Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:636

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201304200/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het college [wederpartij] onder meer gelast om de paardenbak op het perceel kadastraal bekend gemeente Grootegast sectie [...] nr. […] in het geheel te verwijderen of aan te passen/verplaatsen overeenkomstig de geldende bestemmingsregels, onder oplegging van een dwangsom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/251

Uitspraak

201304200/1/A1.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 april 2013 in zaak nr. 12/1092 in het geding tussen:

[wederpartijen] (hierna tezamen in enkelvoud: [wederpartij])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het college [wederpartij] onder meer gelast om de paardenbak op het perceel kadastraal bekend gemeente Grootegast sectie [...] nr. […] in het geheel te verwijderen of aan te passen/verplaatsen overeenkomstig de geldende bestemmingsregels, onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2012 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het bezwaar van eisers dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2013, waar het college, vertegenwoordigd door T.E.J. Postma, A.I. Fennema en M. Renkema, allen werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. A.M.H. Dellaert, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Vast staat dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de paardenbak, nu deze in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Grootegast" op het perceel rustende bestemmingen "Agrarisch" en "Waarde - Besloten gebied" en daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in strijd met zijn eigen handhavingsbeleid heeft gehandeld.

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat het handhavingsbeleid van het college voorschrijft dat maatwerk wordt geleverd en dat daaraan in het onderhavige geval niet is voldaan. Het handhavingsbeleid waarnaar de rechtbank heeft verwezen is evenwel vastgesteld op 6 november 2012. Nu het beleid dateert van na het bestreden besluit kan het, wat daar verder van zij, niet leiden tot het oordeel dat dit besluit niet rechtmatig is.

Het is voorts niet gebleken dat het college in strijd heeft gehandeld met de voorafgaand aan de vaststelling van het handhavingsbeleid bestaande uitvoeringspraktijk met betrekking tot het handhavend optreden tegen illegale paardenbakken. Het college heeft ter zitting, als ook ter zitting bij de rechtbank, toegelicht dat, hoewel het toezicht vanaf 2005 is geïntensiveerd en overtredingen op meer projectmatige basis werden geïnventariseerd, dit toezicht geen structureel karakter had en dat bij een controle naar aanleiding van bijvoorbeeld een milieumelding niet steeds eveneens werd getoetst aan het bestemmingsplan. Als gevolg daarvan bestaan er gevallen, zoals het onderhavige, waarin een controle door toezichthouders heeft plaatsgevonden en de gecontroleerde situatie is goedgekeurd, maar later is gebleken dat strijd met het bestemmingsplan bestaat. De uitvoeringspraktijk hield eveneens in dat, indien werd geconstateerd dat sprake was van een paardenbak die in strijd was met het bestemmingsplan, werd bezien of er gelegaliseerd kon worden en dat, indien dat niet het geval was, werd gehandhaafd. Zo is in deze zaak ook gehandeld, aldus het college.

Het betoog slaagt.

4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de niet door de rechtbank behandelde beroepsgronden beoordelen.

5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6. [wederpartij] heeft in beroep betoogd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het college er toe noopten van handhavend optreden af te zien. Volgens [wederpartij] heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Daarbij heeft hij erop gewezen dat voor de paardenbak en mestplaat op het perceel Drachtsterweg 78 te Opende vergunning is verleend, alsmede dat medewerking is verleend aan de vergroting van de bouwvlakken op de percelen Bennemaheer 18 te Oldekerk, Drachtsterweg 64 te Opende en Provincialeweg 136 te Opende. [wederpartij] heeft voorts aangevoerd dat de paardenbak er al sinds 2004 staat, hij pas in 2010 voor het eerst daarover is aangesproken en de paardenbak na mondelinge goedkeuring door een ambtenaar van de gemeente is geplaatst. Hij heeft verder aangevoerd dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Daartoe voert hij aan dat de ruimtelijke uitstraling van de paardenbak verwaarloosbaar is, dat hij bereid is de paardenbak aan te passen zodat deze een natuurlijke omheining heeft en dat verplaatsing mogelijk leidt tot een probleem met het nabijgelegen autobedrijf.

6.1. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat het college in strijd heeft gehandeld met de voorafgaand aan de vaststelling van het handhavingsbeleid bestaande uitvoeringspraktijk met betrekking tot het handhavend optreden tegen illegale paardenbakken. Het college heeft voorts, mede gelet op de toelichting ter zitting, aannemelijk gemaakt dat het, indien sprake is van een overtreding, voornemens is om op te treden tegen de situatie op het perceel Drachtsterweg 78 te Opende. De voor de overige door [wederpartij] genoemde percelen gevolgde planologische procedures hadden voorts, zoals door het college is toegelicht, geen betrekking op een paardenbak, zodat deze reeds om die reden niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige paardenbak. Gelet op het voorgaande komt aan [wederpartij] geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toe.

6.2. Er bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het college in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat niet handhavend tegen de paardenbak zou worden opgetreden. De omstandigheid dat toezichthouders van de gemeente het perceel hebben bezocht in het kader van de verbouwing van de woonboerderij op het perceel en deze zich niet over de paardenbak hebben uitgelaten kan niet als zodanige toezegging worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat de paardenbak in 2004 is geplaatst en het college [wederpartij] eerst in 2010 op de hoogte heeft gesteld van het feit dat deze in strijd is met het bestemmingsplan en verwijderd dan wel verplaatst diende te worden, leidt evenmin niet tot het oordeel dat het college niet meer tot handhavend optreden mocht overgaan.

6.3. Het door [wederpartij] aangevoerde biedt voorts evenmin grond voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien. Dat de ruimtelijke uitstraling van de paardenbak verwaarloosbaar is, omdat deze achter de woning is gelegen en vanaf de openbare weg nauwelijks zichtbaar is, zoals [wederpartij] stelt, doet niet af aan het algemene belang dat is gediend met handhavend optreden. De omstandigheid dat verplaatsing van de paardenbak mogelijk tot een probleem met een nabijgelegen autobedrijf zou kunnen leiden, leidt, wat daar verder van zij, voorts evenmin tot het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is, mede gelet op de omstandigheid dat ook aan de last kan worden voldaan door verwijdering van de paardenbak. Dat [wederpartij], zoals hij stelt, bereid is de paardenbak aan te passen met een natuurlijke omheining maakt verder niet dat het college niet handhavend kon optreden tegen de paardenbak in de onderhavige vorm.

6.4. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden af moest zien.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2012 van het college alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 april 2013 in zaak nr. 12/1092;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

580.