Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:661

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201306475/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306475/1/V1.

Datum uitspraak: 18 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/798 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 5 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 5 november 2010 (hierna: het BMA-advies), aangevuld bij nota's van 26 april en 23 november 2011, nu niet inzichtelijk is dat het uitvoeren van resistentietesten geen wezenlijk onderdeel is van de vereiste medische behandeling van de vreemdeling. De staatssecretaris voert daartoe aan, onder verwijzing naar de bijlage bij de interne richtlijn HIV en aids van het BMA van oktober 2007 (hierna: de bijlage) en de nadere reactie van het BMA van 5 december 2012 (hierna: de nadere reactie), dat het niet in alle fasen van de behandeling van HIV-patiënten noodzakelijk is deze testen uit te voeren. Voorts is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat het BMA is uitgegaan van de specifieke situatie van de vreemdeling en heeft moeten bezien of het uitblijven van behandeling binnen drie maanden tot een medische noodsituatie leidt. De staatssecretaris voert verder aan dat over de noodzaak van het uitvoeren van resistentietesten in de medische wereld geen consensus bestaat, dat die testen - anders dan de zogeheten CD4- en viral load-bepaling - uitsluitend op indicatie worden uitgevoerd en dat die indicatie in dit geval ontbreekt.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2. Het BMA-advies vermeldt dat de vreemdeling voor zijn HIV-infectie onder behandeling staat van een internist, waarbij CD4- en viral load-bepaling plaatsvindt. Over het al dan niet uitvoeren van resistentietesten en de noodzaak daarvan vermeldt het BMA-advies niets. Gelet op de beschikbare informatie over de therapiemogelijkheden in Nigeria is behandeling aldaar, in medisch-technische zin, van de klachten van de vreemdeling aanwezig. Voorts vermeldt het BMA-advies dat het uitblijven van behandeling van de vreemdeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn.

De door de rechtbank benoemde deskundige (hierna: de deskundige) heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat het uitvoeren van resistentietesten een wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van HIV-patiënten en dat dit even belangrijk is als CD4- en viral load-bepaling, waarmee wordt vastgesteld of de gebruikte medicijnen werken. Met het uitvoeren van een resistentietest wordt bepaald op welke combinatie van medicijnen de desbetreffende HIV-patiënt moet overstappen, indien blijkt dat de huidige medicijnen niet werken. Indien deze overstapt op andere medicijnen, zonder dat bekend is voor welke medicijnen hij resistent is, kan dat volgens de deskundige leiden tot verdere ontwikkeling van het virus en tot kruisresistentie, hetgeen betekent dat een groep medicijnen niet meer bruikbaar is. Wanneer resistentie optreedt, is onvoorspelbaar en afhankelijk van verschillende factoren. Zo luistert de inname van medicijnen bij HIV-patiënten heel nauw. Indien zij gedurende enkele dagen geen medicijnen slikken of deze niet kunnen binnenhouden, kan resistentie optreden, aldus de deskundige.

De bijlage vermeldt, onder verwijzing naar onder meer het "Clinical Protocol for the WHO European Region", dat de meeste HIV-patiënten goed zijn ingesteld op hun medicatie, hetgeen betekent dat wijziging daarin en het uitvoeren van resistentietesten in die gevallen niet noodzakelijk is. In de nadere reactie heeft het BMA dit standpunt, onder verwijzing naar voormeld stuk, het "WHO HIV drug resistance fact sheet" en informatie van de Hiv Vereniging Nederland, nader toegelicht.

2.3. De rechtbank heeft de staatssecretaris niet gevolgd in zijn betoog dat het niet in alle fasen van de behandeling van HIV-patiënten noodzakelijk is resistentietesten uit te voeren, omdat dit niet valt te rijmen met het standpunt van het BMA dat CD4- en viral load-bepaling wél in alle gevallen noodzakelijk is. De rechtbank heeft hierbij het door het BMA onderschreven standpunt van de deskundige in aanmerking genomen dat onvoorspelbaar is wanneer resistentie optreedt.

2.4. Hoewel het uitvoeren van resistentietesten volgens de deskundige een wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van HIV-patiënten, betoogt de staatssecretaris terecht, onder verwijzing naar de onder 2.2 vermelde stukken, dat hierover in de medische wereld geen consensus bestaat. Daarnaast betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat het BMA is uitgegaan van de specifieke situatie van de vreemdeling en een beperkte periode van drie maanden in ogenschouw heeft genomen. Dit klemt temeer nu onbestreden is dat de vreemdeling na wijziging van zijn medicatie in januari 2011 zijn behandeling goed verdraagt en uit het BMA-advies, de aanvullende nota's noch de nadere reactie blijkt dat in de rede ligt dat hij binnen de door het BMA in aanmerking genomen periode een resistentietest moet ondergaan.

