Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201305402/1/V1 en 201309274/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305402/1/V1 en 201309274/1/V1.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 mei 2013 in zaken nrs. 12/27990 en 12/28031 onderscheidenlijk de voorzieningenrechter van die rechtbank en zittingsplaats van 2 oktober 2013 in zaken nrs. 13/23392 en 13/23393 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag afgewezen, alsmede een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 mei 2013 heeft de rechtbank het tegen de afwijzing van de aanvraag ingestelde beroep ongegrond en het tegen het inreisverbod ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaak nr. 201305402/1/V1. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 oktober 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaak nr. 201309274/1/V1. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

In zaak nr. 201305402/1/V1

2. Aangezien de staatssecretaris bij besluit van 8 september 2013 een inreisverbod tegen de vreemdeling heeft uitgevaardigd voor de duur van vijf jaren, moet hij worden geacht daarmee het inreisverbod van 24 augustus 2012 voor drie jaren te hebben ingetrokken. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de vreemdeling niet aangevoerd hoe hij desondanks door het hoger beroep in een gunstiger positie kan geraken. Het hoger beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3. Het hoger beroep is in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.

4. Hetgeen in het hogerberoepschrift over de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, in zoverre met dat oordeel volstaan.

5. Het hoger beroep is in zoverre kennelijke ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

In zaak nr. 201309274/1/V1

7. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

7.1. Uit het onder 2 overwogene volgt dat het inreisverbod van 24 augustus 2012 moet worden geacht te zijn ingetrokken met de uitvaardiging van het inreisverbod van 8 september 2013. Dit inreisverbod heeft de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, van de Vw 2000

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2013 in zaak nr. 201207041/1/V2 neemt de omstandigheid dat tegen een vreemdeling een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, van de Vw 2000 is uitgevaardigd niet weg dat hij belang heeft bij de toetsing van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

De grief slaagt.

8. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Grief 2 behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201305402/1/V1 niet-ontvankelijk, voor zover de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, in de uitspraak van 29 mei 2013 het beroep tegen het inreisverbod van 24 augustus 2012 niet-ontvankelijk heeft verklaard;

II. bevestigt die uitspraak voor het overige;

III. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201309274/1/V1 gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 oktober 2013 in zaak nr. 13/23392;

V. wijst die zaak naar de rechtbank terug;

VI. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van laatstvermeld hoger beroep opgekomen proceskosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro) en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

De voorzitter is verhinderd w.g. De Vink

de uitspraak te ondertekenen ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

154-762.