingsplan, nu het perceel geen deel uitmaakt van dit plan.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de rondom het perceel [locatie] vastgestelde plangrens, zoals deze met een doorgehaalde lijn op de bij deze uitspraak behorende kaart 1 is weergegeven, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 28 mei 2013, waarbij het bestemmingsplan "Kalksheuvel" is vastgesteld, voor zover het betreft de rondom het perceel [locatie] vastgestelde plangrens, zoals deze met een doorgehaalde lijn op de bij deze uitspraak behorende kaart 1 is weergegeven;

III. draagt de raad van de gemeente Boxtel op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het onder II. vernietigde planonderdeel en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Boxtel tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Boxtel aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

408.