De rechtbank heeft de onder 2.3 bedoelde standpunten van het BMA ongerijmd geacht omdat zowel CD4- en viral load-bepaling als het uitvoeren van een resistentietest plaatsvindt indien de gebruikte medicatie op enig moment niet meer aanslaat. Deze enkele overeenkomst is echter onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris erop heeft gewezen dat CD4- en viral load-bepaling verschillende keren per jaar plaatsvindt, terwijl een resistentietest slechts wordt uitgevoerd indien dat is geïndiceerd.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat, nu niet inzichtelijk is dat het uitvoeren van resistentietesten geen wezenlijk onderdeel is van de medische behandeling van de vreemdeling, de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het BMA-advies.

De klacht is dus terecht voorgedragen, maar kan, gelet op hetgeen hierna onder 4 wordt overwogen, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

3. De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de door het BMA bij de beoordeling betrokken periode direct na de reis van de vreemdeling naar Nigeria, twee weken bedraagt. De staatssecretaris voert daartoe aan dat het BMA heeft moeten beoordelen op welke wijze de reis moet plaatsvinden om die vanuit medisch oogpunt bezien zorgvuldig te laten verlopen, hetgeen mede de beoordeling omvat van de duur van de direct op de reis volgende periode die in het advies wordt meegenomen. De staatssecretaris wijst in dit verband op de brief van het BMA van 6 juli 2011 (hierna: de brief), waarin het heeft toegelicht dat het vaststellen van reisvereisten afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

3.1. Het BMA-advies vermeldt in antwoord op de vraag of de vreemdeling kan reizen en of vooraf, tijdens en/of direct na de reis medische voorwaarden gelden, dat deze in staat is te reizen met gangbare vervoermiddelen, maar dat hij wel de beschikking moet hebben over de voorgeschreven medicijnen en - gelet op de maximale besteltermijn van twee weken - voor de eerste weken medicijnen moet meenemen.

De brief vermeldt dat het BMA in veel zaken die HIV-patiënten betreffen kan volstaan met het stellen van de reisvereisten dat de desbetreffende vreemdeling voor enkele weken medicijnen meeneemt en dat schriftelijke overdracht van medische gegevens plaatsvindt. Er zijn volgens het BMA echter ook bijzondere gevallen denkbaar, waarin het gelet op de medische feiten en omstandigheden van het geval inschat dat een verhoogd risico bestaat dat medisch ingrijpen enkele dagen na de reis noodzakelijk is, hetgeen van invloed kan zijn op de te stellen reisvereisten.

3.2. Dat de staatssecretaris in voorkomende gevallen voor de beoordeling van een aanvraag als deze, mede de direct op de reis aansluitende periode van belang acht, laat onverlet dat uit 3.1 volgt dat het vaststellen van de duur van die periode onderdeel is van de door het BMA te verrichten beoordeling of - en zo ja, welke - medische vereisten vooraf, tijdens en/of direct na de reis van de desbetreffende vreemdeling naar zijn land van herkomst gelden. De staatssecretaris betoogt dan ook terecht dat het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet aan hem was nader te motiveren waarom deze periode in dit geval twee weken bedraagt. Ook op dit punt is het hiervoor onder 2.1 weergegeven toetsingskader van toepassing.

De klacht is terecht voorgedragen, maar kan, gelet op hetgeen hierna onder 4 wordt overwogen, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

4. Hetgeen de staatssecretaris in zijn derde grief aanvoert kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op hetgeen onder 2.4 en 3.2 is overwogen, met verbetering van de gronden waarop deze rust. De Afdeling ziet evenwel, gelet op het volgende en op hetgeen onder 2.4 en 3.2 is overwogen, aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 5 januari 2012 terecht op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat het BMA in andere zaken heeft geadviseerd dat na de reis van de desbetreffende vreemdelingen naar hun land van herkomst fysieke overdracht aan een behandelaar of medische instelling plaatsvindt, geen grond biedt voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van het BMA dat fysieke overdracht in dit geval niet noodzakelijk is. De staatssecretaris heeft er in dit verband terecht op gewezen dat - zakelijk weergegeven - het BMA elke zaak beoordeelt op zijn eigen merites, hetgeen in dit geval gelet op de inhoud van het BMA-advies ook is gebeurd. Daar komt bij dat het BMA in de nadere reactie heeft toegelicht dat een van de door de vreemdeling bedoelde zaken berust op een kennelijke misslag en wat de mogelijke oorzaken zijn van verschillen in de advisering. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat inzichtelijk is dat fysieke overdracht in dit geval niet noodzakelijk is.

6. De staatssecretaris moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 5 januari 2012, kenmerk 274.929.2612, geheel in stand blijven;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014

670.