Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201305637/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:3325, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft het college op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht besloten een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het deponeren van baggerspecie, dan wel grond in de fasen 4 en 5 van het groevencomplex Nagelbeek-Schinnen van [appellante] buiten behandeling te laten.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1110

Uitspraak

201305637/1/A4.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Schinnen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 mei 2013 in zaak nr. 12/381 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schinnen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft het college op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht besloten een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het deponeren van baggerspecie, dan wel grond in de fasen 4 en 5 van het groevencomplex Nagelbeek-Schinnen van [appellante] buiten behandeling te laten.

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. H.H.M.E. Waelen, advocaat te Meerssen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H.E. Partouns, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college betoogt dat [appellante] op 12 september 2013 een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning voor het deponeren van baggerspecie, dan wel grond in de fasen 4 en 5 van het groevencomplex Nagelbeek-Schinnen heeft ingediend. Het college heeft deze aanvraag in behandeling genomen en bij besluit van 19 december 2013 de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Volgens het college heeft [appellante] daarom geen belang meer bij de beoordeling van haar hoger beroep tegen het buiten behandeling laten van de eerdere aanvraag.

1.1. Niet in geschil is dat de aanvraag van 12 september 2013 en de aanvraag van 13 mei 2011 die bij besluit van 14 oktober 2011 buiten behandeling is gelaten, hetzelfde object betreffen. Nu de nieuwe aanvraag in behandeling is genomen, is het doel van het hoger beroep reeds bereikt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. 200604193/1) kan in het geval waarin het doel van het hoger beroep reeds is bereikt desalniettemin belang bij een inhoudelijke beoordeling van dat hoger beroep bestaan indien een appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het besluit van het college. Ter zitting heeft [appellante] gesteld dat zij schade heeft geleden doordat niet eerder op haar aanvraag is beslist. Zij kon daarom niet starten met haar activiteiten in de groeve, waaronder het deponeren van grond. Ook kon zij niet eerder bezwaar maken tegen de afwijzing. Met haar betoog heeft [appellante] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het besluit van het college van 24 januari 2012 schade heeft geleden en zij daardoor nog steeds belang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voor de beoordeling van de aanvraag van 13 mei 2011 benodigde gegevens niet, dan wel niet tijdig zijn ingediend. Ter onderbouwing van haar betoog verwijst [appellante] naar een verklaring van drs. A.C. Kanen van advies- en ingenieursbureau Grontmij Nederland B.V. Uit deze verklaring van 23 februari 2012 blijkt volgens [appellante] dat het college haar tijdens een overleg op 28 september 2011 een termijn voor het indienen van aanvullende gegevens tot 11 oktober 2011 heeft gegeven. Ook betoogt zij dat de rechtbank de vraag of de alsnog ingediende gegevens voldoende waren voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, ten onrechte onbeantwoord heeft gelaten.

2.1. Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen.

2.2. Bij brief van 1 september 2011 heeft het college de beslistermijn op de aanvraag om een omgevingsvergunning verlengd tot 18 oktober 2011 en [appellante] uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld de gevraagde aanvullende gegevens uiterlijk voor 1 oktober 2011 in te dienen. Niet in geschil is dat [appellante] die gegevens na 1 oktober 2011 heeft ingediend.

Met de verklaring van drs. A.C. Kanen heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het college in het overleg van 28 september 2011 de termijn voor het indienen van de gegevens nader tot na 1 oktober 2011 had verlengd. Het college heeft dat weersproken en daartoe er mede op gewezen dat de tot uiterlijk 1 oktober 2011 gestelde termijn samenhing met de wettelijke beslistermijn en de minimale tijd die nodig was voor het beoordelen van de aanvraag en de daarbij behorende stukken. Kanen heeft zijn verklaring over de in het overleg van 28 september 2011 gemaakte afspraken eerst vijf maanden na dat overleg opgesteld. [appellante] heeft, naar zij ter zitting heeft verklaard, niet op enig moment een schriftelijke bevestiging gevraagd van het uitstel tot 11 oktober 2011 dat haar in haar opvatting tijdens het overleg van 28 september 2011 mondeling was gegeven. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college zijn besluit om de aanvraag van [appellante] buiten behandeling te laten op goede gronden heeft gehandhaafd. De rechtbank kwam terecht niet toe aan de vraag of de alsnog overgelegde gegevens voldoende waren voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en heeft die vraag dan ook terecht onbeantwoord gelaten.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

628.